‘”Kijk,” zegt een vader tegen zijn dochtertje. “Daar loopt minister Steurs, van de politiek in Den Haag zeg maar. Die heeft een zware tijd.”‘ Ard van der Steur is afgetreden als minister van Veiligheid en Justitie. Lees hier ons portret van afgelopen zomer.
Als student in Leiden stond Ard van der Steur bekend als getalenteerd debater, maar in het parlement heeft hij het zwaar. VN ging op pad met de geplaagde minister van Veiligheid en Justitie. Hoe blijft hij overeind? ‘Ik heb wel eens gedacht: waar ben ik aan begonnen? Maar ik vind nog steeds: dit is mooi om mee te maken.’

Op de boulevard aan het Weerwater in Almere staan tientallen politiewagens, brandweerauto’s en ambulances opgesteld. Commando’s in volle wapenrusting geven demonstraties bij een klimmuur, duikers van de marine dalen af in een bassin van gepantserd glas, vrijwilligers van het Rode Kruis en de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij staan bij hun tenten klaar met foldertjes. Vlaggen wapperen in de zon, de kapel van de Koninklijke Marechaussee speelt vrolijke marsen. Op deze vroege zaterdagmorgen in april drommen duizenden mensen over het festivalterrein om de Nationale Veiligheidsdag mee te maken. In het theater aan de waterkant staan enkele tientallen bobo’s te wachten op de minister van Veiligheid en Justitie, die het evenement feestelijk zal openen.

Daar is Ard van der Steur al, een half uur te vroeg, als altijd gehuld in donkerblauw pak met feloranje das. ‘Goedemorgen!’ Hij schudt handen met politiecommandanten, landmachtgeneraals en de burgemeester. ‘Loop even mee, dan kan je zien waarom ik dit zo leuk vind!’ En daar beent Van der Steur alweer naar buiten. Zijn ambtenaren moeten hollen om hem bij te houden. Op het festivalterrein stormt de minister van de ene tent naar de andere. Hij slaat politiemensen op de schouder (‘Geweldig dat jullie er zijn!’), gaat op de foto met kleine jongetjes (‘Hoe heet jij? Wat wil je later worden?’) en maakt grapjes met de mannen van de ME (‘Kom, we gaan dit waterkanon even aanzetten. Wat een indrukwekkend ding zeg!’). In het gedrang struikelt een klein kindje, maar voor de minister te hulp kan schieten, wordt het alweer overeind geholpen. ‘Mooi, de eerste calamiteit hebben we vandaag alweer onder controle!’ In de ontsmettingscontainer van het forensisch politieteam dat drugslaboratoria ontmantelt, zegt hij: ‘Potverdorie, dit ziet er goed uit. Dit wordt een mooie dag om de mensen te laten zien wat we allemaal kunnen. Heel hartelijk dank, veel succes allemaal. Ik ruk uit!’ En vertrokken is hij alweer, met ferme pas op weg naar de tent van de brandweer.

‘Kijk,’ zegt een vader tegen zijn dochtertje. ‘Daar loopt minister Steurs, van de politiek in Den Haag zeg maar. Die heeft een zware tijd.’

Negen dagen eerder hing Van der Steurs politieke lot nog aan een zijden draadje. Ternauwernood overleefde hij een motie van wantrouwen in de Tweede Kamer: zijn tweede sinds hij in maart 2015 aantrad als opvolger van Ivo Opstelten. Deze keer ging het over de zelfmoordterrorist Ibrahim El Bakraoui, een van de daders van de aanslagen in Brussel, die in juli vorig jaar ongestoord in Nederland had kunnen rondwandelen. Van der Steur betoogde tevergeefs dat de opsporingsdiensten geen fouten hadden gemaakt, in de Kamer en in de pers werd hij weggezet als brokkenpiloot en brekebeen, de zwakste schakel van het kabinet.

Maar tijdens zijn optreden aan het Weerwater is geen spoor van onzekerheid op zijn gezicht te zien. Zelf zegt Van der Steur: ‘Op dit soort dagen realiseer ik me weer waar ik het allemaal voor doe. Dat het een voorrecht is om leiding te geven aan honderdduizend mensen die dag en nacht klaarstaan voor onze veiligheid!’

Bovendien – en dat zegt hij er niet bij – is hij eindelijk even een ochtendje weg uit de Haagse arena, waar de pers en de oppositie hem continu op de huid zitten.

