Chris de Stoop zocht dertig jaar jaar naar verhalen, om ten slotte zijn mooiste en meest tragische onderwerp heel dicht bij huis te vinden, precies op de plaats die hij ooit was ontvlucht. Nu is hij ‘de boer die het licht moet uitdoen’ in de boerderij van zijn ouders. 

‘Zoals een arbeider naar de fabriek ga ik ’s ochtends naar de boerderij. Elke dag weer, tenzij ik weg moet voor andere verplichtingen. En ’s avonds ben ik terug thuis.’ Vandaag zijn ze er, die andere verplichtingen, en dus zijn we niet op de zo’n 250 jaar oude boerderij in Sint-Gillis-Waas. Daar is boerenzoon Chris de Stoop opgegroeid en daar schreef hij aan Dit is mijn hof, zijn verslag van de ondergang van de boerenstand aan de Belgische kant van Zeeuws-Vlaanderen. ‘Ik ontvang er liever niet te veel bezoek, omdat het toch de plek blijft waar mijn broer gestorven is.’

We zijn dus in Wommelgem, nog dichter bij Antwerpen, waar het woonhuis is van De Stoop – de journalist die zich ex-reporter noemt. Tot zijn verrassing wordt zijn boek over de strijd tussen de boeren die al eeuwenlang het land bebouwen en verzorgen en de natuurbeweging die in een kongsi met de Antwerpse haven de polders in moerassen wil veranderen, ook buiten België veel gelezen. De Duitse vertaling Das ist mein Hof. Geschichte einer Rückkehr is net verschenen en de Chinese versie zit eraan te komen. De ene nominatie volgde op de andere, waarbij het even terecht als ironisch is dat dit boek, dat de Vlaamse natuurbeweging op de korrel neemt, is genomineerd als ‘beste natuurboek’ door de jury van de Jan Wolkersprijs die op 16 oktober wordt uitgereikt.

Geen enkel boek

Chris de Stoop, van vaders- en van moederskant nazaat van vele generaties boeren, wist al jong dat hij zijn vader niet kon maar vooral ook niet wilde opvolgen. Dat elke dag weer opnieuw melken, dat eeuwige zaaien en het daar onvermijdelijk op volgende oogsten, dat moest zijn een paar jaar oudere broer maar doen, met wie hij samen opgroeide en met wie hij tot zijn twintigste een bedstee deelde. Zelf wilde hij als boerenjongen die goed kon leren liever verre reizen maken en daarover schrijven. Van huis uit had hij dat niet meegekregen: hij was nooit met vakantie geweest en op de boerderij stond geen enkel boek.

In de literatuur werd hij vooral gestimuleerd door leraar klassieke talen Anton van Wilderode, die ook dichter en vertaler was. ‘Hij droeg aan mij en aan mijn klasgenoot Tom Lanoye zijn liefde voor literatuur over, maar hij was ook erg geëngageerd. Dat viel bij mij in vruchtbare aarde, want ik had al een heel sterk engagement meegekregen van mijn moeder, die geen onrecht kon verdragen. Die maatschappelijke betrokkenheid hebben Tom Lanoye en ik allebei gehouden, Tom vanuit de fictie, ik in non-fictie.’ Het waren de jaren dat jongeren nog de droom hadden om schrijver te worden, zegt De Stoop. ‘Nu is dat denk ik niet meer het geval, de jonge generatie is de bewondering voor schrijvers grotendeels kwijt. Maar wij stortten ons op ons vijftiende, zestiende jaar op de literatuur en we hadden al snel de hele bibliotheek leeg gelezen. We schreven verhalen in de stijl van Godfried Bomans en andere auteurs die we bewonderden en we richtten een tijdschrift op, De Vijfhoek, dat we aan medescholieren probeerden te slijten.’

De ondergang van zijn broer

Waar slagerszoon Tom Lanoye zich na de universiteit meteen ontpopte als dichter en wat later als schrijver van verhalen, romans en toneelstukken – ‘Tom koos radicaal voor de literatuur, daar was ik wel jaloers op’ – bood de journalistiek De Stoop na zijn studie Germaanse filologie in Leuven een andere mogelijkheid om zijn passies reizen en schrijven te combineren. ‘Tot op de dag van vandaag vind ik het moeilijk om voor mijn plezier te reizen. Ik kan alleen vertrekken met een concreet verhaal voor ogen dat ik relevant vind en dat ik wil vertellen.’

