We hadden op een doordeweekse dag afgesproken in Zandvoort, in het vroege voorjaar van 2011. We dwaalden wat door de uitgestorven badplaats en gingen zitten op het terras van Danzee, het inmiddels failliete café waar zowel Anil Ramdas als Badal, de hoofdpersoon van zijn grote roman, wel vaker neerstreek. Later die dag zou Ramdas zich voor Vrij Nederland laten fotograferen bij de plaatselijke Febo.
Zandvoort was een inmiddels vertrouwde omgeving: Ramdas was er tijdelijk in ballingschap gegaan om zich helemaal in te leven in zijn alter ego, de essayist en televisiepresentator Badal. Die moest van zijn schepper in de enigszins verlopen badplaats gaan wonen om van de drank af te komen en eindelijk weer eens een invloedrijk essay te schrijven: over het culturele drama van de white trash, in de ogen van Badal – en eigenlijk ook wel van Anil Ramdas zelf – de achterban van een reeks populisten, van Fortuyn via Verdonk naar Wilders, door wie hij zich bedreigd voelde in zijn bestaan.
Een gefaalde migrant
Voor het gemak had hij zijn eigen biografie gebruikt om zijn hoofdpersoon naar te modelleren, vanaf het moment dat hij in 1977 als jongetje naar Nederland was gekomen, beaamde Ramdas op dat Zandvoortse terras. ‘Alles wat er op Wikipedia over mij staat, heb ik verwerkt in dat romanpersonage. Maar hoe interessant is dat nou eigenlijk?’
Want, vond hij, de verschillen waren uiteindelijk veel groter dan de overeenkomsten. Badal was een gefaalde migrant, waar hijzelf was geslaagd. Badal liet hij ten onder gegaan aan een fatale mix van ambitie en ontworteling. ‘Ik weet nog dat ik aan mijn gezin vertelde dat Badal dood was – dat was een drama. Mijn dochter vroeg: waarom moest dat nou? Dat bepaal je toch helemaal zelf?’
‘Vroeger was ik nog zo bescheiden om te zeggen: ik schrijf nooit een roman, dat is voor mij te hoog gegrepen.’
Hijzelf, de schrijver, zat hier ondertussen levend en wel met een cappuccino en een voltooide roman en een journalist die zijn boek kennelijk zo interessant vond dat hij het had volgeplakt met blauwe Post-its. ‘Het treurige einde van Badal, die aan het slot van het boek de zee inloopt, maakt ten overvloede duidelijk dat ik het niet zelf ben.’
Bij die ene roman zou het wat hem betreft blijven, zei Ramdas. Alles wat hij tot nu toe had bedacht, eerst als talentvolle wetenschapper en daarna als succesvol journalist, was samengebald in de ruim vierhonderd pagina’s van Badal. ‘Vroeger was ik nog zo bescheiden om te zeggen: ik schrijf nooit een roman, dat is voor mij te hoog gegrepen. Dat is het allerhoogste binnen het schrijverschap. En wat was ik? Niet meer dan een eenvoudige essayist, misschien een stapje hoger dan verslaggever.’
Hij was het eens met de stelling dat er in ieder persoon één boek zit, zei Ramdas. Dat gaf wel aan dat hij hoog had ingezet. ‘Alle andere boeken zijn dan voorstudies of nabeschouwingen. Augie March is hét boek van Saul Bellow. Heart of Darkness hét boek van Joseph Conrad, waarin hij liet zien dat het kolonialisme twee kanten heeft: vooruitgang en vernietiging. V.S. Naipaul heeft voor hij A House for Mr Biswas kon schrijven een hele hoop journalistiek kladwerk gedaan.’ Natuurlijk wilde hij zich niet vergelijken met die grote voorbeelden. ‘Maar ik heb inmiddels wel genoeg voorstudies gedaan om nu dat ene boek te kunnen maken. Hier blijft het dan ook bij – behalve als de lezer zegt, nee, dit was het niet.’
Zuinigjes
De eerste lezers, de recensenten, reageerden zuinigjes tot negatief. De Volkskrant bijvoorbeeld besprak niet alleen de roman maar speelde ook op de man door te schrijven over de ‘verwording’ van de schrijver van het boek, die ooit ‘pronte essays’ schreef over de multiculturele samenleving. ‘Hopelijk is het met Anil Ramdas minder erg gesteld dan met de zelfgenoegzame, humorloze en verloederde Harry Badal,’ stond boven de recensie, maar het klonk niet of de recensent daar erg in geloofde.
Hij had in Badal zijn alter ego niet als zelfportret beschreven, maar als angstbeeld, als waarschuwend baken: zo had het ook met hemzelf kunnen gaan, zo had het kunnen aflopen.