Foto: Jasper Zwartjes
Nadelen waren er ook

In april 2015, kort na zijn aantreden als minister, ziet de wereld er nog heel anders uit voor Ard van der Steur. Opgewekt staat hij een colaatje te drinken in de Members Bar van het Europarlement in Straatsburg, waar hij een eerste werkbezoek aflegt. ‘Aha, Vrij Nederland!’, roept hij. ‘Ik ben al járen abonnee, sinds mijn studententijd in Leiden. Ik heb nog een keer een boze brief aan Joop van Tijn geschreven omdat VN over sport ging schrijven.’ Met deftige Leidse tongval spreekt hij het vermaledijde woord uit als spurt. ‘Belachelijk!’ Hij moet er zelf om grinniken.

We spreken af dat Vrij Nederland hem een tijd op de voet zal volgen. Hij erft een zware portefeuille van zijn voorganger: het ministerie wordt al jaren geteisterd door bezuinigingen, reorganisaties en moeizame verhoudingen in de top. De belangrijkste vraag: weet hij als bewindsman overeind te blijven?

Voor veel mensen kwam de benoeming van Ard van der Steur tot minister van Veiligheid en Justitie een maand eerder totaal onverwacht, en voor hemzelf – naar eigen zeggen –eigenlijk ook. Begin maart zag Ivo Opstelten zich gedwongen af te treden omdat hij de Tweede Kamer onjuist had geïnformeerd over de afwikkeling van de ‘Teevendeal’, de geheime financiële afspraak die zijn staatssecretaris Fred Teeven in zijn vorige leven als officier van justitie had gemaakt met drugscrimineel Cees H. Opstelten had ten onrechte aan de Kamer gemeld dat het beruchte ‘bonnetje’ niet te vinden was. Daarop gooide ook Fred Teeven morrend de handdoek in de ring. Crisisberaad bij de VVD: wie moest Opstelten opvolgen?

Volgens bronnen in de VVD-top ‘keek iedereen al snel naar Ard’. Als Kamerlid met de portefeuille Veiligheid en Justitie was hij goed op de hoogte van de dossiers die Opstelten hem zou nalaten. Als oud-advocaat was hij geschoold in het juridische handwerk: een mooie bijkomstigheid. Bovendien kon Mark Rutte het uitstekend met hem vinden: in de jaren negentig hadden ze elkaar al leren kennen in de JOVD, de liberale jongerenvereniging.

Nadelen waren er ook. Van der Steur bracht wel heel weinig bestuurlijke ervaring mee om zo’n gecompliceerd ministerie te leiden. En de kranten hadden al geschreven dat juist Van der Steur kort voor het aftreden van Opstelten de VVD-top had gewaarschuwd dat Ivo het niet meer zou redden in de Kamer: als juist hij tot minister zou worden benoemd, kon de machtswisseling achteraf als vadermoord worden uitgelegd. Maar van beide bezwaren trokken Rutte en zijn naaste adviseurs zich weinig aan. Ook de keuze voor de staatssecretaris was snel gemaakt: aanstormend talent Klaas Dijkhoff, die zich als Kamerlid onder andere met terrorisme en Europese Zaken had beziggehouden.

Zo kon het gebeuren dat Van der Steur kort na het aftreden van Opstelten op zijn mobiele telefoon werd gebeld door de premier zelf, die hem dringend wilde spreken. De volgende dag, tijdens een ontmoeting in de Tweede Kamer, kwam de aap uit de mouw: of Ard ervoor zou voelen de opvolger van Ivo te worden. Lang hoefde Van der Steur er niet over na te denken, zegt hij in de Members Bar in Straatsburg: ‘Het is een moeilijk ministerie, ik wist dat de kans op een goede afloop niet honderd procent zou zijn. Maar als er zoiets op je pad komt, zeg je geen nee.’

Er zoemen anekdotes rond over zijn Bourgondische levensstijl, de vlegeljaren bij het corps.

In de eerste weken van zijn ministerschap wordt Van der Steur alom geprezen. Na de oeverloze, onsamenhangende verhalen van de oude Ivo Opstelten vinden Kamerleden, ambtenaren en journalisten zijn heldere stijl van debatteren een verademing. Rond het Binnenhof zoemen anekdotes rond over de pittoreske nieuwe bewindsman: over zijn Bourgondische levensstijl, over de eeuwenoude kledingzaak van wijlen zijn vader, over het met antiek volgestouwde appartement in een kasteeltje bij Warmond waar hij woont, over de vlegeljaren van Ard bij Minerva, het Leids studentencorps, waar hij leerde debatteren.