Dat deed hij zo’n dertig jaar, om ten slotte zijn mooiste en meest tragische onderwerp heel dicht bij huis te vinden, precies op de plaats die hij ooit was ontvlucht. Dit is mijn hof, het boek dat hij schreef over de familieboerderij en over de toekomst en het verleden van het polderlandschap, is behalve een prachtige evocatie van het leven op het land en de liefde voor het boerenbedrijf ook een felle kritiek op de natuurbeschermers. ‘Een oude middeleeuwse dijk die al op middeleeuwse kaarten staat slopen om een polder onder te laten lopen, dat is alsof je de zuilen van Palmyra opblaast of boeken verbrandt.’ Maar bovenal beschrijft het boek de ondergang van zijn broer, die het leven op de oude familieboerderij ten slotte niet meer kon bolwerken.

Foto: Lenny Oosterwijk
Verlof zonder wedde

‘Precies zo zette ik mijn eerste verhaal op toen ik als 23-jarige aankwam bij het weekblad Knack,’ zegt De Stoop. ‘Eerst een ellenlange inleiding en daarna pas het interview waar het allemaal om begonnen was. Ik zal dat nu niet doen met uw verhaal, maar hoofdredacteur Frans Verleyen haalde vervolgens een dikke streep door die hele introductie. Zo heb ik bij Knack alles geleerd, ik kon er zoals wij dat zeggen in een zetel beginnen, als piepjonge redacteur aan het handje van een ervaren rot. Ik heb veel kansen gekregen, veel tijd, veel ruimte. Precies de zaken waar nu zo’n gebrek aan is in de journalistiek.’

Ik werkte altijd buiten, op straat, op de akker van de maatschappij, waar je de mooiste verhalen kunt oogsten.

Zijn nieuwste boek Ex-reporter laat een staalkaart zien van dertig reportages, vaak uit ramp- en oorlogsgebieden in Afrika en Azië, maar ook uit de Brusselse wijk Molenbeek of over vrouwenhandel in Rotterdam. ‘Maar ik werkte altijd buiten, op straat, op de akker van de maatschappij, waar je de mooiste verhalen kunt oogsten,’ schrijft hij in zijn inleiding. ‘Pen en papier, meer had ik niet nodig. In mijn eentje, als buitenbeentje.’
Het werd al snel een vaste gewoonte om regelmatig een periode onbetaald vrij te nemen van het weekblad – ‘verlof zonder wedde, noemen wij dat’ – om te werken aan een boek, zegt voormalig Knack-hoofredacteur Rik Van Cauwelaert. ‘Chris is introvert en een beetje een eenzaat, maar een man met een ongelooflijk talent. Als hij in de Verenigde Staten zou werken, zou hij in de The New Yorker publiceren en won hij de ene Pulitzer Prize na de andere. Dus ik liet hem altijd gaan, dat was zowel voor het blad als voor hemzelf het beste. Hij vertrok dan voor een jaar of langer, wij hadden op de redactie geen idee waarnaartoe, daar was hij heel geheimzinnig over. Ten slotte kwam hij terug met verhalen uit Irak of god weet waar en dat werd uiteindelijk steeds weer een prachtig boek.’

Uw oude hoofdredacteur Van Cauwelaert noemt ‘Ex-reporter’ een hoogsteigen ‘goodbye to all that’.
‘Mijn afscheid had een lange aanloop. We hebben woelige jaren achter de rug bij ons weekblad, met minstens vier verschillende hoofdredacteuren en ik had al langer moeite met het toenemende cynisme en met de oppervlakkigheid. Dat alles culmineerde in een symbolisch moment dat ik in mijn boek beschrijf. Toen ik op de redactie terugkeerde na weer een jaar onbetaald vrij kreeg ik kreeg ik te maken met een nieuwe hoofdredacteur, die vrij harde kritiek leverde op mijn functioneren. Hij had, vertelde hij, geen enkele behoefte aan buitenbeentjes op zijn redactie en hij verwachtte van mij dat ik voortaan meer een teamspeler zou zijn. Maar Knack had in mijn ogen juist altijd zoveel succes geoogst doordat de redactie bestond uit een verzameling bijeengeraapte individualisten. Dat beviel me, ik ben echt een reporter die onderweg moet zijn, op kantoor kan ik niet gedijen en zeker niet in een hiërarchie. Dat is dan toch het onafhankelijkheidsstreven van de boer dat in mijn bloed zit. Tot voor kort had je absolute vrijheid om je waar te maken, als je die vrijheid tenminste kon dragen. Kon je het niet aan, dan vloog je eruit, dan werd je uitgezweet, zoals dat nogal plastisch werd genoemd. Die gouden formule stond volstrekt haaks op dit nieuwe idee van topdown managen en het in teamverband in elkaar knutselen van een blad.’

