‘Pats!’ Daar gaat het eerste blok eikenhout in tweeën. ‘Kloven is niet een kwestie van brute kracht,’ zegt Alexander Pechtold, ‘maar van techniek en precisie. Je moet de bijl het werk laten doen.’
De nevel hing nog boven de velden buiten Wageningen toen we ons op deze vroege zaterdagmorgen naar het bos begaven om te gaan houthakken, de bijlen in de kofferbak van de Volvo. Die van Pechtold is een hightech ontwerp uit Finland van staal en onbreekbaar koolstof, die van mij een traditionele, zware kloofhamer met een steel van essenhout. ‘Ik heb een keer meegemaakt dat zo’n houten steel brak en de stalen kop de lucht invloog en bijna op mijn hoofd terechtkwam,’ zegt hij. ‘Daarom heb ik een bijl gekocht waarmee dat niet kan gebeuren.’ Houthakken is op zichzelf al riskant genoeg: voor je het weet, hak je in je voet. Kloven met een bijl vergt voortdurende concentratie. ‘En juist daarom is het zo mooi. Er is geen ruimte voor afleidende gedachten, je bent helemaal alleen met de bijl en het hout. Er is niets anders dan het moment. Als je met de bijl aan de slag gaat, is je hoofd meteen leeg.’

Rokende blokken op het vuur
Alexander Pechtold ontdekte de vreugde van het houthakken toen hij in 2003 met vrouw en kinderen in Wageningen ging wonen, waar hij tot burgemeester was benoemd. De tuin van zijn nieuwe huis, aan de rand van het bos, stond vol opgeschoten eiken en beuken die drastisch moesten worden uitgedund. Hij kocht een motorzaag en een bijl en ging aan de slag – eerst wat onwennig, want houthakken is een ambacht dat oefening vergt. Het motorzagen vond hij niks: het daverende lawaai op zaterdagmorgen na een week vol hectische vergaderingen en andere verplichtingen was moeilijk te verdragen. Maar het kloven bleek een revelatie. De geur van hars en vers gespleten hout, het gevoel van voldoening als een lastig, taai blok vol knoesten het begeeft onder een goed gerichte slag van de bijl. En dan is er nog het onmiddellijke resultaat van de noeste arbeid: een gestaag groeiende berg gekloofd hout voor in de haard.
Het maandelijkse houthakken is ‘bijna heilig’, zoals hij het noemt, tot frustratie van Pechtolds secretaresse.
Als politicus verdient Pechtold zijn geld al vele jaren met woorden, die vluchtig zijn als rook. Altijd is er de aarzeling: heb ik het wel goed gezegd? Maar het houthakken kent geen twijfel: als het blok gekloofd is, is het gekloofd. Volgende blok. Ook het stapelen bleek een karwei dat met zorg en kennis van zaken moet gebeuren. De eerste tijd kwam het wel eens voor dat een houtstapel bij huize Pechtold op een stille dag opeens rommelend in elkaar stortte. Zo ontdekte hij dat drogend hout flink kan inklinken. Sissende en rokende blokken op het vuur leerden hem dat hout minstens een jaar moet drogen voor het kan worden gestookt. Als de haard brandt op kille, donkere avonden kan Alexander Pechtold, de man die in Den Haag bekendstaat om zijn onstuitbare woordenvloed en rond het Binnenhof zelden op momenten van contemplatie wordt betrapt, urenlang in zijn eentje in het vuur staren. Inmiddels is het houthakken een vast onderdeel van Pechtolds bezigheden geworden. Sinds een jaar of zeven gaat hij, naast het werk in eigen tuin, elke maand een dagje hakken met een groep vrienden in de Wageningse bossen. Het gekloofde hout wordt per kuub verkocht aan particulieren in de buurt, de opbrengst is voor een goed doel. Het maandelijkse houthakken is ‘bijna heilig’, zoals hij het noemt, tot frustratie van Pechtolds secretaresse: zelfs in verkiezingstijd moeten vrijwel alle afspraken ervoor wijken.