Reputatie

Een rokerig cafézaaltje in Tilburg, eind november 1993. Ard van der Steur, vierentwintig jaar oud en gekleed in driedelig grijs, neemt plaats achter het spreekgestoelte voor een debatwedstrijd voor studenten. Tegenover zijn opponent verdedigt hij de stelling: ‘De gelijkheid tussen man en vrouw zal pas dan worden bereikt als de stang van de herenfiets is verwijderd.’ De eerste ronde, over de these ‘Met gelukkig worden wordt het leven verknoeid, met gelukkig zijn wordt het moment benut’, heeft hij glansrijk doorstaan door een verhaal op te dissen over Harry Mens, de vastgoedmakelaar uit de bollenstreek die zijn leven lang tevergeefs het geluk had nagejaagd. Nu, in de tweede ronde, begint Van der Steur pas echt op stoom te komen. Hij steekt een vurig pleidooi af voor de emancipatie, voor het blad Opzij, voor het voorkeursbeleid, en tégen de stang op de herenfiets, die alleen maar het mannelijk superioriteitsgevoel versterkt. Via een onnavolgbare beeldspraak over het bereiden van Cup-a-Soup, waarbij men ook niet eerst het poeder laat aanbranden om er vervolgens koud water bij te gieten, bereikt hij zijn slotakkoord: ‘We beginnen met de stang en eindigen gelijkwaardig!’ In het zaaltje klinkt luid applaus. Zijn reputatie als geducht debater is weer bevestigd.

Zegevierend in boxershort

Gijs Weenink, organisator van het Tilburgse debattoernooi in 1993 en tegenwoordig directeur van de DebatAcademie, is nog steeds met Ard van der Steur bevriend. Hij vroeg hem als ceremoniemeester voor zijn huwelijk, ze spreken elkaar regelmatig. ‘Ik heb in die tijd wel tien of twaalf keer tegen Ard gedebatteerd,’ zegt Weenink, ‘en íédere keer heb ik van hem verloren. Ik was altijd stikjaloers. Hij is een natuurtalent.’

Daar stond Ard, zegevierend in zijn boxershort. Vorm en inhoud vielen prachtig samen.

Dat bleek al in 1991, toen Van der Steur Nederlands Kampioen debatteren werd en meedeed aan het Europees kampioenschap. Met zijn onafscheidelijke kompaan Philippe Brood, het latere VVD-Kamerlid, blies hij in dezelfde jaren de Leidse Debating Society nieuw leven in. Legendarisch in debating-kringen is ook zijn optreden in de voorrondes van het KPMG Freestyle Juniorkamer Parliamentary Tournament in 1994, waar Van der Steur samen met Philippe Brood de stelling ‘Etiquette is overbodig’ moest verdedigen. In de slotronde lieten de beide heren spontaan hun broek zakken om hun pleidooi te illustreren, tot hilariteit van de toeschouwers én hun opponent Gijs Weenink. ‘Daar stond Ard, zegevierend in zijn boxershort,’ grijnst hij. ‘Vorm en inhoud vielen prachtig samen.’

Het retorisch talent van Van der Steur kwam verder tot wasdom toen hij zich na zijn studententijd in de advocatuur stortte. Binnen enkele jaren wist hij coördinator werving en selectie en later partner te worden bij het prestigieuze Rotterdamse kantoor Nauta Dutilh, waarna hij doceerde aan de Universiteit Leiden en met anderen een advocatenkantoor oprichtte. Ook in de gemeenteraad van Warmond en Teylingen kon hij zijn redenaarskunsten botvieren, als fractievoorzitter en lijsttrekker voor de VVD. Berucht uit die jaren is het verhaal over wethouder Henk Vergeer van de lokale partij Warmond Anders, die binnen drie maanden onder de scherpe aanvallen van de Leidse jurist bezweek en geknakt de politiek verliet.

In 2010 belandde Van der Steur tot zijn eigen verbazing in de Tweede Kamer. ‘Ik dacht dat ik op een volstrekt onverkiesbare plek stond,’ zei hij later. ‘Maar Mark Rutte haalde een monsteroverwinning.’ Op zijn eerste dag in het Kamergebouw bleek dat het fractiebestuur hem gedachteloos de oude werkkamer van Philippe Brood had toegewezen: uitgerekend de plek waar zijn vroegere strijdmakker in 2000 als Kamerlid aan een hartaanval was overleden. Als Van der Steur over het voorval vertelt, trekt er nog altijd een schaduw over zijn gezicht. ‘Ik heb toch maar een andere kamer gevraagd,’ zegt hij. ‘Dat konden ze best begrijpen.’