Waarom kwam dat zo hard aan, die verzakelijking was toch al veel langer gaande?
‘Het kwetste me omdat ik niet meer mocht doen wat ik het beste kan: verhalen vertellen uit verwondering, soms als onderzoeksjournalist, soms als een vlieg op de muur. Die nieuwe hoofdredacteur was een manager met een economische achtergrond, hij was best goed in het lezen van de boekhouding maar minder in het lezen van levende journalistiek. De commerciële druk is groot, alles moet sneller, korter en met minder mensen. En de levensduur van nieuws is onder invloed van de sociale media extreem kort geworden. De heftigheid, de felheid in de verslaggeving is daardoor ook toegenomen, het onderscheid tussen opinie en berichtgeving is helemaal weggevallen, terwijl dat voor mijn generatie journalisten een heilige wet was. Zoals ik in Ex-reporter schrijf, sta ik een tragere journalistiek voor, die naar de waarheid zoekt ver buiten de waan van het moment. En soms ook ver van huis ja, in Rwanda, Burundi, Vietnam, Haïti. Op reis gaan kon al helemaal niet meer. “Afrika verkoopt niet,” kreeg ik te horen, wat moeilijk te verteren is wanneer je als journalist verslag hebt gedaan van de genocide in Rwanda. Ook een voorstel om een verhaal te maken over allochtone armoede in Antwerpen, waarvoor ik toch echt geen groot reisbudget nodig had, kreeg een weinig enthousiast onthaal. Want: “Armoede is saai.” Wat ik tamelijk hallucinant vond, want de aanleiding was dat er voedselrelletjes ontstonden bij vluchtelingen in Antwerpen. Het was de 21ste eeuw, maar er werd honger geleden in een Europese metropool; dat is toch een reportage waard.’

Begin jaren negentig was u een van de voorlopers van de literaire non-fictie.
‘In België misschien, maar verder ben ik schatplichtig aan grote voorgangers als Truman Capote en Ryszard Kapuściński. Ik keek altijd erg op tegen het Amerikaanse New Journalism: je graaft je diep in de huid van één partij, met de bedoeling om de best mogelijke versie van de waarheid naar boven te spitten. En dat presenteer je op een sterk verhalende manier, zoals Capote dat deed maar zoals ook Dave Eggers schrijft. Ik heb altijd graag mensen gehad om tegenop te kijken, ik denk dat je dat nodig hebt om zelf grotere hoogte te bereiken, en de laatste jaren is Eggers absoluut mijn idool. Hij brengt de liefde voor het verhaal en het engagement voor mensen met problemen samen. Toen ik verhalende non-fictie begon te schrijven, was ik bijna de enige Belg die dat probeerde. Nu verheug ik me op het grote Indonesiëboek van David Van Reybrouck, de Hugo Clausbiografie van Mark Schaevers, nieuw werk van Pascal Verbeken. Laten we dus niet al te pessimistisch zijn, er is zeker een tegenbeweging, want er blijft altijd behoefte aan diepgravende, waarachtige, goed gecheckte, originele verhalen. We moeten alleen niet allemaal mainstream massamedia willen zijn en er vrede mee hebben dat we in een nichemarkt opereren. Zolang je jezelf maar loskoppelt van de echoput van het instant nieuws en streeft naar authentieke, eigen verhalen. In Nederland is De Correspondent daarvan een voorbeeld. Hun statement na de aanslagen in Brussel was: daar schrijven wij nu maar eens helemaal niets over tot we iets zinnigs te melden hebben. We hollen niet met de meute mee achter het nieuws aan. Dat vond ik fantastisch.’

