Na de euforie onder de boeren over de grote demonstraties op het Malieveld, de massale steunbetuigingen in het hele land en de vele gesprekken aan tafel met politici en polderbestuurders – eindelijk erkenning! – kregen de opstandige agrariërs deze week alweer een kleine teleurstelling te verwerken: vanaf mei worden kentekens verplicht voor snelle trekkers, zodat boeren die bijvoorbeeld snelwegen blokkeren, hekwerken platrijden of deuren van provinciehuizen forceren voortaan moeiteloos kunnen worden opgespoord.

Zo gaat dat in Nederland: even gloort de revolutie, maar voor je het weet wordt de opstand alweer gesmoord met eindeloos gepraat aan de vergadertafels, en worden de opstandelingen zachtjes in het gareel geduwd met nieuwe regeltjes.

‘Verend opvangen’

Wie zich erover verbaasde dat de overheid niet harder ingreep toen de boeren de deur van het provinciehuis in Groningen kapot reden, snelwegen blokkeerden en zelfs dreigden de nationale luchthaven plat te leggen, doet er goed aan te bedenken dat de poldercultuur in Nederland diep verankerd is: hier te lande worden revoluties al eeuwen bedwongen met zachte hand.

In de beroemde biografie van Michiel de Ruyter van Gerard Brandt uit 1687 is bijvoorbeeld te lezen hoe de volkswoede tegen de gebroeders De Witt zich ook keerde tegen de beroemde zeeheld. Toen een tierende menigte zich verzameld had voor De Ruyters huis aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam, liet een met de familie bevriende commandant van de schutterij voor de zekerheid een vendel schutters opstellen op een nabijgelegen brug, maar hij greep niet in. Toen de avond viel gebeurde precies wat de commandant voorzag: het moegeschreeuwde gepeupel droop af naar de kroeg, zonder dat er één schot was gelost.

In Nederland worden revoluties al eeuwen bedwongen met zachte hand.

Zo ging het ook in de jaren zestig, toen oud-marineman Piet de Jong als premier te maken kreeg met de studentenrevolte. Toen boze jongeren een overheidsgebouw in Den Haag wilden bezetten en de Haagse politiecommandant kwam vragen of er hard moest worden ingegrepen, verklaarde De Jong dat hij de jongelui rustig moest laten begaan, maar wel de stoelen moest weghalen: van het zitten op het kale linoleum zouden ze snel genoeg krijgen. Aldus geschiedde: dezelfde avond waren de bezetters alweer vertrokken.

‘Verend opvangen’ wordt die tactiek genoemd.

de doodsteek van de vergadertafel

Zo deed Mark Rutte het de afgelopen maanden ook weer met de Gele Hesjes. Terwijl de boze demonstranten in Parijs al maanden dagelijks worden neergeknuppeld en met traangas beschoten door de oproerpolitie, nodigde onze premier een handjevol vertegenwoordigers van de beweging uit op het Torentje. Sindsdien is van de dreigende volksopstand van de Gele Hesjes hier te lande weinig meer vernomen.

En zo lijkt het nu dus weer te gaan met de boeren: ze mochten stoom afblazen op het Malieveld en zelfs een paar snelwegen blokkeren maar werden meteen aan tafel gevraagd, waardoor het revolutionair elan al spoedig uitdoofde in het vergadercircuit.

Als het ‘verend opvangen’ niets meer zou zijn dan een handig trucje van door de wol geverfde bestuurders zou het misschien geen lang leven beschoren zijn. Maar in Nederland werkt het zo goed, bedacht ik van de week, omdat boze burgers van divers pluimage zelf óók niets liever lijken te willen dan aanschuiven aan de vergadertafel: de hoogste vorm van erkenning. In essentie lijkt dat ook te zijn waar maatschappelijke revoltes in Nederland altijd over gaan: waarom zitten zij aan tafel en wij niet?

Zelfs aan de vorm van de Nederlandse talkshows kan je het zien, weet ik uit ervaring als kersvers politiek redacteur bij eerst Pauw en nu Op1. In geen land ter wereld bestaat de opzet steevast uit een grote tafel waaraan, omringd door publiek, ook gewone burgers mogen plaatsnemen om over alle onderwerpen mee te praten. In een land waar aanschuiven aan tafel wordt beschouwd als het grootste goed, zal het nooit wat worden met de revolutie.