Bij officiële gelegenheden, zoals de inhuldiging van de koning, adviseerde hij zijn collega’s op subtiele wijze over etiquette en gepaste kledij.

Onsmakelijk en ongepast

Na het pijnlijke begin maakte Van der Steur zich snel geliefd binnen de VVD-fractie. Bij officiële gelegenheden, zoals de inhuldiging van de koning, adviseerde hij zijn collega’s op subtiele wijze over etiquette en gepaste kledij. In de Kamer dwong hij als portefeuillehouder Veiligheid en Justitie respect af met zijn kennis van zaken. In lastige politieke situaties dacht hij steeds vaker even mee met de partijleiding en minister Opstelten. En toen mocht hij nog minister worden ook.

Geen wonder dat hij in Straatsburg zo opgewekt een colaatje staat te drinken.
Maar niet lang daarna springen de eerste barsten in het glazuur. Eind april wordt de kersverse minister door zijn voorlichters geattendeerd op een uitzending van RTL Nieuws: oplettende redacteuren hebben stiekem een hoorcollege opgenomen van George Maat, lid van het forensisch team dat de vliegramp met de MH17 onderzoekt. In de uitzending is te zien hoe de patholoog-anatoom een aantal foto’s van menselijke overblijfselen uit het onderzoek aan zijn studenten laat zien. Van der Steur reageert furieus. Hij noemt het tonen van het beeldmateriaal ‘buitengewoon onsmakelijk en ongepast’, waarna de korpschef van de Nationale Politie Maat per direct uit het onderzoeksteam laat zetten, tot diens grote verontwaardiging. Zelf vindt Van der Steur zijn uitspraak hard maar terecht: in het vliegtuig zaten twee goede bekenden van hem, hij weet hoe moeilijk het voor de nabestaanden is als er gevoelige informatie over de slachtoffers wordt geopenbaard. Maar in de media krijgt de minister er wekenlang hard van langs: hij zou de wetenschapper moedwillig hebben geofferd om als beginnend bewindsman een ferme daad te stellen.

Foto: Jasper Zwartjes
Protestacties

Intussen heeft de minister zijn handen vol aan zijn eerste grote klus. Letterlijk op de dag van het aftreden van Ivo Opstelten hebben de politiebonden na jarenlange bezuinigingen acties in gang gezet voor een betere cao. Van der Steur besluit dat hij maar eens moet beginnen met een hartelijk gebaar om het ijs te breken. Hij nodigt de vakbondsbazen uit voor een etentje bij hem thuis, in het kasteeltje te Warmond. Als de gasten net zijn gearriveerd, komt de dienstauto voorrijden met een goedgemutste minister én een stapel warme pizza’s.

Het is een tamelijk ontspannen samenzijn, maar in de weken daarna blijft het overleg muurvast zitten. De protestacties worden steeds grimmiger. Pijnlijk wordt het in september, als de politie tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen de toegang tot vier ministeries blokkeert, waaronder dat van Ard van der Steur zelf. Terwijl de geprangde minister urenlang met zijn collega’s in de plenaire zaal zit, klinken de sirenes rond het Kamergebouw.

‘Dat etentje bij Van der Steur thuis was een sympathiek gebaar,’ zegt Gerrit van de Kamp, voorzitter van politiebond ACP, die ook in het kasteeltje aanschoof. ‘Maar in de weken daarna leek van der Steur te denken dat die cao snel te sluiten was. Zo werkt het niet bij zulke processen. Uiteindelijk duurde het tot december voor er een akkoord was. Ik begrijp best dat hij klem zat: de minister van Financiën wilde niet meer geld ter beschikking stellen. Maar wat meer bestuurlijke ervaring had wellicht geholpen.’

Op zijn werkkamer staat zijn “eigen leger” van leger tinnen soldaatjes, in blauw, wit en oranje.

Niemand die het weet

Behalve de onberaden uitspraak over George Maat maakt Van der Steur in zijn eerste maanden nog een uitglijder. Half juni publiceert De Telegraaf een foto van Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, die voorwaardelijk is vrijgelaten en op last van de rechter geen contact met de pers mag hebben. Van der Steur laat de Kamer weten dat op het ministerie van Justitie niet bekend was dat de foto zou worden genomen. Maar later onthult Brandpunt Reporter dat de foto door het Openbaar Ministerie in scène is gezet en dat het departement wel degelijk op de hoogte was.