Als pure reporter bent u niet iemand die vanachter zijn bureau bedenkt hoe de wereld in elkaar steekt.
‘Ik ben nooit een nieuwsjunk geweest, al zocht ik mijn onderwerpen wel in de slipstream van de actualiteit. Reporter, jawel, maar dan in de tweede of derde linie. Daar kun je geweldige verhalen oprapen of toegeworpen krijgen, alleen maar door lang te luisteren, door goed te observeren en door eindeloos rond te hangen. Je benadert zo de actualiteit via de mensen om wie het gaat en daarmee op de meest relevante manier en met iets meer afstand en iets meer tijd. De journalistiek ontbeert de noodzakelijke afstand tussen het feit en de verslaggeving. Er is geen tijd meer voor reflectie, geen tijd voor controle, bijna alles wordt zo ongeveer in real time op het scherm gegooid. In mijn ogen is nieuws nog altijd een afgewerkt product maar met dat instant nieuws is juist het omgekeerde het geval. Het is alsof je voortdurend naar de making of aan het kijken bent, inclusief alle geruchten, alle verdraaiingen, alle fouten. Zo wordt de basis onder het vak weggeslagen, namelijk dat het publiek bereid is om te geloven wat jij te berde brengt. Die geloofwaardigheid heeft een serieuze knauw gekregen. We moeten er op zijn minst zelf van overtuigd zijn dat we de best mogelijke versie van de waarheid brengen. Als we die overtuiging kwijtraken, dan bedrijven we geen journalistiek meer maar op zijn best infotainment.’

Steekvlamjournalistiek die we bedrijven: we schrijven niets tot iets uit de hand is gelopen, en vervolgens schrijven we over niets anders meer.

Wat zijn voorbeelden van die onevenwichtigheid van de media?
‘Het is een brevet van onvermogen dat wij van de pers de twee belangrijkste onderwerpen van de afgelopen jaren niet of nauwelijks hebben zien aankomen: de vluchtelingencrisis en de golf van jihadisten. Het was alsof die gebeurtenissen uit de lucht kwamen vallen. Dat illustreert de steekvlamjournalistiek die we bedrijven: we schrijven niets tot iets uit de hand is gelopen, en vervolgens schrijven we over niets anders meer. Terwijl het toch gaat om twee structurele processen die al jaren in de maak waren. De aantallen vluchtelingen en drenkelingen op de Middellandse Zee namen steeds maar toe, maar er werd heel weinig over geschreven. Ik wil mezelf niet vrijpleiten, ik had ook nooit gedacht dat het die enorme dimensies ging aannemen, maar ik heb er wel altijd verslag van proberen te doen. Een kwarteeuw geleden schreef ik een reportage over rellen in Molenbeek en andere Brusselse wijken, waar toen al een kloof groeide tussen jongeren van de tweede en derde generatie en jongeren van Belgische origine. En in dezelfde tijd schreef ik Ze zijn zo lief meneer, over vrouwenhandel en de bende van het Rotterdamse bordeel De Miljardair. Die vrouwenhandel werd gezien als een probleem van onvrijwillige prostitutie, maar ik beschouwde het zelf als een onderdeel van migratie, het belangrijkste maatschappelijk proces van onze tijd.’

De Brusselse zelfmoordterroriste Muriel was een voorbode van home grown extremisme.
‘Toen ik acht jaar geleden in Molenbeek aan mijn boek over Muriel werkte, was het voor iedereen die zich verdiepte in de probleembuurten van Brussel evident dat daar een kloof was gegroeid tussen jongeren van migrantenafkomst en de rest, en dat er sprake was van radicalisering. Er woonde daar een hele generatie die geen grond onder de voeten meer voelde. Omdat ik altijd een ingang zoek om in een bepaald milieu binnen te komen, volgde ik het proces van de jongens die rond Muriel hadden gecirkeld. Zij was uiteindelijk met haar man naar Bagdad getrokken, zij waren daar allebei dood achtergebleven na een aanslag op Amerikaanse troepen, er was nog een medeplichtige omgekomen. Een vierde was gewond teruggekeerd naar België, zijn been was eraf geschoten, hij werd een van mijn belangrijkste bronnen. Tientallen zittingen lang volgde ik het proces van die jongens en al die tijd was ik daar de enige journalist. Tussen de zittingen door rookte ik een sigaretje met die jongens en bouwde ik een vertrouwensrelatie met ze op. Die overigens weer verloren ging nadat een van hen me met de dood had bedreigd. Hij liet me min of meer in een hinderlaag lopen en zei toen tegen me: “Meneer Chris, ik zou je hier kunnen vermoorden, in stukken snijden en niemand zal je vinden.” Hij dwong me om een verklaring te ondertekenen dat ik geen contact meer zou zoeken en dat heb ik dus maar gedaan. Uiteindelijk kon ik toch de geschiedenis van Muriels radicalisering reconstrueren. Dat boek kreeg in eerste instantie alleen wat boekbesprekingen, reportages over de probleembuurten van Brussel waren toen nog niet zo sexy. Dat veranderde pas na de aanslagen in Parijs.’

