De baas in Huis

Op de zaterdag vóór de Ameri­kaan­se verkiezingen voor het Congres was mijn schoonmoeder Nancy Pelosi in New York en het was aan mij om de restaurantreservering te maken. Na een middag bellen bleek er in de hele stad geen tafel te krijgen en eindigden we in het steakhouse om de hoek. Een week later, vier dagen na de Democratische overwinning, is ze weer in de stad, wachtend op een aankomend kleinkind (‘future House Speaker on baby watch’ koppen de kranten). Uiteraard is het meteen raak: iedereen wil de toekomstige Speaker van het Huis van Afgevaardigden in hun restaurant.

De laatste zondag vóór de ver­kiezingen aten we nog koude rigatoni tijdens Get Out The Vote-campagnerally’s in Connecticut. De pasta in aluminium bakken werd onveranderd geserveerd door een gehandicapte veteraan met één arm of een veel te dikke zwarte mevrouw in een rolstoel. In de vieze keuken van een lokaal campagnekantoor stonden dozen met campagnemateriaal. Naast de telefoon hingen de lijsten met namen die door campagne­medewerkers moesten worden gebeld op verkiezingsdag: een lijst met namen van de ‘African Americans’, een lijst voor de ‘Latino’s’ en een voor de lokale oorlogsveteranen.

Dat alles was voor de uitslag: de electorale prehistorie. Twee dagen na de overwinning werd haar pasta geserveerd op Witte Huis-porselein tijdens een lunch met president George Bush. Onder de titel ‘Who’s the boss?’ wordt de George and Nancy show in de Amerikaanse pers breed uitgemeten. Iedereen wil weten wat de twee bespreken achter gesloten deuren. Een van de onderwerpen was de naam van mijn toekomstige zoon, die elk moment geboren kan worden. ‘Ik neem aan dat Georgie is overwogen, maar weer afgewezen?’ vroeg de president. De eveneens aanwezige Dick Cheney zat er zwijgend bij.

Inmiddels is de taak van schoonzoon verschoven naar het buiten de deur houden van de paparazzi op jacht naar de eerste foto van de Speaker’s zesde kleinkind. Toen ik haar perswoordvoerster vroeg hoe roddelblad People buiten de kraamkamer te houden, antwoordde die opgelucht: ‘Je bent de eerste vandaag die niet vraagt welke pasta er op het menu stond tijdens haar lunch met de president.’

Nu ieder restaurant haar wil hebben, hoeft ze niet meer te eten in het openbaar. We eten in de Upper East Side, waar de Franse topchef Daniel Boulud zelf komt koken in het huis van een van haar donateurs die zijn miljoenen ooit verdiende door plastic bekertjes op de markt te brengen. Het toekomstige kleinkind wordt in aria’s live toegezongen. De Italiaanse tenor sluit af met een snikkend God Bless America, terwijl het gesprek aan tafel zich verschuift naar de vraag wie er al verzoeken om geld ontving van potentiële presidentskandidaten in 2008.

Michiel Vos

Ben Hur versus Kinky Schinky

In het campagnegeweld aan de vooravond van de verkiezingen begint ook de innige relatie tussen regeringspartijen VVD en CDA flinke barsten te vertonen. Eind vorige week, tijdens het door Vrij Nederland georganiseerde verkiezingsdebat in Amsterdam, kwam het tot een forse aanvaring tussen Ben Verwaayen, voorzitter van de VVD-programmacommissie, en Jan Schinkelshoek, campagneadviseur van Balkenende. In een bomvol Odeon betoogde Verwaayen, topman van British Telecom, dat de verkiezingscampagnes van de grote partijen ‘helemaal nergens’ over gaan – behalve die van de VVD natuurlijk. Volgens de man die bij het Britse bedrijf ook wel bekend staat als ‘Ben Hur’, richten de partijen zich enkel en alleen op het gevoel – zoals ook blijkt uit de verkiezingsfilmpjes van het CDA, waarin Balkenende op bezoek gaat bij gezellige families op het platteland. ‘Maar met gevoel kan ik geen beleid voeren. Uiteindelijk is dat slecht voor de politiek.’