De afspraak om samen te gaan houthakken, was daarentegen snel gemaakt. Zelf heb ik als jochie met de bijl en de motorzaag leren omgaan van een oude, aristocratische marineman in Bussum, die jarenlang elke zaterdag voor een groep jonge jongens een betaalde klus organiseerde in tuinen en op landgoederen in het Gooi. ‘Praten en breien!’ zei de baas als we niet hard genoeg werkten. En als we flink bezig waren: ‘Leuk, hoe je dat doet!’ Toen ik laatst in de Haagse wandelgangen een praatje met Pechtold maakte over het plezier van het kloven, was het binnen een week beklonken: we gingen houthakken in het bos bij Wageningen, en daarna praten over zijn tien lange jaren als leider van D66. Hoe blijft hij overeind in de Haagse arena? Hoe zorgt hij ervoor dat hij zijn scherpte niet verliest? En waar staat hij eigenlijk voor?
Zielenrust
Daar zwaait Pechtold nu met zijn bijl, op de plek even buiten het dorp waar zijn houthakkersclub maandelijks aan het werk gaat. Het bos ruikt naar de herfst, de bladeren van de hoge beuken beginnen te verkleuren. Pechtold is gehuld in een groengeblokt houthakkers-shirt dat hij ooit na een voordracht van de JOVD heeft gekregen. De geborduurde naam van de liberale jongerenvereniging heeft hij eraf gepeuterd: in het bos wil Pechtold als het even kan niet aan de politiek worden herinnerd. De mobiele telefoon, gewoonlijk dag en nacht bij de hand voor contact met zijn medewerkers, partijgenoten en Twitter, laat hij achter in de auto. Tijdens het houthakken spreekt de doorgaans zo spraakzame politicus überhaupt niet veel: de stilte wordt alleen verbroken door bijlslagen die galmen door het bos, en af een toe een tevreden opmerking: ‘Zo, die is door.’
In de kofferbak van Pechtolds auto ligt een beduimeld exemplaar van De man en het hout, de internationale bestseller van de Noor Lars Mytting, die vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen en waarover de D66-leider kwam vertellen bij De Wereld Draait Door. Anders dan de ronkende achterflap doet vermoeden (‘Het ideale boek voor iedereen die een echte man wil zijn’) is het een sobere, praktische handleiding voor alles dat met het vellen van bomen en het kloven, stapelen en branden van hout te maken heeft. ‘Dit is de bijbel van de houthakker,’ grinnikt Pechtold bij de koffie uit de thermoskan. ‘Alles staat erin: welk gereedschap je moet gebruiken, in welk jaargetijde je het best kan gaan houthakken, welke houtsoorten het geschiktst zijn, of je hout moet drogen met de schors naar boven of juist niet.’ Hier en daar heeft Lars Mytting zich een lyrisch uitstapje veroorloofd, zoals het citeren van de Noorse dichter Hans Børli: ‘De geur van vers hout of de aanblik van het gladde, effen snijvlak van een pas geslepen bijlblad – dingen als deze kunnen een man met een woordeloos genoegen vervullen en hem in contact brengen met het geluk dat in al het lichamelijke werk zit: het bestaan als een levende kracht in je handen voelen.’ Zulke teksten, daar heeft Pechtold dan weer minder mee. Zal hij wel te nuchter voor zijn. Maar de passages over de zielenrust die het houthakken kan geven in het jachtige bestaan, over de techniek en vooral over het ambacht van het houthakken heeft hij ingedronken. Daar raakt het ook aan zijn dagelijks werk als politicus. ‘Bij het hakken heeft één goed gemikte klap veel meer effect dan een serie ongerichte slagen. Tijdens debatten in de Tweede Kamer is het net zo: met een bozige monoloog bereik je veel minder dan met één rake interruptie.’
Later op de dag, als het gehakte hout is aangegroeid tot een flinke stapel, vertrekken we naar Nol in ’t Bosch, een nabijgelegen uitspanning. Als buiten op het terras koffie en kroketten met brood worden geserveerd, roept Pechtold: ‘Kijk, een buizerd!’ Even verderop tussen de hoge beuken zweeft geruisloos een grote roofvogel voorbij, met een hermelijn in de klauwen.