Foto: Lenny Oosterwijk

Later keerde u terug naar Molenbeek voor een verhaal over suïcide onder vluchtelingen.
‘Dat volgde op een dubbel dieptepunt in de Belgische journalistiek. Politicus Steve Stevaert was in het kanaal gesprongen nadat hij door journalisten was gebeld over een mogelijk seksschandaal. En diezelfde meute van de pers stond vervolgens aan het kanaal terwijl er werd gedregd naar het lijk van Stevaert. Ik was geschokt, elke ethiek leek uit mijn vak verdwenen. Op de dag van Stevaerts dood stapten in Molenbeek ook twee asielzoekers uit het leven, een wat oudere Marokkaan met psychische problemen en een Guinese jongen. Ik ben meteen naar Molenbeek gereden, naar Residence Leopold II, een ernstig verwaarloosd voormalig kraakpand. Alle kamers in dat huis lagen vol matrassen met daarop vele tientallen vluchtelingen die in hongerstaking waren. Ze waren er slecht aan toe, er was schurft geconstateerd en tbc. En op de deur hing een vel papier met een aanklacht: “Jullie stilte doodt ons”. Die vluchtelingen waren al maanden bezig met acties voor een betere opvang en er werd niks over gepubliceerd.

Een paar maanden later, na de aanslagen in Parijs en daarna in Brussel, kwam die hele internationale perskaravaan naar Molenbeek en werd de wijk afgeschilderd als een hellegat en een moordkuil. Daarmee werd dus tot tweemaal toe een vertekend beeld van de werkelijkheid gegeven. Eerst zwegen we de problemen daar dood. Vervolgens schilderden we de wijk af alsof het er elke dag burgeroorlog zou zijn. De wijk is gestigmatiseerd als getto en als zondebok misbruikt voor een veel grotere problematiek. Terwijl elke journalist die daar nu rondloopt teleurgesteld is over hoe vreedzaam het er is.’

Ontspoorden de jongeren die u sprak uit frustratie of geïnspireerd door de radicale islam?
‘Ik heb lang in probleembuurten gehangen, ik heb een boel mensen van nabij gevolgd en bij iedereen zag je een specifieke problematiek. De een was opgegroeid in pleeggezinnen of instellingen, de ander was als kind mishandeld of het slachtoffer van een vechtscheiding. Bij Muriel had het een fysieke component, ze was ziek en ongewenst kinderloos, haar man was een bastaardkind van een Belgische militair en een Marokkaans meisje dat hem in de steek had gelaten, hij bleef zijn leven lang op zoek naar zijn vader. Het was eerder hun psychische kwetsbaarheid die ze ontvankelijk maakte voor geweld, dan religie. Er lijkt een geestelijke problematiek te bestaan die inherent is aan migratie en de ontworteling die daar het gevolg van is. Dus als je vraagt wat ik als oorzaken tegenkwam: op het eerste niveau die vergrote kwetsbaarheid, op het tweede niveau religie als uitweg en op het derde niveau een heel specifieke familiegeschiedenis.’

Het boek over uw eigen familiegeschiedenis gaat ook over ontworteling en het verlies van identiteit.
‘Er leeft een sterk gevoel van gemis binnen meerdere generaties. Snelle veranderingen van het landschap, van je geboortestreek, van je straat en je wijk in de grote stad, dat zorgt kennelijk ook allemaal voor het gevoel ontheemd te zijn. Een gevoel van verlies van tradities veroorzaakt een identiteitscrisis die in de verte vergelijkbaar is met die van de jongens in Molenbeek.’

Verklaart dat gevoel van verlatenheid het succes van ‘Dit is mijn hof’?
‘Dat moet haast wel. Ik kreeg echt honderden brieven van mensen die zo door het boek geraakt waren dat ze mij hun levensverhaal wilden vertellen. Terwijl het me volstrekt onmogelijk had geleken om met zo’n boerenverhaal een groot publiek te bereiken.’