In het Kamerdebat over de kwestie in oktober loopt de oppositie tegen hem te hoop: hoe is het mogelijk dat de ambtenaren op Justitie zo langs elkaar heen werken? Heeft de minister wel greep op zijn ministerie? Van de oppositie krijgt hij een gele kaart. Na een paar uur spitsroeden lopen geeft Van der Steur toe dat er fouten zijn gemaakt. ‘Ik heb goed geluisterd naar uw Kamer,’ verklaart hij, ‘en stel vast dat er een zware taak op mij en al mijn medewerkers ligt om het vertrouwen in mijn departement te herstellen.’

Op de werkkamer van Van der Steur op de achtste verdieping van het ministerie staat een leger tinnen soldaatjes, in blauw, wit en oranje. ‘Gekregen van mijn vroegere leermeester in de advocatuur toen ik hier aantrad,’ zegt de bewindsman. ‘Met de boodschap: als minister kun je wel een eigen leger gebruiken. Zo is het!’

Van der Steur heeft een half uurtje laten vrijmaken in zijn propvolle agenda om even bij te praten. De eerste tien minuten gaan op aan het tonen van alle parafernalia die hij inmiddels als minister heeft gekregen: een helm van de Brandweer Amsterdam-Amstelland, een dolk van de Marokkaanse minister van Justitie, een zilveren dadelboom van de minister-president van Tunesië. In de hoek van de kamer staat de zware, eikenhouten pers waarmee al eeuwen lakzegels voor oorkondes worden gemaakt. ‘Als minister ben ik namelijk ook Grootzegelbewaarder,’ zegt hij. ‘Helaas is er niemand die het weet.’

Als minister ben ik namelijk ook Grootzegelbewaarder. Helaas is er niemand die het weet.

De erfenis van Opstelten

Wat óók bijna niemand weet, is hoeveel andere taken de minister van Veiligheid en Justitie op zijn schouders heeft: hij is niet alleen verantwoordelijk voor de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en de nationale politie, maar ook voor terrorismebestrijding, crisisbeheersing, rampenbestrijding, internationale justitiële samenwerking, slachtofferhulp, rechtsbijstand, mensenhandel, kinderbescherming, het Europees overleg in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken en nog tientallen andere domeinen. Zijn secretaresse plant de agenda van ’s ochtends half negen tot laat in de avond helemaal vol, per kwartier. Dan gaan er nog twee loodgieterstassen met stukken mee naar huis. Naast de talloze ambtelijke vergaderingen, reguliere Kamerdebatten en werkbezoeken wordt de minister vrijwel elke week onverwacht naar de Kamer geroepen en gaat de hele agenda weer overhoop. Ook zonder uitglijders en incidenten vergt het al een bijna bovenmenselijke inspanning.

‘Daarom ben ik toch maar gaan sporten,’ grinnikt hij. ‘Elke dinsdag- en vrijdagmorgen in de fitnessruimte van het ministerie van Economische Zaken, met een groot deel van het kabinet. Dan ga ik drie kilometer roeien op zo’n toestel.’

Het werk van de minister staat extra onder spanning omdat de verhoudingen in de ambtelijke top al jaren zijn verstoord: de erfenis van Ivo Opstelten, de crimefighter die weinig oog had voor rechtstatelijke zorgvuldigheid. Onder Opstelten is bovendien de verantwoordelijkheid voor de politie aan het ministerie toegevoegd. Sindsdien kraakt het departement in zijn voegen. Rond het Binnenhof klinkt steeds luider de roep om de nieuw gevormde Nationale Politie weer onder te brengen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken: dat zou de verhoudingen danig kunnen herstellen. Zelfs de VVD vindt binnenskamers dat dat bij de volgende formatie geregeld moet worden. Maar tot die tijd moet de nieuwe minister het zien uit te zingen. Om aan de top van het departement ‘de neuzen dezelfde kant op te krijgen’ stelt van der Steur in zijn eerste weken een dagelijkse ochtendvergadering in met zijn secretaris-generaal, hoofd voorlichting en directeuren-generaal. Samen bespreken ze dan actuele kwesties. En hij zet met Siebe Riedstra, zijn nieuwe secretaris-generaal, een ‘veranderprogramma’ in gang om de cultuur op het departement te verbeteren.

Soms weet de ambtenaar in kwestie niet eens wie hij is: een minister die pardoes binnen komt stappen, dat hebben ze op Justitie nog nooit meegemaakt.

