proloog

Op een tafeltje in het midden van de kelder staat een naaimachine. Voor de tafel een houten stoel. Op de stoel een jonge vrouw. De leeftijd van een studente. Haar spijkerbroek en shirt zitten onder de vlekken. Gras, modder. Kots en bloed. Om haar heen hangt een sterke lucht van bier en bessenjenever.
De jonge vrouw wankelt. Ze heeft dagen niet geslapen. Ze tijgerde door het gras, ze waadde door vies water. Ze dronk haar eigen urine.
En nu zit ze aan een tafeltje in een schemerige ruimte voor een naaimachine.
In de kamer is nog een vrouw, een blonde. Ouder. De blonde zegt: ‘Welke eerst?’
De jonge vrouw kijkt op. Ze begrijpt de vraag niet.
‘Welke vinger eerst?’
Weer geen reactie.
De blonde zegt: ‘Wijsvinger?’
De jonge vrouw op de stoel krimpt ineen. Ze wil haar hoofd schudden maar kan zich niet
bewegen.
‘Leg hem maar op het metalen plaatje.’
Aan de rechterkant van de naaimachine zweeft boven een metalen plaatje de naald.
De jonge vrouw rilt weer. Ze vouwt haar...