Schinkelshoek, communicatiedirecteur bij de Rabobank Groep en kandidaat-Kamerlid voor het CDA, reageerde als door een wesp gestoken: als campagne­adviseur is hij medeverantwoordelijk voor de televisiespotjes. ‘Ik vind dat een grote simplificatie,’ zei hij. ‘De heer Verwaayen heeft kennelijk te lang in Engeland gewoond om te weten dat in élke verkiezingscampagne terugkomt: “Het gaat nergens over”. Het gaat wel degelijk over iets. Alleen al om de simpele vraag: gaan we door op wat we bereikt hebben, of slaan we links af?’

Maar Verwaayen liet zich niet tot zwijgen brengen. ‘Dat zijn slogans, dat is geen idee!’ riep hij. En, over het CDA-verkiezingsprogramma: ‘Jullie hebben zevenenzestig pagina’s nodig om hélemaal níks te zeggen, om helemaal geen énkele keuze te maken!’ Dat liet Schinkelshoek, die ooit als hoofdredacteur van de Haagse Courant ‘Kinky Schinky’ werd genoemd, niet over zijn kant gaan. Hij noemde het verkiezingsprogramma van de VVD ‘een absoluut goedkoop pamflet!’

Inmiddels was Verwaayen niet meer te stoppen: ook de premier, die onlangs een dagje hoofdredacteur speelde van één pagina in De Telegraaf, kreeg ervanlangs. ‘Heb ik gelezen,’ zei Verwaayen. ‘Daarin schrijft meneer Balkenende honderdvierenzestig keer op dat-ie trots is. En verder staat er helemaal niks!’ Na afloop bleven de andere deelnemers aan het debat nog gezellig na om een biertje te drinken. Jan Schinkelshoek en Ben Verwaayen verlieten snel het pand, zonder een woord met elkaar te wisselen.

Thijs Broer

Nostalgisch Hakken

Op de middelbare school had mijn broertje een duistere periode. Hij schoor zijn hoofd kaal, droeg trainingspakken en luisterde naar muziek van 150 beats per minuut. Dat kwam zo. Wij groeiden op in Overschie, op een kwartiertje fietsen van de Energiehal, waar in die tijd de beruchte gabberfeesten werden gehouden. ‘Nightmare in Rotterdam.’ De dreun drong door tot in onze slaapkamers. Samen met een buurjongen besloot mijn broertje het erop te wagen. ‘Zesduizend man met kale koppen die in een industrieel complex staan te hakken. Dat gekke bekken trekken, stijf van de pillen. Iedereen die elkaar in de armen viel. Doodeng vonden we het.’ Mijn broertje had zijn subcultuur gevonden. Pillen slikte hij niet, een echte gabber is hij nooit geworden. ‘Ik was meer een zwabber,’ zegt hij nu, ‘een gabber die even in en uit de scene ging.’ Twaalf jaar later ga ik met hem naar WORM, het podium voor cutting edge kunst en muziek in Delfshaven, waar ze ‘A Tribute to Gabber’ organiseren. Een hommage aan ‘waarschijnlijk de belangrijkste muzikale bijdrage uit Nederland van de afgelopen twintig jaar’. In de bovenzaal van het oude pakhuis zijn modepoppen met Australian-trainingspakken aangekleed en vitrines gevuld met platen.

Hoofdgasten zijn de ‘god­fathers of gabber’: dj Rob en dj Paul. Dj Rob stond aan de wieg van gabber in het Rotterdamse Parkzicht. De reputatie van Paul Elstak is minder smetteloos. ‘Hij heeft gabber doen opkomen en weer laten verdwijnen,’ doceert mijn broertje. ‘Van die obscure gast uit de Energiehal werd hij opeens popster. Met ‘Rainbow High In The Sky’ werd gabber mainstream. In 1995 werd een onderzoek gepubliceerd waarin eenderde van alle Nederlandse jongeren zich gabber zei te voelen. Dat was het einde van dj Paul. De scene had een sterk wij-gevoel en het was heel erg als je een sell-out was.’

In WORM is de sfeer gemoedelijk, het publiek divers. De meesten zijn rond de dertig. Een meisje vertelt dat ze in haar gabbertijd ‘op zoek was naar iets buiten mezelf wat in mezelf zit’. Tegenwoordig mediteert ze. Een oude gabber met dreadlocks bezoekt nu illegale acid-feesten. Anderen zoeken het in de hardcore. Ze kijken nostalgisch terug op het midden van de jaren negentig. ‘Het was die sfeer, hè?’ zegt een oude gabber. ‘Je was één.’