Weer een feest

Af en toe is de minister kwijt. Dan dwaalt hij ergens door het ministerie, klopt hij op een willekeurige deur en vraagt hij: ‘Wat ben jij zoal aan het doen?’ Soms weet de ambtenaar in kwestie niet eens wie hij is: een minister die pardoes binnen komt stappen, dat hebben ze op Justitie nog nooit meegemaakt. Van der Steur zelf vind het prachtig. ‘Zo leer ik het departement kennen. En bovendien: het draait uiteindelijk om mensen.’ Dat besef heeft hij meegekregen van zijn ouders, die beiden hun leven lang met vrijwilligerswerk in de weer waren. ‘Je moet met iedereen kunnen praten. Daar wordt je werk ook veel leuker van.’ Als de bode binnenkomt met een kopje koffie voor de verslaggever en een colaatje voor de minister voegt hij meteen de daad bij het woord: ‘Dank je Willy, dit is weer een feest!’ Met een glimlach verlaat de bode de kamer.

Maar in de buitenwereld leveren alle persoonlijke investeringen in het departement vooralsnog weinig zichtbaar resultaat op. In de maanden die volgen, tuimelt het ene na het andere lijk uit de kast. Begin december presenteert de door Van der Steur zelf ingestelde Commissie-Oosting haar rapport over de Teevendeal en de nasleep daarvan. Het is een hard oordeel: de deal zelf deugde niet, de Kamer is steeds op het verkeerde been gezet doordat informatie op het ministerie onjuist en onvolledig werd overgedragen. Bovendien blijkt dat Ard van der Steur en staatssecretaris Klaas Dijkhoff als Kamerleden suggesties hebben geleverd voor een persbericht dat Opstelten naar de Kamer stuurde met informatie die later niet bleek te kloppen. Van der Steur zegt dat hij er ‘ontzettend veel spijt van heeft dat die discussie hier plaatsvindt’, en dat hij zelf ‘eerder de grens had moeten trekken’. Met Rutte en Dijkhoff overleeft hij een door bijna alle oppositiepartijen gesteunde motie van afkeuring.

In januari 2016 gaat de volgende tijdbom af, als Van der Steur alsnog gedwongen wordt excuses aan te bieden aan George Maat. In een politierapport is al maanden eerder vastgesteld dat er met Maat geen formele afspraken over presentaties en het tonen van beeldmateriaal zijn gemaakt, maar in de versie die in oktober naar de Kamer is gestuurd, zijn belangrijke passages zwart gelakt. Pas als George Maat zelf het rapport heeft overgeschreven en geopenbaard, is Van der Steur tot excuses bereid. De oppositie in de Tweede Kamer spreekt er schande van. Na een moeizaam debat krijgt Van der Steur van de SP zijn eerste motie van wantrouwen, gesteund door de PVV en de Partij voor de Dieren. Weer gaat de bewindsman door het stof.

Kantje boord

Maar voor de minister van tijdbommen moet het dieptepunt nog komen: het debat over de aanslagplegers in Brussel, begin april. De Tweede Kamer wil van de minister weten waarom de opsporingsdiensten geen actie hebben ondernomen toen een van de daders van de aanslagen, Ibrahim El Bakraoui, in juli vorig jaar door Turkije naar Nederland werd uitgezet en ongehinderd kon doorlopen op Schiphol. In de beantwoording van Kamervragen heeft Van der Steur gemeld dat de FBI een week voor de aanslagen al waarschuwde voor El Bakraoui en zijn terroristische connecties. Een dag erna bleek dat niet de FBI maar de New Yorkse politie te zijn. De oppositie ruikt bloed: hoe is het mogelijk dat de VVD-minister op zulke cruciale momenten zo slecht wordt geïnformeerd? Waar is zijn gezag op het ministerie? Maar in de Kamerzaal houdt Van der Steur urenlang vol dat er geen fouten zijn gemaakt – tot groeiende frustratie van de oppositieleiders. Alexander Pechtold van D66 vraagt zich luidkeels af of de minister wel doordrongen is van de ernst van de situatie, Jesse Klaver van GroenLinks verwijt hem dat hij zich ‘verschuilt achter protocollen’, volgens Emile Roemer van de SP is Van der Steur deel van het probleem, niet van de oplossing. En Geert Wilders van de PVV noemt het ‘stuitend’ dat de minister ‘geen greintje zelfreflectie’ laat zien.

Er hangt een motie van wantrouwen in de lucht. De coalitiepartijen zullen Van der Steur niet snel laten vallen, na het sneuvelen van de twee vorige bewindslieden op Veiligheid en Justitie. Maar als de hele oppositie de motie van wantrouwen steunt, inclusief de ChristenUnie en de gezagsgetrouwe SGP, is de ongeschreven regel dat Van der Steur de eer aan zichzelf moet houden. Zo ging het ook met zijn partijgenoot Frans Weekers, de onfortuinlijke staatssecretaris van Financiën die in 2014 het veld moest ruimen.