Kan ik dat amenderen?
Voor Pechtold, die opgroeide in het dorpje Rhoon in de Zuid-Hollandse polder, kwam de liefde voor het bos en het houthakken pas echt met de verhuizing naar Wageningen: de geur van eiken en dennen, het werken in de eigen tuin, de lange wandelingen met vrouw en kindertjes over de Veluwe. Maar misschien, zegt hij, heeft het ook te maken met de herinnering aan zijn ouderlijk huis, waar zijn vader in de herfst en de winter altijd met brandhout in de weer was. ‘Ik zie het nog voor me: de enorme stapels buiten tegen de muur, het haardvuur waar we met z’n allen omheen zaten.’
Ik had mijn vrouw en kinderen meegesleept in dat ongewisse avontuur, en nu was ik leider van een partij op de rand van de afgrond. Ik dacht: waar ben ik in godsnaam aan begonnen?
Ruim een decennium is Alexander Pechtold nu fractieleider van D66. Het begon in chaos, toen de zeskoppige fractie van D66 in juni 2006 onder leiding van Lousewies van der Laan het kabinet met VVD en CDA opblies. Daarmee kwam ook een einde aan het kortstondig ministerschap van Alexander Pechtold, die ruim een jaar eerder Thom de Graaf als minister van Bestuurlijke Vernieuwing was opgevolgd na diens nederlaag in de Eerste Kamer over de gekozen burgemeester. Op aandrang van een paar getrouwen stelde Pechtold zich beschikbaar als lijsttrekker. Nipt won hij de interne verkiezingen van Lousewies van der Laan, maar intussen zakte D66 weg naar nul zetels in de peilingen. Achter de schermen werd er in volle ernst over gesproken de partij op te heffen. Die zomer, vlak voor de verkiezingen, zat Pechtold op een late avond in de tuin, aan wanhoop ten prooi. ‘Ik had een mooie baan als burgemeester in Wageningen opgegeven voor een ministerschap dat ik niet kon afmaken. Ik had mijn vrouw en kinderen meegesleept in dat ongewisse avontuur, en nu was ik leider van een partij op de rand van de afgrond. Ik dacht: waar ben ik in godsnaam aan begonnen?’ Maar bij de verkiezingen in november wist hij toch nog drie zetels voor de poorten van de hel weg te slepen. Op verkiezingsavond zat de nieuwe leider op een hotelkamertje bij Artis naar de uitslagen te kijken toen Hans van Mierlo onaangekondigd binnenstapte. ‘Hij zei: Alexander, je hebt niet drie zetels verloren, je hebt drie zetels gewónnen!’
Al op zijn allereerste dag in de Kamer kwam Pechtold erachter dat hij zich, ondanks het geringe aantal zetels van zijn partij, wel degelijk kon laten gelden in het parlement. ‘We moesten beslissen over het profiel van de nieuwe Kamervoorzitter. Ik heb meteen gevraagd: is dat standaard? Kan ik dat amenderen? Eigenlijk was dat ongebruikelijk, maar ik heb direct een amendement ingediend: dat de nieuwe voorzitter ook op vernieuwing gericht moest zijn. Zelfs het CDA heeft daar toen mee ingestemd, op voorwaarde dat het “vernieuwing gericht op verbetering” zou zijn. Het brandde op mijn lippen om te roepen, “Nee: wij willen vernieuwing gericht op versléchtering!” Maar ik zei tegen mezelf, binnensmonds: “Hou je mond, hou je mond!” En tegen het CDA: “Dank u wel voor de suggestie.” Doordat het amendement werd aangenomen, had ik de gelegenheid de kandidaten te bevragen over hun ideeën over vernieuwing in het parlement. Het was een klein dingetje, maar zo kwam ik erachter dat je aantal zetels niet bepalend hoeft te zijn voor je invloed, als je maar iets te zeggen hebt.’
