Na drie verhoordagen loopt Azzedine C., alias Abu Moussa vast in ontkenningen, afzwakkingen en excuses. ‘U lijkt me niet iemand die gedachteloos allerlei dingen de wereld in slingert.’

‘Dood aan de Joden!’ Ze hadden het niet moeten schreeuwen op de pro-Gaza demonstratie vorig jaar zomer. Dat mensen zich daardoor bedreigd voelden, vindt hij vervelend. En die ronkende verheerlijking van de strijd in Syrië op hun gezamenlijke Facebook-pagina? De oproepen aan Nederlandse jongens om naar het kalifaat af te reizen? Ook daar neemt de hoofdverdachte in het grote jihadi-proces afstand van. ‘Met de kennis van nu zou ik er niet meer aan hebben deelgenomen.’

Azzedine C., alias Abu Moussa, heeft spijt. Dat komt langzaam bovendrijven na drie dagen verhoor in de Bunker in Osdorp. De vermeende leider van de organisatie ‘met terroristisch oogmerk’ begon de eerste zittingsdag stoer en dominant, maar lijkt meer en meer in de verdediging gedrongen. Tot drie keer toe concludeerde de rechtbankpresident: ‘U bent dus bang dat de verkeerde mensen gaan (naar Syrië, red.), daarom zou u dat nu niet meer schrijven.’ Dat is pikant, want met die opmerkingen lijkt de rechtbank een voorschot te nemen op het eindoordeel. De verdachte erkent immers dat hij met zijn uitingen op Twitter, Facebook en tijdens demonstraties mogelijk invloed heeft gehad op potentiële Syriëgangers, en dat er dus sprake is van opruiing. Ook al ziet Abou Moussa dat zelf anders.

Het was nog wel zo vriendelijk begonnen, afgelopen maandag. De rechters informeerden naar zijn jeugd (‘fijn’), naar zijn religieuze standpunten (‘Ik noem mezelf theocraat’) en naar zijn kijk op Nederland (‘Ik geloof niet dat democratie het beste is voor de mensheid, maar ik erken de rechtsstaat’). Van de rechtbankpresident kreeg hij een compliment voor een schriftelijke stuk dat hij had ingebracht. ‘Ik heb nog nooit zo’n honderd procent vrijheid van meningsuiting en godsdienst gevonden dan in uw commentaar.’

Abu Moussa ontkende stellig dat hij geloofsgenoten heeft geadviseerd naar het strijdgebied te gaan. Dat ze toch bij hem aanklopten, was omdat hij ‘een beetje een bekende Nederlander’ was geworden. ‘Ik werd door vreemden benaderd hoe naar Syrië te gaan, alsof ik een soort airline had.’ Door zijn optredens op tv stond hij te boek als de ‘woordvoerder van Syriëgangers’, ‘maar ik heb mezelf nooit zo opgeworpen. Ik zag mezelf meer als analist van de problematiek in Syrië.’

Het zijn etiketten die hem door de buitenwacht zijn opgeplakt, meent de verdachte. Ook relativeerde hij zijn rol als aanjager van provocerende demonstraties, onder meer in de Schilderswijk. Op de vraag van de rechter of hij zo de woede wilde vergroten, zei Abu Moussa snedig: ‘Dan had ik geen demonstraties georganiseerd, maar rellen.’ Maar wat te denken van uitspraken als ‘Obama, Obama, wij zijn allemaal Osama’ tijden een van die demonstraties? Dat was volgens hem voor de ‘contra-controverse’. ‘Om tegen jullie heilige huisjes aan te trappen.’

Allengs werd hij echter ongeloofwaardiger. Over het pro-jihadstuk van Al Qaida-voorman Al-Awlaki dat bij hem werd gevonden, zei Abu Moussa: ‘Ik lees geen Engels.’ En op vragen over zijn trip naar Griekenland, waar hij in een militaire zone vlakbij de Turkse grens werd aangehouden, wilde de verdachte weinig kwijt. Het OM vermoedt dat hij en zijn vriend Soufiane Z. van plan waren om door te reizen naar Syrië. ‘Was uw volgende bestemming Istanbul?’ vroeg de rechter.

Abu Moussa, grappend: ‘Nee, maar ik was graag naar Cuba gegaan.’

De rechter: ‘Dan zat u in de verkeerde bus.’

Een mooie foto

De rechters confronteerden hem vervolgens met zijn activiteiten op social media. Waarom postte hij foto’s van een strijder met een bazooka en een man die zijn eigen onderbeen vasthoudt? ‘Ik kan het me niet herinneren.’ Wat was de bedoeling van de tekst ‘heerlijke foto’ bij een beeld van een groep IS-strijders? Abu Moussa: ‘Ik vind die nog steeds mooi, die vlag is prachtig.’

De rechter: Is dat uw serieuze antwoord? Een mooie foto, zonnetje, woestijn?’

Abu Moussa: ‘Ja, ik zie niets opruiends. Ik meende het, een mooi genomen foto.’

Hij probeerde recht te breien wat krom is, maar dat lukte hem niet toen hij werd geconfronteerd met zijn raad aan Syriëgangers: ‘Mijn broederlijke advies aan de reizigers is om geen bewijzen bij je te hebben of te praten via internet waar je naartoe gaat of bij wie jij je gaat aansluiten (…) Wees dus slimmer dan deze dieren! En … nog een prettige reis bij het uitreizen naar Syrië.’

De rechter las het voor en de doorgaans goedgebekte Abu Moussa pijnigde zijn hoofd. ‘Ik herken me niet meer in dit geschrift. Dat zou ik nu niet meer doen,’ luidde uiteindelijk het antwoord. ‘Want nu gaan er allemaal mensen die er niet klaar voor zijn, jonge kinderen en zo.’

Even later reageerde hij fel op een vraag: ‘ik laat me geen woorden in de mond leggen!’ De rechtbankvoorzitter stelde hem gerust. ‘Dat willen we niet. U lijkt me niet iemand die gedachteloos allerlei dingen de wereld in slingert.’ En dat is dan toch weer een omineus teken, verpakt in een compliment.

Het lukte de rechters niet om de zaak van hoofdverdachte binnen de geplande drie dagen te behandelen, dus volgende week mag hij nog een keer. Maar de eerste voorzichtige conclusie moet toch zijn dat de magistraten niet onder de indruk zijn van Abu Moussa’s ontkenningen, afzwakkingen en geheugenverlies. En zelfs niet van zijn excuses.