Muziekjournalist David Kleijwegt herinnert zich David Bowie, een ijkpunt, waartegen veel, zo niet alles kon worden afgemeten.
Het is maandagochtend vroeg en op de Twitteraccount van Duncan Jones staat een bericht dat de aandacht trekt. ‘Very sorry and sad to say it’s true,’ meldt de getalenteerde filmregisseur van onder meer Moon. Het spijt me zeer maar het is waar. ‘I’ll be offline for a while. Love to all.’ Daaronder staat een foto van een vader die een baby op zijn schouders heeft.
https://twitter.com/ManMadeMoon/status/686441083648212992?lang=nl
Alles wordt anders als je weet dat Duncan Jones vroeger door het leven ging als Zowie Bowie. Een halfuur later hoor ik dat zijn vader is overleden. Ik probeer me een leven zonder David Bowie voor te stellen. Het lukt me niet. Dat hij de soundtrack van mijn leven heeft bepaald is een cliché, en het is niet eens helemaal waar: daarvoor is ook andere muziek te belangrijk voor me. Maar als fenomeen torende hij hoog boven andere muzikanten uit. Hij was een baken. Een ijkpunt, waartegen veel, zo niet alles kon worden afgemeten.
Sinds kort weet ik van een website die de prangende vraag stelt: wat deed Bowie toen hij jouw leeftijd had? Wat je ook invult, de antwoorden zijn altijd jaloersmakend. Toen hij zo oud was als ik nu, geboren in 1965, gaf hij de zogeheten Bowie Bonds uit, aandelen gebaseerd op zijn muziek van vóór 1990. Daar verdiende hij destijds 55 miljoen dollar mee. In 2007 kreeg hij de rechten op zijn werk weer terug.
Ik kijk nogmaals naar de foto die Duncan Jones heeft gepost, nu met de wetenschap van de dood van David Bowie. Hij was een briljant muzikant, een ondergewaardeerd acteur, een gehaaid zakenman, maar daarnaast óók nog zo iets aards als… vader. Weer een halfuur later geeft een huilende Ivo van Hove, die recent met Bowie werkte aan het toneelstuk Lazarus, op de radio commentaar op zijn overlijden. Hij wist dat hij ongeneeslijk ziek was, kanker, maar het nieuws raakt hem desondanks hoorbaar hard. Tussen zijn tranen door prijst Van Hove hem als kunstenaar en family man.
Simplificaties over David Bowie laten we graag aan anderen. De man met de vele gezichten, de kameleon van de pop: het zijn typeringen die hem al lang geleden de keel uit kwamen. ‘Bowie en zijn ch-ch-ch-ch-anges,’ zei hij me ooit, met minachting in zijn stem. ‘Weten die mensen wel wat een kameleon doet? Het stoort me, het is luie journalistiek.’ Aldus de man die als tiener De Gedaanteverwisseling van Kafka las en jaren later liet weten dat het de eerste keer was geweest dat hij zich ongemakkelijk had gevoeld. Want dat hij zichzelf steeds opnieuw uitvond, was wel wezenlijk voor zijn kunstenaarschap. ‘Je kunt alles zijn wat je wilt’, vertelde hij me tijdens diezelfde ontmoeting. ‘Ieder mens heeft een enorm scala aan mogelijkheden.’
Net als iedereen had ook ik hem leren kennen als Ziggy Stardust, Aladdin Sane, de Thin White Duke, de gladde charmeur van Young Americans, de muzikale vernieuwer en superieur afstandelijke chroniqueur uit zijn Berlijnse jaren en de gevierde popster van ‘Let’s Dance’. Maar op het moment dat ik hem voor het eerst ontmoette, eind jaren tachtig, ten tijde van de gelegenheidsformatie Tin Machine, was hij allang gewoon David Bowie. Hoewel gewoon? Ook dat was natuurlijk een pseudoniem.
Hij had zich neergelegd bij het feit dat de artistieke waardering voor zijn muziek omgekeerd evenredig was met het plezier dat hij had. Halverwege de jaren negentig, toen de muziek van Bowie de hitparade en de avant-garde koud liet, vertelde hij me dat hij ‘ongezond, uitzinnig, extatisch gelukkig’ was. ‘Ik meen het! Deze laatste zes jaar in mijn leven zijn absoluut fenomenaal geweest. Zo rijk op elk gebied. Gaat het om kwaliteit van het leven of materiële waarde? Ik kom er telkens weer achter dat alleen het eerste er werkelijk toe doet. Er is niets in deze fysieke wereld dat het waard is om aan vast klampen. Als ik toch ergens in moet geloven, dan is het daarin.’
Op 8 januari van dit jaar, Bowie’s 69ste verjaardag, verscheen het imponerende Blackstar, zijn zwanenzang. En zo was het ook bedoeld, laat producer Tony Visconti weten via zijn Facebook-pagina. ‘Hij deed altijd wat hij wilde doen. En hij wilde het op zijn manier doen en op de beste manier. Zijn dood was niet anders dan zijn leven – een kunstwerk. Hij maakte Blackstar voor ons, als vaarwelgeschenk.’
In de zeven lange, vaak experimentele nummers zitten vele verwijzingen naar de dood verstopt, die nu pas goed opvallen. Look up here, I’m in heaven zijn de eerste woorden van ‘Lazarus’. In het bijna tien minuten durende titelnummer klinkt het klaaglijk maar ook berustend:
Something happened on the day he died
Spirit rose a metre and stepped aside
Somebody else took his place, and bravely cried
(I’m a blackstar, I’m a blackstar)
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.