Dat de recensies het autobiografische karakter van het boek als uitgangspunt zouden nemen, had voor de hand gelegen, maar was toch hard aangekomen bij Ramdas, die de roman had willen uittillen boven het autobiografische. Hij had in Badal zijn alter ego niet als zelfportret beschreven, maar als angstbeeld, als waarschuwend baken: zo had het ook met hemzelf kunnen gaan, zo had het kunnen aflopen.
Of wás het zo gegaan? Het grootste verschil tussen de springlevende auteur op het Zandvoortse terras en de tragisch aan zijn eind gekomen hoofdpersoon werd nog geen jaar na het gesprek bij café Danzee uitgewist toen Anil Ramdas op 16 februari 2012, de dag van zijn 54ste verjaardag, een einde aan zijn leven maakte. Zoals website Geenstijl schreef, naast collega-auteur Joost Zwagerman een van zijn vele tegenstanders in het multiculturele debat: ‘Geenstijlhater van het eerste uur Anil Ramdas (54) gisteren overleden.’ En als trap na, met een verwijzing naar zijn hindoeïstische roots: ‘Opdat hij moge reïncarneren in een veel aardiger persoon.’
Een ster
Als schrijver ontbrak het Ramdas aan de status en de erkenning waar hij recht op meende te hebben en die hij in het begin van zijn loopbaan ook royaal had gekregen, eerst als veelbelovend wetenschapper, daarna als essayist. Als sociaalgeograaf werkte hij aan een dissertatie over het werk van de immigratiedienst, met als promotor Abram de Swaan. Hij ondervroeg asielzoekers over hun ervaringen, maar verloor vervolgens een kort geding van het Ministerie van Justitie met als inzet de openbaarmaking van die gegevens. ‘Ik genoot wel van alle ophef die dat gaf,’ zei Ramdas in Zandvoort. ‘Mijn onderwerp werd door die rechtszaak op de agenda gezet en ik mocht daarin ook nog het sterretje spelen.’
De dissertatie kwam er niet, dat was het einde van zijn wetenschappelijke carrière, maar Martin van Amerongen haalde hem vervolgens binnen hij De Groene Amsterdammer waardoor hij al snel gold als hét voorbeeld van de geslaagde, intellectuele migrant.
Vooral met zijn optreden in Zomergasten maakte Anil Ramdas in 1992 indruk in intellectuele kringen, herinnert Groene-collega Xandra Schutte zich in de indrukwekkende documentaire Anil Ramdas – nooit meer thuis van filmmaker Paul Cohen. ‘We begonnen tegelijk bij De Groene. Zijn stukken waren al heel bijzonder, maar nu was hij overnight een ster. Dat zag je ook aan zijn uiterlijk: van een iel mannetje met een snorretje werd hij een mooie jongen.’
‘Eerst was je een hele slimme Surinaams-Hindoestaanse intellectueel, maar na Zomergasten was je de plotseling de beroemdste allochtoon van Nederland.’
Ramdas was in Zomergasten heel duidelijk over de verantwoordelijkheid van het rijke en vrije Westen: dat had het ‘migrantengevoel’ wakker geroepen, het idee van rijkdom, gelijkheid en vrijheid. Daardoor zou geen muur zo hoog zijn of de migrant zou er overheen komen, en anders wel er onderdoor. De intelligente en een tikje arrogante zoon van een hoofdonderwijzer leerde de VPRO-kijkers een lesje. Zoals vriend – en rivaal – Stephan Sanders het tijdens een radio-interview tegen Ramdas zei: ‘Eerst was je een hele slimme Surinaams-Hindoestaanse intellectueel, maar na Zomergasten was je de plotseling de beroemdste allochtoon van Nederland.’
Mislukt als directeur
Toen Badal verscheen, lagen die roem en die belofte al ver in het verleden. Inmiddels was Ramdas correspondent in India geweest, een moeizame en eenzame tijd. Stephan Sanders tegen Ramdas: ‘Ineens zei je: mijn droom is in vervulling gegaan, ik word correspondent in India. Het grappige is dat je me nooit had verteld dat dat je droom was. Volgens mij was het ook helemaal niet je droom maar zo wist je het te draaien. En je geloofde het zelf nog ook.’
Zijn grote roman had de mislukkingen moeten uitwissen.
Daarna was hij mislukt als directeur van De Balie, voornamelijk omdat alcohol een steeds grotere rol in zijn leven was gaan spelen. Zijn grote roman had die mislukkingen moeten uitwissen. Zoals Stephan Sanders zegt in Anil Ramdas – nooit meer thuis: ‘Dat boek moest een heel leven goedmaken. Dan had het ongeveer een Nobelprijs moeten krijgen – en dan nog weet ik het niet, hoor.’
