Partijleider Halsema en de usual suspects

Femke Halsema mag dan het verwijt krijgen dat GroenLinks een elitaire partij is geworden, afgelopen zaterdag begaf ze zich niet naar het partijcongres met de dienstauto, maar gewoon met de trein.

Daar stond ze in de ochtendzon op het perron van station Amsterdam Amstel, driftig kauwgom kauwend tegen de zenuwen. Want niet eerder lag ze binnen de partij zó onder vuur. De beslissing van de partijtop om regeringsdeelname op voorhand uit te sluiten leidde tot woede en onbegrip. Intussen klonk er vanuit de linkervleugel van de partij steeds luider protest tegen de ‘elitaire’ koers van Halsema. Toen vorige week ook Europarlementariër Joost Lagendijk zich mengde in het groeiend koor van ontevredenen waren de rapen gaar. Zo ging Halsema zaterdagmorgen op weg naar het moeilijkste congres van haar politieke loopbaan.

Gesteund door een handjevol getrouwen, dat wel: op het perron trof ze Kamerlid Wijnand Duyvendak en in de trein fractiewoordvoerder Tom van der Lee en kandidaat-senator Britta Böhler, die haar een hart onder de riem probeerden te steken. ‘Ik zal me vandaag niet vervelen,’ zei Halsema met een wrang glimlachje, bij aankomst op Utrecht Centraal.

Het werd een rumoerige ochtend. In de grote zaal van het Congresgebouw wisselden de sprekers elkaar af onder gejuich en boegeroep: voor en tegen kabinetsdeelname, voor en tegen een linksere koers. Op spannende momenten stond Femke aan de zijkant van het podium te luisteren, de handen strijdbaar in de zij, om even later weer nerveus te gaan roken in de wandelgangen. Pas toen ze het podium besteeg en het eerste applaus de zaal vulde, verdween de spanning van haar gezicht. Het morrende congres bleek het vertrouwen in de partijleider zélf nog niet te zijn verloren. Na iedere bekentenis (‘De afgelopen dagen waren niet leuk. Het waren van die dagen waarop ik me stiekem even afvraag waarom ik ook alweer de politiek ben ingegaan’) viel een eerbiedige stilte. Op iedere one­liner (‘We zijn de SP niet, we zijn een open debatpartij’) volgde luid applaus. De strijdlustige uitsmijter – ‘Dus of ik zin heb? Wat dacht je?’ – werd zelfs beloond met een staande ovatie. Maar na afloop was het gemor nog niet verdwenen. Een mea culpa was in haar speech niet te ontwaren, mopperde men in de wandelgangen. Ook haar sneer naar criticus Lagendijk – ‘Joost, dat was eens maar nooit weer!’ – viel niet in goede aarde. ‘Daar heb ik wel een beetje spijt van,’ bekent Halsema. ‘Dat was niet chic.’ Zelf heeft ze aan het congres een ambivalent gevoel overgehouden. ‘Ik was pijnlijk getroffen door de persoonlijke toon van de kritiek. Maar het waren vooral de usual suspects die ermee kwamen. Eígenlijk is er een grote consensus over onze vrijzinnige koers.’