‘Wanneer vertrekt ge?’

De Stoop beschrijft in de proloog van Dit is mijn hof hoe zijn broer hem omzichtig verweet dat hij wel schreef over leed in verre landen, terwijl dicht bij huis de boeren en het familiebedrijf verkommerden. Boer De Stoop voelde zich steeds meer ingesloten tussen een grote tuinderij, villabewoners die met een proces dreigden, de plaatsing van windmolens vlakbij zijn erf, een oprukkende meubelboulevard, de bureaucratie van de EU, de lage winstmarges, de natuurbeschermers. ‘Daar komt bij dat boeren zich bij uitstek richten op continuïteit, op de lijnen tussen het verleden en de toekomst,’ zegt De Stoop. ‘Zij hebben het platteland geërfd van hun voorouders en willen dat doorgeven aan een volgende generatie. Als die eeuwenoude lijn doorbroken wordt, lijkt alles uitzichtloos. Daar had de wanhoop van mijn broer ongetwijfeld ook mee te maken, hij zag het als een aflopend verhaal, want hij had geen vrouw en geen kinderen.’
Chris de Stoop beschrijft hoe zijn broer steeds meer een beroep deed op de familie en ook op hemzelf, de reizende journalist die zich zo weinig aan de boerderij gelegen liet liggen.

‘Hij duwt zijn peuk uit en rolt meteen een nieuwe sigaret,’ schrijft De Stoop over hun laatste gesprek op de boerderij, waarin zijn broer vraagt om steun die hij hem niet kan geven. ‘Dan zegt hij iets wat eigenlijk niet te betwisten valt: “Dit is een familiebedrijf.”
Maar ik betwist het toch: “Komaan, dit is jouw hof. Al jarenlang.”
“Dit is ons hof,” zegt hij met nadruk, alsof hij dit van tevoren heeft geoefend. “Ja,” geef ik toe en ik sta op. “Het is zo. Het is een familiebedrijf.” “Zeg eens,” vraagt hij dan met zijn ogen dicht, “wanneer vertrekt ge?”’

Behalve een eerbetoon is het boek ook de inlossing van een schuld.
‘Natuurlijk staat een knagend schuldgevoel aan de basis van dit boek. Ik ging voor Knack op reportage naar Haïti, dat was getroffen door een aardbeving, en ik zal mezelf dat altijd blijven verwijten. Al weet ik niet of het leven anders was gelopen als ik thuis was gebleven en mijn broer had geholpen. In Port-au-Prince kreeg ik het telefoontje dat hij gestorven was. Na een helse terugreis die anderhalve dag duurde, kwam ik aan op de verlaten boerderij. Dat was een keerpunt in mijn leven, waaruit Dit is mijn hof is ontstaan en dat ook meespeelt in mijn afscheid van de journalistiek dat ik beschrijf in Ex-reporter. Iedereen die een zelfmoord in de familie heeft meegemaakt, weet dat je jezelf de rest van je leven vragen blijft stellen. Je kunt het na een paar jaar accepteren, je kunt het zelfs gedeeltelijk begrijpen.’

Is dat waarom u nog steeds heen en weer reist van uw huis in Wommelgem naar de boerderij in Sint-Gillis-Waas?
‘Ik ben officieel “boer in bijberoep” en ik probeer de boel in stand te houden. Ik ben de laatste, de boer die het licht moet uitdoen. Maar ik voel het verlies van mij broer ook minder op de boerderij. Daar komt een grote rust over mij, ik voel me er deel van een groter geheel. Mijn gezin zou ik nooit zo ver krijgen om op die omsingelde en vervallen boerderij te gaan wonen, dus ik heb hem deels ingericht als mijn werkplaats. Twee jaar lang heb ik daar fulltime achter mijn lessenaar zitten schrijven. Alles was gericht op de hommage die ik wilde brengen aan mijn broer en aan het boerenland. Toen het was voltooid, heb ik het een klein jaar laten liggen bij de uitgeverij. Er moest eerst meer afstand komen tussen het boek en de dood van mijn broer. Die is er nu, al blijft het voor altijd een weke plek.’

Chris de Stoop, ‘Ex-reporter’, De Bezige Bij, € 19,99. ‘Dit is mijn hof’, De Bezige Bij, €19,90.