Dat het boek kritisch was ontvangen, deed dus pijn. ‘Kijken wat het straks in de Verenigde Staten doet,’ zei Ramdas niettemin hoopvol op het terras in Zandvoort. ‘Daar kan het boek wél met een schone lei worden ontvangen.’
Met enige jaloezie keek hij naar het succes van de van oorsprong Oegandese – en inmiddels niet meer publicerende – schrijver Moses Isegawa die jaren daarvoor meer dan honderdduizend exemplaren had verkocht van zijn Abessijnse kronieken. ‘Dat is pas ideaal voor een schrijver die streeft naar succes in Nederland: binnenkomen out of nothing, plotseling, beng. Niemand wist iets van hem, ze verbaasden zich over zijn kleine kamertje in Beverwijk, met die pornoverzameling. Zo moet je dat kennelijk doen in Nederland, dat is de romantische visie op het schrijverschap. Terwijl Isegawa weleens tegen me heeft gezegd: ik doe dit allemaal alleen maar om aan een vrouw te komen. Als ik haar eenmaal heb gevonden is het ook afgelopen met dat schrijven, dan ga ik serieus leven.’
De koning van de allochtonen
Niet alleen als schrijver voelde Ramdas zich voorbijgestreefd door de allochtone concurrentie, zijn stem speelde in het multiculturele debat ook nauwelijks nog een rol. Had Sonja Barend hem in 1996 toen hij in haar talkshow optrad niet een ‘geacht en gewaardeerd intellectueel’ genoemd? Was zijn vriend Stephan Sanders niet jaloers op hem geweest? ‘Je was mooi en slim en Surinaams, de echte migrant,’ had Sanders over hem gezegd. ‘Kortom, een echtere allochtoon dan ik.’ Nu keek hij op zijn beurt met een schuine blik en nauwverholen afgunst naar de van oorsprong Somalische Ayaan Hirsi Ali. Hij vond haar ‘hysterisch’, ‘een verschrikking’.
‘Dat het zo zou kunnen omslaan in Nederland. Dat rancuneuze. Dat kleinzielige. Wrong country to be in.’
Hirsi Ali nam het podium in bezit waarop hij, door Xandra Schutte in de documentaire ‘de koning van de allochtonen’ genoemd, zelf ooit had geschitterd. Hij was het ook oneens met haar standpunten, zoals hij eerder met afschuw had aanschouwd hoe Frits Bolkestein en later Paul Scheffer het multiculturele debat hadden gekaapt. En zoals hij na zijn terugkeer uit India was geschrokken van de verharding van dat debat. ‘Dat het zo zou kunnen omslaan in Nederland. Dat rancuneuze. Dat kleinzielige. Wrong country to be in.’
Van het beloofde land van vrijheid, gelijkheid en verlichting werd Nederland een nachtmerrie voor Anil Ramdas, zegt Stephan Sanders in de documentaire. ‘Er zat geen enkele nuance meer in zijn manier van denken, mensen als Fortuyn en Wilders waren er in zijn ogen op uit op hem en zijn soort te vermorzelen.’
mijn Creoolse vriendje
Paul Cohen toont de teloorgang en de ontheemding van Anil Ramdas door radio- en televisiefragmenten, impressionistisch doorsneden met beelden van Amsterdam en Ramdas’ geboortestreek in Suriname, het district Nickerie. Belangrijkste verteller is Stephan Sanders, die het heeft over ‘een van de langstlopende en meest moeizame vriendschappen van mijn leven’ en die zichzelf verwijt dat hij het einde van zijn vriend niet had voorzien. ‘Ik wist dat het slecht ging maar ik dacht: hij redt zich er altijd uit. Hij is een kat met wel dertien levens.’
‘Zijn afkeer van het feit dat je een harde identiteit bent, dat je moet kiezen om Turks of Nederlands te zijn, alsof je dat niet allebei kunt zijn.’
Daarnaast sprak Cohen onder andere met biografe Karin Amatmoekrim, vriend en collega Pieter Hilhorst en zus Kawita. Twee jaar geleden stelden die laatste twee Ik had me de wereld anders voorgesteld samen, een bundeling van Anil Ramdas’ beste essays, columns en lezingen over zijn belangrijkste thema’s: identiteit, dekolonisatie, beschaving. Hilhorst mist Ramdas als vriend, zegt hij, maar ook als stem in het politieke debat. ‘Zijn afkeer van het feit dat je een harde identiteit bent, dat je moet kiezen om Turks of Nederlands te zijn, alsof je dat niet allebei kunt zijn.’