Maar Van der Steur wil van geen wijken weten. Een dag eerder, bij de voorbereiding in zijn werkkamer op het ministerie, hebben zijn adviseurs hem ingeprent dat alle betrokken diensten zich aan de wettelijke regels hebben gehouden: formeel zijn er geen fouten gemaakt. Probleem is alleen dat Van der Steur moet vechten met de handen op de rug, want over de contacten tussen de veiligheidsdiensten mag hij in het openbaar niks zeggen. En daar staat hij nu achter het spreekgestoelte, nerveus en verkrampt, zichzelf keer op keer te herhalen. Van Van der Steurs redenaarstalent is deze donderdagmiddag weinig te bespeuren. Naast hem in ‘Vak K’ zit Mark Rutte zich te verbijten.

Ook Stephan Schrover, baas van de RVD, woordvoerder van de premier en ervaren spindoctor, voelt achter in de zaal aan dat het mis kan gaan. Van der Steur móét een gebaar maken. Dat gebeurt pas als Schrover een briefje laat brengen aan Rutte, die zijn collega-minister meteen op gedempte toon toespreekt. Kort daarna verklaart Van der Steur afgemeten: ‘Ik ben zelf bereid om te leren van deze casus en zal laten zien dat mijn aanpak zichtbaar zal veranderen.’

Tijdens de schorsing gaan de oppositieleiders in conclaaf op de kamer van CDA-leider Sybrand Buma. Intussen drinkt Van der Steur een colaatje met zijn verloofde Ninette ten Bosch, restaurateur van antieke meubelen, bij de koffiecorner in de hal van de Tweede Kamer. Het ziet eruit als een demonstratief vertoon van nonchalance: deze minister maakt zich geen zorgen. Maar zo is het allerminst bedoeld, zegt hij achteraf. ‘Ik kan je verzekeren dat ik het debat niet als ontspannen heb ervaren. Maar als iemand helemaal naar de Kamer komt om je te steunen, is een drankje aanbieden het minste wat je kan doen.’

Even later komt het bevrijdende nieuws: CDA, SGP en CU geven hem vooralsnog het voordeel van de twijfel, de motie van wantrouwen van de PVV wordt alleen gesteund door de SP, GroenLinks en een handjevol kleine partijen. De minister verlaat opgelucht de Kamerzaal. ‘Het was kantje boord,’ zeggen zijn medewerkers. Die avond duurt het even voor Van der Steur, thuis in zijn appartement in kasteel Huys te Warmont, de slaap kan vatten.

Als iemand helemaal naar de Kamer komt om je te steunen, is een drankje aanbieden het minste wat je kan doen.

Studentikoos bluffen

Inmiddels wordt ook in de VVD-top getwijfeld aan Van der Steurs geschiktheid. ‘Dat het bij dat debat bijna mis ging, lag aan zijn eigen gemakzucht,’ zegt een invloedrijke VVD’er. ‘Hij had zich slecht voorbereid, hij dacht dat hij zich er wel studentikoos doorheen kon bluffen. Maar zo werkt het niet in de Kamer, zeker niet als je als minister de fractievoorzitters tegenover je krijgt.’

Zorgelijk is ook dat de Teevendeal nog steeds als het zwaard van Damocles boven Van der Steurs hoofd hangt. In januari 2016 onthulde Nieuwsuur dat er onder Ivo Opstelten een ambtelijke opdracht zou zijn gegeven om het bonnetje niet te vinden, waarna Van der Steur zich gedwongen zag het onderzoek van de Commissie-Oosting te heropenen. Eind mei komt de voormalige Ombudsman met zijn rapport: van een doofpot is geen sprake, stelt de commissie, maar wel van een ‘evident gebrek aan regie’, ‘verkokering’ en ‘ontbreken van politieke sensitiviteit’ in de top van het ministerie.

Voorafgaande aan het Kamerdebat over ‘Oosting II’ besluit Van der Steur tot schrik van zijn eigen medewerkers het concept van de omstreden Kamerbrief van Opstelten waaraan hijzelf als Kamerlid heeft bijgedragen naar het parlement te sturen. Er blijken niet minder dan achttien kanttekeningen in te staan. Koren op de molen van de oppositie, die het in december al een schande vond dat Van der Steur zo bereidwillig zijn bewindsman had bijgestaan. Maar in het debat op 8 juni weet de minister eindelijk de goede toon te vinden: deemoedig en vastbesloten tegelijk. Uitvoerig betoogt hij dat hij dagelijks bezig is met zijn ‘veranderprogramma’ dat de gewenste cultuurverandering op het ministerie tot stand moet brengen. De Kamer neemt er genoegen mee.