Dan ruik je meteen de geur van wilde dieren in de Kamer, zoals Hans van Mierlo het noemde.
Inmiddels heeft u uw tiende Algemene Politieke Beschouwingen achter de rug. Denkt u wel eens: daar gáán we weer, moet ik wéér mijn trucje doen?
‘Zo voelt het nooit. Ja, bij Prinsjesdag, waar het enige verschil is dat je elke keer een paar stoeltjes mag opschuiven. Maar het politieke werk blijft volstrekt onvoorspelbaar. Elke zondagavond neem ik de agenda door, maar die gaat in de loop van de week bijna altijd overhoop. En bij debatten als de Algemene Beschouwingen voel ik nog steeds dezelfde spanning als toen ik begon. Je moet continu op je hoede zijn, anders halen ze je meteen onderuit. Dat heeft Emile Roemer de laatste keer ook weer meegemaakt. Hij begon sterk, met een verhaal over de zorg en het eigen risico. Maar toen hij lastige vragen over de bekostiging op een onbewaakt ogenblik “ditjes en datjes” noemde, was hij weg. Dan ruik je meteen de geur van wilde dieren in de Kamer, zoals Hans van Mierlo het noemde. Er is een enorme inspanning voor nodig om zulke uitglijders te voorkomen. Je moet uiterst scherp zijn. Na twee dagen van twaalf uur debatteren heb ik nog altijd op vrijdag een ontregelende hoofdpijn, ook als het goed is gegaan.’
Hoe houdt u dat vol?
‘Door mezelf voor te houden dat het in de politiek niet alleen om het doel gaat, maar dat de weg erheen minstens zo belangrijk is. De politiek is een ambacht. Je moet er een eer in stellen alles zo zorgvuldig mogelijk te doen.’
Stilzwijgen helpt niet
In de Tweede Kamer werpt Pechtold zich al bijna een decennium op als een van de meest consequente bestrijders van Geert Wilders en de PVV, die in hetzelfde jaar als de D66-aanvoerder uit het niets met negen zetels in de Kamer kwam. De confrontatie begon toen Wilders in oktober 2007 bij de regeringsverklaring van het kabinet-Balkenende IV het vuur opende op de dubbele nationaliteit van de kersverse PvdA-staatssecretarissen Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak.
Come on! dacht ik. Toen ben zelf naar de interruptiemicrofoon gegaan om Aboutaleb en Albayrak te verdedigen.
‘Zo’n harde persoonlijke aanval had hij tot dan toe niet gedaan,’ zegt Pechtold. ‘Ik keek om me heen en zag dat alle andere fractievoorzitters bleven zitten, ook die van de coalitiepartijen CDA en ChristenUnie, en zelfs die van hun eigen PvdA. Come on! dacht ik. Toen ben zelf naar de interruptiemicrofoon gegaan om Aboutaleb en Albayrak te verdedigen. Meteen daarna kreeg ik mailtjes van mensen die me bedankten. Toen realiseerde ik me voor het eerst dat ik ook namens die mensen moest spreken: al die Nederlanders die het níét normaal vinden dat de moslims als tweederangs burgers worden weggezet. Van andere partijen kreeg ik de kritiek dat ik Wilders alleen maar groter maakte door met hem in debat te gaan. Maar tien jaar later vind ik dat nog steeds grote larie. Stilzwijgen helpt niet. Dan zwijg je het maatschappelijke geluid dood, terwijl het een weerwoord verdient. Inmiddels ben ik niet meer de enige in de Kamer die Wilders aanpakt, maar ik zal het blijven doen.’
U wint er ook stemmen mee. Ik hoorde dat u er een jaar of wat geleden moe van was telkens weer naar voren te moeten om Wilders tegen te spreken, maar dat een van uw adviseurs toen heeft gezegd: ‘Alexander, dit is je ticket, je gáát ermee door.’
‘Dat mijn kritiek op Wilders wordt gewaardeerd, betekent niet dat het me alleen maar om de kiezersgunst gaat. Er staat veel meer op het spel. Als wat Wilders zegt niet wordt weersproken, gaan mensen denken dat het de waarheid is. En dan zijn we nog veel verder van huis.’