Thijs Broer

Nep- en bloeddiamanten

‘Hun veiligheidsdienst is een angstaanjagend apparaat. Het werd in mijn tijd geleid door een oud-MI5-baas. Ik ben blij dat ik weg ben uit die wereld.’ Ik spreek een vriend, tevens oud-werknemer van het Zuid-Afrikaanse diamantbedrijf De Beers dat in de bioscoopfilm Blood Diamond met Leonardo DiCaprio ‘Van de Kaap’ heet. Hij legt uit waarom het mij niet is gelukt om een afspraak te krijgen in Johannesburg. ‘Terwijl ik er werkte, zijn er niet meer dan twee journalisten op de burelen toegelaten. Zo’n bezoek werd voorbereid als een militaire operatie. Lastige werknemers moesten verplicht een vrije dag opnemen.’ Destijds promoveerde hij aan Cambridge University op de synthetische productie van diamanten. Nog op de dag van zijn promotie werd hij overgevlogen naar Johannesburg om – na het tekenen van een boekwerk met geheimhoudingsclausules – bij De Beers aan de slag te gaan. Het was eind jaren negentig – de tijd waarin ook de DiCaprio-film speelt – en de ­diamantdynastie werd bedreigd door concurrentie van niet aan prijsafspraken meewerkende Russische mijnexploitanten, gedonder over ‘conflict diamonds’ en Amerikaanse wetenschappers die beweerden dat ze synthetische diamanten konden maken uit grafiet of zelfs pindakaas. ‘Ze hebben veel voor de kiezen gekregen,’ zegt mijn vriend. Maar hij weet als geen ander dat medelijden met De Beers niet nodig is. Stinkend rijk werd het bedrijf op het door oorlog, aids en honger verscheurde continent. Om de hoge prijzen te rechtvaardigen, logen ze dat de steentjes zeldzaam zijn. ‘De pakhuizen stromen over,’ weet hun oud-werknemer. Tijdens een diner met grote baas Nicky Oppenheimer (de derde generatie van de Duits-joodse familie die al bijna een eeuw de scepter zwaait) hoorde hij hoe ze in het uiterste geval het overspoelen van de markt door Russische diamanten het hoofd wilden bieden. ‘Oppenheimer zei dat hij een grote lading diamanten in de oceaan zou laten storten. Dan zou de consument weer geloven in schaarste.’ Mijn vriend zette zijn onderzoek naar synthetische diamanten voort bij De Beers. ‘Iedereen heeft het over “conflict diamonds”, maar de kwestie rond synthetische dia­manten is zeker zo interessant. In het lab wordt tegenwoordig “gemstone quality” bereikt. De handel draait op het romantische idee dat je je geliefde een zeldzame natuurschat geeft die er miljoenen jaren over heeft gedaan om zich te vormen en die met veel moeite is opgegraven op een exotische plek. Maar wat als je nooit zeker weet of je er zo eentje hebt?’

Marie-José Kleef

Voorgoed vast in Kamtsjatka

Marcelo Figueras is een Argen­tijnse veertiger met stekeltjeshaar en een gebruinde huid. ‘Hij is bijna net zo mooi als George Clooney,’ fluistert een meisje tegen haar vriendin. Figueras is even in Nederland voor de presentatie van de vertaling van zijn boek Kamtsjatka, dat gaat over de belevenissen van het tienjarige jongetje Harry tijdens de Argentijnse dictatuur. Zijn ouders zijn linkse activisten en ‘verdwijnen’. De hoofdpersoon kijkt als volwassene terug op zijn jeugd. Hij heeft het verlies van zijn ouders niet verwerkt, hij zit vast in een denkbeeldig ‘Kamtsjatka’, de laatste plek op aarde waar je je veilig kunt voelen. Het is een verwijzing naar het bordspel Risk, dat Harry vaak met zijn vader speelde. De verfilming van het boek was een enorm succes in de Spaanstalige wereld. In het Instituto Cervantes in Utrecht kijkt Figueras – wereldberoemd in eigen land – een halfvolle zaal in. Figueras komt uit een welgesteld en volledig apolitiek gezin, zijn beide ouders waren tandarts. ‘De dictatuur is zo goed als aan mij voorbijgegaan.’