Dj Paul beweert dat hij gabber altijd heeft verdedigd tegen het imago van drugs en racisme. Dat hij door zijn oude aanhang werd bekogeld met eieren toen hij een hit had, vindt hij ‘typisch Nederlands’. ‘Als je succes hebt, word je uitgescheten. Terwijl wij de poorten van Hilversum hebben geopend voor een heel ander soort muziek.’

Tot besluit vertonen Paul en Rob hun kunsten op de draaitafels. Hoofden beginnen werktuigelijk naar voren en achteren te bewegen, handen maken zaagbewegingen in de lucht. Het meditatiemeisje is niet te houden. ‘Hardcóre…?’ verzucht mijn broertje.

Maartje Duin

Cultuur in crisis?

Het was leuk om zo snel een vermoeden bevestigd te krijgen toen Arnon Grunberg het woord kreeg op de Nexus-conferentie 2006, afgelopen zaterdag gehouden in de Passengers Terminal van Amsterdam. Het onderwerp was de vraag of de klassieken nog wel iets betekenen, of de kunst nog wel de kunst is en of we op alle gebieden niet overspoeld worden door kitsch. Een fine fleur van westerse kunstenaars en intellectuelen, onder wie Roberto Calasso, Roger Scruton, Marc Fumaroli, Hendrik Hertzberg, Marlene Dumas, Alexander Nehamas en Jack Miles moesten tot een nieuwe definitie van westerse cultuur zien te komen, die volgens sommigen in ‘crisis’ verkeert.

Grunberg wist wat hem te doen stond. Crisis, crisis, de mensheid heeft nooit anders dan in een crisis geleefd. De Bijbel is al een boek over een cultuur in crisis. Crisis is niets bijzonders en er is niets negatiefs aan. We worden er ook niet slechter van. ‘Alle cultuur is een antwoord op onze wonden.’ Je kunt ervan uitgaan dat alles van betekenis gebaseerd is op een crisis. Wanneer je je in een crisis bevindt, komen je beste eigenschappen boven.

Grunberg was niet de enige die cultuur geen crisis wilde aanpraten. De Amerikaanse filosoof Alexander Nehamas (schrijver van Nietzsche: Life as Literature) was minstens zo gevat. ‘Vroeger hadden we Homerus, nu hebben we Plato en Euripides,’ ­citeerde hij vrij Aristofanes. Het is een oude gewoonte om alles van vroeger beter te vinden. De veelgesmade televisie vond hij een oceaan van nuttige kennis voor wie het weet te vinden. En iedereen weet toch dat het meeste op de wereld verschrikkelijk is? Worden er tegenwoordig geen romans meer gelezen (wat niet eens waar is)? Dan is men in goed gezelschap: de beroemde Engelse dichter Coleridge haatte romans.

Maar zo makkelijk ontkwamen de feilen van de hedendaagse cultuur nu ook weer niet. Elke spreker was er goedgehumeurd in thuis. De Franse filosoof Marc Fumaroli bevestigde dat hij niets van de Amerikaanse communicatie-industrie moest hebben. Hij was niet tegen de opmars van nieuwe media, maar dat ging wel gepaard met veel ‘bijkomende schade’. De Italiaanse schrijver en uitgever Roberto Calasso wilde de klassieken niet al te zeer idealiseren, want daar is in het verleden door verschrikkelijke figuren mee geschermd. Hij las een citaat voor waarin de Hellenen en de klassieken werden opgehemeld. Het bleek van Hitler. Toen iedereen achter de tafel werd gevraagd om kort en bondig een onverwoestbaar kenmerk van de westerse cultuur te noemen, was het dezelfde Calasso die met een solide antwoord kwam: nieuwsgierigheid. Dat zag je niet zo in de Aziatische en Oost-Europese culturen. De excentrieke archeologe Ingrid Rowland verwoordde ondertussen wat iedereen op deze conferentie dacht: dat het niet te hopen is dat we in de toekomst onze identiteit zullen moeten ontlenen aan de vraag of we een Gap-jeans of een Levi-jeans dragen.

Carel Peeters