In 2012 bent u voor uw boek ‘Henk, Ingrid en Alexander’ met PVV-stemmers in het land gaan praten. Wat heeft u daarvan geleerd?
‘Dat je niet te makkelijk over mensen moet oordelen. Sindsdien dwing ik mezelf om minder in stereotypen te denken. De PVV-stemmer is niet een boze man van boven de vijftig, zoals de D66-stemmer niet een consultant is uit Amsterdam. Elke zetel van Wilders staat voor zestigduizend mensen. Die moet je serieus nemen. Als ik op pad ben, hoor ik regelmatig iemand “Wilders!” naar me roepen. Van de zomer gebeurde dat zelfs in een dorpje in Normandië. Dan steek ik de straat over en ga ik met zo iemand in gesprek.’
Wat gebeurt er dan?
‘Na een paar minuten bozigheid trekken ze bijna altijd bij. Dan sta ik niet in de stand: I feel your pain, zoals sommige andere politici doen, maar vraag ik door en confronteer ik ze. Dan blijkt in veel gevallen dat ze diep teleurgesteld zijn in de politiek juist omdát ze heel hoge verwachtingen hebben van de overheid. Mensen denken vaak veel redelijker over thema’s als de zorg, de islam, de vluchtelingen of Europa dan je zou verwachten als je alleen maar naar de populisten in Den Haag luistert. Daarom zeg ik: ik blijf de straat oversteken.’
Critici zeggen: Pechtold heeft makkelijk praten, met zijn welvarende leven. Die begrijpt niks van de problemen van gewone mensen.
‘Hoezo? Alsof ik die problemen niet zie, en niet zelf ervaar. Sterker nog: het is mijn dagtaak me op de problemen van mensen te richten en er oplossingen voor te verzinnen. Moet ik zelf een nier nodig hebben om me voor donorregistratie in te zetten? Moet ik zelf in een probleemwijk wonen om te begrijpen dat mensen zich zorgen maken over immigratie? Wat een onzin.’
Juist voor de gemiddelde PVV-kiezer bent u onderdeel van het systeem waar ze zo’n afkeer van hebben.
‘Dat zijn we allemaal in Den Haag.’
Maar u nog meer, als hoogopgeleide sociaal-liberaal.
‘Alsof ik daarmee onderdeel ben van het probleem. Ik probeer het gemakkelijke oordeel bij mezelf terug te dringen, maar ik verwacht van anderen dat ze niet blijven hangen in het gemakzuchtige idee dat alle politici zakkenvullers en leugenaars zijn. Ik leg me daar niet bij neer.’
Op Twitter ging laatst een foto van U en Wilders rond, samen lachend tijdens de Algemene Beschouwingen. Het regende boze reacties. Begrijpt u dat?
‘Mensen denken dan meteen aan de Haagse kaasstolp waar politici allemaal onder één hoedje spelen. Dat is natuurlijk flauwekul. Ik spreek Wilders niet zo vaak, het kost me bij hem wel moeite mens en politiek van elkaar te scheiden. Maar in de wandelgangen gaan we heel normaal met elkaar om. Wilders en ik ondersteunen ook wel eens elkaars moties, laatst nog bij een oproep aan de premier om eindelijk iets te doen met de uitslag van het Oekraïnereferendum. De PvdA heeft als stelregel dat ze geen enkele motie van de PVV ondertekenen. Maar ik zou het absurd vinden als we een goede motie over bijvoorbeeld het dierenwelzijn zouden weigeren te steunen, alleen omdat-ie van de PVV komt. Wat is het alternatief? Dat we met schoenen naar elkaar gaan gooien, zoals in de parlementen van sommige andere landen?’