De schrijver wordt geïnterviewd door Alejandra Slutzky, een kleine beweeglijke Argentijnse. Slutzky’s leven komt min of meer overeen met dat van het personage Harry uit Kamtsjatka. Haar vader – een idealistische huisarts in La Plata – ‘verdween’ tijdens de dictatuur. Alejandra en haar broertje doken onder en ontkwamen naar Nederland. Slutzky heeft over haar leven de roman De stilte geschreven. Je zou verwachten dat tussen Figueras en Slutzky een geanimeerd gesprek op gang komt. Maar dat gebeurt niet. Slutzky blijft in haar rol van interviewer. Het gesprek gaat over Figueras en vooral niet over haarzelf. Na afloop serveert Cervantes-directrice Isabel Lorda Vidal tapas en wijn. ‘Het verhaal van Kamtsjatka is voor mij heel herkenbaar,’ zegt Slutzky. ‘De eenzaamheid tijdens het onderduiken. Net als Harry wilde ik verder met mijn leven. Ik sloot me ook af voor wat er om me heen gebeurde.’ Waarom verzweeg ze die opvallende parallel tijdens het interview? ‘Ik ben net als Harry nog steeds bang om het pantser te laten vallen. Actievoeren, daar ben ik heel goed in. Maar dat is iets anders dan echt voelen wat jezelf is overkomen, echt accepteren dat je slachtoffer bent geweest. Eigenlijk zit ik nog steeds vast in Kamtsjatka.’

Harm Ede Botje

Doelwit Nederland

Reclame via de reguliere kanalen maakt Jan van Benthem van Windowgard niet. ‘Daar is Nederland nog niet aan toe,’ zegt hij. Hij is naar het congres ‘Terrorismebestrijding en crisismanagement’ in Nieuwegein gekomen voor ‘relatiebeheer’. Want, zegt hij, ‘hier lopen hoge pieten rond’.

Die komen van ministeries en politie, maar ook van bedrijven als NS, KLM en Essent. Eerst zijn ze wakker geschud door de dagvoorzitter. Wie vindt Nederland goed voorbereid op terroristische aanslagen? Niemand steekt zijn hand op. ‘We zijn alleen voorbereid op kleine incidenten,’ zegt een beroepsmilitair, ‘dus ik hoop hier wat op te steken.’ Maar ook op de vraag wie zich onveilig voelt, blijft het stil. ‘Ik heb het gevoel dat we geen eerste target zijn,’ zegt een andere aanwezige. ‘Dat gevoel wil ik graag houden, want anders moet ik emigreren met m’n vrouw en kinderen.’

Terrorisme-experts noemen vervolgens alle factoren die Nederland tot doelwit maken: de radicalisering van moslims, de aanwezigheid van de Amerikaanse ambassade en de El Al-vluchten.

Ten slotte klinkt de roep om te investeren in safety en security. ‘Wereldwijd gaat er 53 miljard om in de beveiligingsindustrie,’ zegt Glenn Schoen, terrorisme-expert van Ernst & Young. ‘Meer dan in de film- en de muziek­industrie bij elkaar.’

Jan van Benthem pikt er zijn graantje van mee. Zijn volgens de folder ‘hechte familiebedrijf uit Lelystad’ doet in kogelvrij en explosiebestendig glas. Hij reproduceert: tachtig procent van de doden bij een aanslag vallen door rondslingerend glas. De druk van een ontploffing kan zelfs de ramen aan de achterkant van het gebouw doen barsten. Dat laten zij onafhankelijk onderzoeken door TNO, want paniek zaaien willen ze niet.

Van Benthem biedt verschillende oplossingen. Een plastic­achtig folie dat een gebarsten raam bij elkaar houdt. En voor de zwaardere aanslagen een constructie met een elastische kabel die de druk breekt door het raam in tweeën te delen. De prijzen variëren van 80 tot 400 euro per vierkante meter raam.

Hun enige miljoenenopdracht in de privésector is tot dusver het hoofdkantoor van KPN in Den Haag. Daar lijkt het voorlopig bij te blijven. NS wil dat de overheid meebetaalt. KLM eigenlijk ook. ‘Vliegen is een soort openbaar vervoer geworden,’ zegt Ben Swagerman van de luchtvaartmaatschappij. ‘Wij waren 80, 85 miljoen kwijt aan gewapende cockpitdeuren. Dat moet eigenlijk niet nodig zijn.’ Maar uiteindelijk, vindt hij, moet de burger in actie komen tegen terrorisme. ‘Je kunt niet alles beveiligen.’

Maartje Duin