Na afloop rent Van der Steur meteen de deur uit: op Schiphol staat het regeringstoestel te wachten om hem naar Luxemburg te brengen voor de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, die hij zelf moet voorzitten. Opgelucht drinkt hij die avond nog een glaasje op de residentie van de Nederlandse ambassadeur in de Rue des Muguets, waar hij logeert.

Conversatielessen

De volgende dag slaagt Van der Steur erin zijn Europese collega-ministers op één lijn te krijgen over aanscherping van de Wapenrichtlijn, onderdeel van de gezamenlijke poging het terrorisme te bestrijden. Aan het eind van de vergadering geeft hij het woord aan de ministers van Malta en Slowakije, die na Nederland het voorzitterschap vervullen. Zo moeten ze zich wel publiekelijk committeren. Juist Slowakije heeft een grote wapenindustrie, en heeft zich lang tegen aanscherping van de richtlijn verzet. Pikant detail: een deel van de wapens van de terroristen in Parijs waren van Slowaakse herkomst. Maar nu, aan de vergadertafel in Luxemburg, gaat ook Slowakije door de bocht.

Van der Steur heeft er lang aan gewerkt om van zijn Europese taken een succes te maken. Afgelopen jaar nam hij speciaal Franse en Duitse conversatielessen, in de zomervakantie ging hij in Parijs lunchen bij zijn Franse evenknie Bernard Cazeneuve. En hij nodigde de Slowaakse en Maltese minister uit om bij hem thuis in Warmond te komen eten. ‘Dat zijn kleine dingen,’ zegt topambtenaar Wijnand Stevens, programmacoördinator voor het Europees Voorzitterschap op het ministerie van Veiligheid en Justitie. ‘Maar persoonlijke verhoudingen zijn in Europa nog belangrijker dan in Nederland. Van der Steur voelt dat goed aan.’

Eindelijk, een jaar na het begin van zijn ministerschap, begint het Ard van der Steur een beetje mee te zitten, al valt het in Nederland weinig mensen op.

Willem van Oranje

Tijdens zijn laatste grote debat voor het zomerreces op 15 juni, over de investeringen in de ‘veiligheidsketen’, weet hij waarachtig iets van zijn oude bravoure terug te vinden. Van der Steur moet een lastige positie verdedigen, want de gehele oppositie wil 200 miljoen extra in veiligheid investeren, terwijl minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem heeft gezegd dat hij ‘een beetje klaar is’ met het gebedel om meer geld. Zelfs de bedachtzame Cees van der Staaij van de SGP zet Van der Steur onder druk: is hij het eens met de woorden van Dijsselbloem? Het kabinet spreekt toch met één mond?

Als de SGP-leider laat op de avond het pleidooi van de oppositie vergelijkt met het smeekschrift van de edelen aan de Hertogin van Parma in 1566, de opmaat tot de Nederlandse onafhankelijkheid, veert Van der Steur meteen op en zegt: ‘Gelukkig was er toen één man in staat om financiële ruimte te bieden om de strijd tegen de overheerser aan te gaan. Dat was Willem van Oranje.’ En wie kan die rol nu spelen? ‘De minister van Financiën!’ Gelach in de zaal. Deze keer komt er geen motie van wantrouwen, en van afkeuring evenmin. Na afloop, laat op de avond, maakt de minister nog even een praatje met journalisten. ‘Dames en heren, ik ga maar eens naar huis,’ zegt hij. ‘Mag ik u danken voor uw warme belangstelling!’

Een paar dagen later op zijn werkkamer vertelt Van der Steur dat hij laatst bij een voordracht over de geschiedenis van het ministerie van Justitie in het Paleis aan de Kneuterdijk door een oudere dame werd aangesproken: dat ze hem zo’n aardige man vond en dat hij zo’n mooi verhaal had gehouden. ‘Dat maak ik niet vaak mee,’ zegt hij grinnikend. ‘Als ik als minister vier jaar de tijd had gehad, had ik erop kunnen hopen dat er aan het einde meer mensen zouden zeggen: zo slecht heeft hij het niet gedaan.’ Even is het stil. ‘Het afgelopen jaar heb ik wel eens gedacht: waar ben ik aan begonnen? Maar ik vind nog steeds: dit is mooi om mee te maken.’