Politiek is een levenshouding
Vanaf het begin van zijn politieke carrière staat Alexander Pechtold al bekend als behendig debater. Hij is het meest in zijn element in het vuur van het debat, als hij zijn tegenstanders met rake opmerkingen kan ontregelen. Maar als een man van ideologische vergezichten heeft hij zich in al die jaren niet laten gelden. Wat heeft hij nog meer in huis, behalve zijn verzet tegen Wilders en slimme oneliners? Waar staat hij voor, behalve zijn verkiezingsprogramma en een basaal rechtvaardigheidsgevoel?
Een onverwacht inkijkje in zijn drijfveren gaf Pechtold in 2010, toen hij in een gesprek met schrijver Dirk van Weelden in Vrij Nederland vertelde over zijn vader, die enige jaren daarvoor na een slopende ziekte was overleden. Jac Pechtold groeide op in een groot katholiek gezin in Brabant, ontdekte de wijdere wereld in Indië, brak bij terugkeer los van zijn Brabantse achtergrond, studeerde na omzwervingen af als ingenieur, voedde zijn kinderen vrijzinnig op en was mateloos geboeid door Napoleon Bonaparte. Zomaar opeens in dat gesprek zei Alexander Pechtold dat hij zich pas een paar jaar eerder had gerealiseerd dat hij was grootgebracht met de idealen van de Franse Revolutie, ‘met het idee dat het je opdracht was je te ontwikkelen en de wereld zo in te richten dat iedereen dat kon doen’. Het was een typerend inzicht: al doende, reagerend op anderen in het politieke bedrijf, ontdekte Alexander Pechtold als bij toeval waar zijn inspiratiebronnen lagen.
Twee jaar later, weer in Vrij Nederland, kwam er nog zo’n veelzeggende uitspraak. Toen maakte Pechtold een opmerking over progressief Nederland, die eigenlijk ging over hemzelf: ‘Het bestaat uit ideeën, vertegenwoordigd door mensen. En die zijn altijd in beweging.’
Alexander Pechtold: de links-liberaal die altijd in beweging is, en daardoor altijd iets ongrijpbaars houdt. Aan de rand van de Wageningse bossen zegt hij: ‘Ik lees liever biografieën, over mensen en hun keuzes, dan boeken over politieke theorie. Ik vind het bevrijdend om niet telkens naar de boekenkast te hoeven lopen om te kijken wat ik moet vinden. Politiek is voor mij vooral een levenshouding.’
Geen wonder dus dat Pechtold makkelijker op tegenstrijdigheden te betrappen is dan iemand als Kees van der Staaij, de rechtlijnige voorman van de SGP. Wie met Pechtold het bos in gaat, kan een tocht langs kronkelige paden verwachten. Veelgenoemd voorbeeld van zijn wendbaarheid onderweg is bestuurlijke vernieuwing: het onderwerp waar Pechtold tijdens zijn ongelukkige ministerschap verantwoordelijk voor was, en dat hij als partijleider snel in de ijskast zette omdat er na het sneuvelen van de gekozen burgemeester geen electorale eer mee te behalen was. In stilte wist fractiegenoot Gerard Schouw er jaren later wel het correctief referendum doorheen te krijgen. Maar de eerste proeve daarvan, het door Thierry Baudet en Jan Roos afgedwongen referendum over Oekraïne in april van dit jaar, leidde voor D66 tot een flinke deceptie omdat de boze burgers massaal tegen het door Europa én de Democraten gewenste associatieverdrag stemden: precies wat tegenstanders van referenda al hadden voorspeld. Daarover zegt Pechtold nu: ‘Ik was ook niet blij met de uitslag, maar daar kun je ons niet de schuld van geven. Een vader die met zijn zoontje naar voetbal gaat, is ook niet verantwoordelijk voor het gedrag van de hooligans. Het referendum is pas in de jaren tachtig op de agenda gekomen en heeft nooit tot de “kroonjuwelen” van D66 behoord. De PvdA heeft er ook een lage opkomstdrempel van dertig procent ingebouwd. Die had veel hoger moeten zijn. Bovendien is het beste correctieve referendum het referendum dat nooit wordt gehouden: dat als waarschuwing dient om politici beter hun werk te laten doen.’
