Honderd jaar geleden in 1916 werd in Zürich het cabaret Voltaire opgericht door Hugo Ball. Daar ontstond het dadaïsme als antwoord op de absurditeit van de Eerste Wereldoorlog.

De Eerste Wereldoorlog was zo’n absurde aanslag op elke redelijkheid dat het absurdisme van het dadaïsme ontstond. Idiotie beantwoord met idiotie. Wanneer de politiek het zo bont maakte, dan moest daar met gelijke munt op gereageerd worden: met woorden die niets meer betekenden, met zinnen die nergens op sloegen, met louter klanken, geen woorden. Het geluid van de kanonnen moest overstemd worden door roffels op een grote trom.

‘Wat nu is losgebarsten, is de hele machinerie en de duivel zelf,’ schreef Hugo Ball, de oprichter van het Cabaret Voltaire in Zürich in februari 1916. Binnen een maand maakte zich van Tristan Tzara, Hans Arp, Richard Huelsenbeck en vele andere ‘een ondefinieerbare roes’ meester. Cabaret Voltaire werd de uitlaatklep van hun gestileerde ongenoegen. ‘Ons cabaret is een gebaar. Elk woord zegt: deze vernederende tijd is er niet in geslaagd ons respect af te dwingen.’ Het dadaïsme stond haaks op de wereld die de oorlog had laten ontstaan: het nationalisme, militarisme, kapitalisme, de hypocrisie, het vrome moralisme en ‘de beschimmelde schijncultuur’ van het burgerdom. Dada breidde zich van af 1916 gestaag uit van Zwitserland naar Amerika, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Theo van Doesburg, die in 1923 het initiatief nam tot de Hollandse ‘veldtocht’ van dadaïsme, schreef in zijn brochure Wat is dada?: ‘Dada is de schrik van den clubfauteuil-bourgeoisie, van den kunstcritikus, van den artist, van den konijnenfokker, van den hottentot, – van wien al niet.’

Toen het dadaïsme zich in Nederland ontwikkelde was het voor Hugo Ball (1886-1927) al verleden tijd, al bleef hij zich verwant voelen met de kinderlijke eenvoud en het appèl op het irrationele dat Dada deed. Dat blijkt uit zijn nu vertaalde boek met aantekeningen, dagboeken, citaten en filosofische gedachten De vlucht uit de tijd. Het boek verscheen in 1927, het jaar van zijn dood. Dat iemand als Ball het dadaïsme initieerde is fascinerend omdat hij juist iemand was die betekenis zocht in het leven door zich intensief te verdiepen in Augustinus, Pascal, Erasmus, Luther, Nietzsche en Dostojewski. Na een maand Cabaret Voltaire maakte Ball zich met zijn vrouw Emmy Hennings uit te voeten. Hij kwam wel weer terug, maar vond dat je van ‘een gril’ geen kunststroming moest maken. Daar hielden de meeste ‘filialen’ van Dada zich aan. Ook Van Doesburgh benadrukt dat Dada ‘geen kunstbeweging’ is, en dat Dada geen antwoord geeft op welke vraag dan ook: ‘De werkelijke dadaist neemt voor niets stelling, noch voor kunst, noch voor politiek, noch voor philosophie of godsdienst.’

Ball had duidelijk religieuze neigingen en bekeerde zich uiteindelijk tot het katholicisme. Wat hij met de Eerste Wereldoorlog te gronde zag gaan was ‘het individualistisch-egoïstische Renaissance-ideaal.’ Dat stond ver af van het gemeenschapsdenken en de ‘sociale civitas dei’ van het katholicisme waar hij naar uitzag. Het dadaïsme verwierp elke logica, maar voor Ball was het geloof juist ‘een ordenende macht van de eerste rang.’ In juni 1919 somt hij op een argeloze manier op ‘waarin ik allemaal in geloof’: ‘in een heilige christelijke revolutie en een unio mystica van de bevrijde wereld; in een nieuwe verbintenis van Duitsland met de oude spiritualiteit van Europa; in een rebellie niet tegen de natuurlijke grondslagen van de maatschappij, maar voor deze grondslagen van de maatschappij en van het geweten; in een sociale civitas dei; in een hereniging van de bereidwillige oosterse Kerk met de westerse Kerk; en niet in de laatste plaats in een Duitsland dat de zin van deze oorlog zal vervullen: zich ondergeschikt maken aan een gemeenschap waartegen het aanvankelijk als natie rebelleerde.’

Zulke verstrekkende ontboezemingen, en zijn neiging tot mystiek, leiden in het boek overigens niet tot brak gezemel. Ball behoudt een aangename filosofische distantie.

In de tijd dat hij dit schreef voltooide Ball 1918 de roman Flametti, oder Dandyismus der Armen en werkte hij aan fantastische dadaïstische prozateksten die uiteindelijk pas in 1967, vertaald door Jan H. Mysjkin, uitgegeven zouden worden onder de titel Tenderenda de Fantast. Het is mooie onzin, een aaneenschakeling van ongerijmdheden, opgeschreven alsof ze alle zin van de wereld bevatten. Dit is een alinea uit het hoofdstuk ‘Grand Hotel Metafysica’ waarin ‘Melke-Melke, de kwintessens van het fantastische’ hoog op een dakterras de jongeheer Foetus moet baren: ‘Melke-Melkes ogen vatten vlam. Haar lichaam werd gevuld met graan, wierook en mirre, waardoor de beddendekens de hoogte in welfden. De vracht van haar lichaam nam toe met allerlei zaden en vruchten, zodat de windsels die het omhulden krakend knapten.’ In dat hoofdstuk is iemand ‘van top tot teen uit houterige leugens gedraaid’ en ‘heeft iemand de stemvork van de ondeugd in zijn opgeheven hand’. Een ‘Mode-idool’ ‘verdraait met zeshonderd autonoom scharnierende armen de feiten en de geschiedenis.’ Het vermakelijke zit hem in de suggestie van zinnigheid die ervan uitgaat: in grammaticaal kloppende zinnen onzin verkopen.

Ball had de neiging zich te willen onttrekken aan de tijd. Hij pendelde tussen de wereld en de kloostercel. Het ‘bovenzinnelijke’ verloor te veel terrein aan ‘het hier en nu,’ vond hij. Door de ‘esthetiek’ van Cabaret Voltaire achter zich te laten en zich niet meer dagelijks met politiek bezig te houden, wilde hij zich op zijn ‘individuele basis’ terugtrekken en ‘leven voor mijn eigen integriteit.’ Hij schreef in 1919 desondanks zijn boek tegen het burgerlijke rationalisme Zur Kritik der deutschen Intelligenz, door een vriend van Ball met een karakteristieke tegenspraak ‘een vroom boek’, genoemd, ‘in een mooie goddeloze stijl.’ Dat geldt ook voor De vlucht uit de tijd.

De vlucht uit de tijd door Hugo Ball is vertaald door Hans Driessen en uitgegeven door Vantilt.