De documentaire schetst een beeld van de jeugd, de migratie, de opkomst en de ondergang, parallel aan de opkomst van rechts populisme en verharding van het debat. Er is veel veranderd, maar verbazingwekkend blijft hoelang zich dat nu al voortsleept. Bijna en passant komen, als voorafschaduwing van het tragische slot, anderen voorbij die een eind aan hun leven maakten. Psycholoog Piet Vroon, een jaar voor Ramdas Zomergast. Herman Brood, die toen Ramdas naar Nederland kwam het album Street uitbracht. Wim Brands, die Ramdas interviewde. Joost Zwagerman, met wie hij een verbitterde strijd uitvocht op de sociale media en die hem minachting verweet voor de aanhangers van populistische partijen door ze af te doen als ‘white trash’.
Belangrijk is het aandeel van Emile in de film, ‘mijn Creoolse vriendje’, zoals Ramdas hem in 1997 noemde in zijn Socrateslezing. Terwijl in Paramaribo de ouders van Emile niet de behoefte voelden om diens vriendje Anil in hun wereld binnen te loodsen, was dat andersom wel het geval. ‘Hindoestanen hadden anders dan Creolen het gevoel dat ze iets hadden over te dragen,’ zei Ramdas daarover. ‘Iets wat je misschien ook cultuur zou kunnen noemen. Emile hoorde bij onze familie, meer dan ik ooit bij de zijne zou horen.’
Bespuugd en gesard
Eenmaal geëmigreerd naar Nederland zagen de jongens elkaar nog wel af en toe, zegt Kawita Ramdas, ‘maar Emile was toen al behoorlijk aan de drugs’. In Paramaribo was Emile zijn vriend en beschermengel geweest, vertelde Anil Ramdas in zijn Socrateslezing. ‘Ik werd op weg naar school geknepen, bespuugd en gesard, tenzij Emile met mij meeliep. Als hij bij mij was, gebeurde mij niets, al was hij een half hoofd kleiner.’
Hij zei te verlangen naar ‘de onschuld van toen, de onbevangenheid, de broederlijke vriendschap’ van een vriend die het altijd voor hem had opgenomen. ‘Het was een vreemde, harde samenleving. Ik was 7, 8 en ik werd regelmatig in elkaar geslagen. Emile, een hoofd kleiner dan ik, beschermde mij. Hij was niet bang voor pijn en ik ontzettend.’
Paul Cohen zocht Emile op, die eerder dan Anil naar Nederland verhuisde en daar aan de zelfkant verzeilde. Terwijl Ramdas gevierd werd als allochtone intellectueel, verloor zijn vroegere vriendje, die ‘mooier kon tekenen, hoger klimmen, sierlijker dansen, slimmer liegen’, zich in de wereld van gokken, drugs en criminaliteit. In Cohens documentaire vertelt Emile, nog steeds aan de cocaïne, hoeveel indruk het maakte op zijn cipiers toen Anil, inmiddels BN’er en de avond tevoren nog op televisie, hem kwam opzoeken in het Huis van Bewaring. ‘Ze keken daarna toch anders naar me.’
‘Ik heb wel degelijk een neiging tot destructief gedrag.’
De Surinaamse jongens Anil en Emile waren allebei ontheemd geraakt in Nederland, maar de intellectueel Ramdas, die er volgens Stephan Sanders tevergeefs naar streefde om ‘burgerman’ te worden, kon daar nog minder goed mee omgaan dan zijn drugsverslaafde vriend. ‘Als je eenmaal weg bent gegaan,’ had Ramdas al tegen Sonja Barend gezegd, ‘houd je voor altijd het gevoel dat je in andermans huis loopt te dwalen.’ Dat idee een ‘mismatch’ te zijn woog des te zwaarder door zijn hang naar conformisme, een eigenschap die Emile volgens hem ten enenmale miste. ‘En omgekeerd had Emile iets dat bij mij ontbrak,’ voegde hij eraan toe. ‘Een instinct tot zelfvernietiging.’
Dat moest Ramdas later tegenover Stephan Sanders nuanceren, toen die hem voor de voeten wierp dat hij zichzelf willens en wetens kapotmaakte om kritiek van de buitenwereld voor te zijn. ‘Ik heb wel degelijk een neiging tot destructief gedrag,’ beaamde hij toen. ‘Het gevaar opzoeken, maar weten wanneer je tot op het randje komt en er toch niet overheen glippen. Net niet doodgaan. Net niet ten ondergaan.’
Anil Ramdas – nooit meer thuis van regisseur Paul Cohen wordt op donderdag 2 mei om 22.55 uur uitgezonden op NPO2.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.