Ik verf mijn haar niet blond, en ik spring ook niet met opgerolde mouwen op het podium om Justin Trudeau na te doen.
Het Oekraïnereferendum was een van de weinige gelegenheden waarbij Pechtold er maar moeizaam in slaagde zijn boodschap over het voetlicht te krijgen. Al in zijn eerste jaar als fractievoorzitter ontwikkelde hij, met de hulp van zijn spindoctors, een goed gevoel voor de televisiecamera’s. Steeds vaker haalde hij met snedige commentaren op het juiste moment de journaals en de actualiteitenrubrieken. Ook bij de talkshows is hij al jaren niet weg te slaan: de wijnkistjes van Pauw, RTL Late Night en De Wereld Draait Door leveren ruim voldoende aanmaakhout voor de hele winter. Inmiddels wordt Pechtold in media-aandacht aardig naar de kroon gestoken door Jesse Klaver, de coming man van GroenLinks. Maar nog steeds krijgt hij het verwijt wel héél graag voor de camera te verschijnen. Zelf vindt hij het onzin dat hem ijdelheid wordt nagedragen. ‘Ik verf mijn haar niet blond, en ik spring ook niet met opgerolde mouwen op het podium om Justin Trudeau na te doen.’
U komt altijd opdraven als de talkshows bellen.
‘Je hebt geen idee tegen hoeveel verzoeken ik nee zeg.’
Is de aandacht verslavend?
‘Ik vind al die mediaoptredens en al die aandacht op straat eerder een noodzakelijk kwaad. Het houdt nooit op. Nooit. Dat is ongelooflijk vermoeiend. Maar als politicus in deze tijd moet je er wel in meegaan. Als je niet regelmatig in de media komt, besta je niet. Dat is de bottom line: als mensen me niet kennen, kunnen ze ook niet op me stemmen.’

Het ‘gestrande huwelijk’
Maar vorig jaar maart knapte er iets, toen Pechtold ongewild in de roddelpers verscheen: De Telegraaf berichtte opeens dat zijn huwelijk met Froukje Idema in zwaar weer verkeerde. ‘De Pechtolds zouden nog een poging willen doen het gestrande huwelijk vlot te trekken,’ schreef Evert Santegoeds op de Pagina Privé, ‘maar insiders hebben er een hard hoofd in. Zij denken bovendien dat er meer aan de hand was dan alleen de politieke beslommeringen die de heer des huizes steeds meer opslokten…’ In augustus deed Pechtold nog een poging in het vrouwenblad Margriet uit te leggen dat zijn vrouw en hij juist een goede vorm hadden gevonden in hun hectische levens: om en om wonen ze bij de kinderen in Wageningen, de andere helft van de week in Den Haag waar ze allebei werken. Maar het mocht niet baten. Meteen daarna schreef De Telegraaf weer een suggestief stukje: ‘Pechtold heeft zijn trouwring nog om!’
Als je niet regelmatig in de media komt, besta je niet. Dat is de bottom line: als mensen me niet kennen, kunnen ze ook niet op me stemmen.’
Er trekt een schaduw over Pechtolds gezicht als hij eraan terugdenkt. ‘Toen heb ik me voorgenomen niets meer te zeggen over mijn privéleven. Daar ligt de grens. Ook om mijn kinderen te beschermen, want die zijn inmiddels twaalf en dertien, en kijken net als iedereen op internet. Dat vind ik het allermoeilijkste van dit vak. Je moet voortdurend aan verwachtings-management doen. Elke uitspraak, alles wat je doet, kan worden opgepikt en verkeerd worden uitgelegd. De knop kan nooit uit.’
Maar aan een leven in de luwte, hoe verleidelijk het soms ook is, wil Pechtold zich voorlopig nog niet overgeven. Onder zijn leiding boekte D66 sinds het rampjaar 2006 een aanhoudende reeks verkiezingsoverwinningen. Tijdens het huidige kabinet verwierf hij als informele leider van de ‘constructieve oppositie’ voor het eerst weer directe invloed op het regeringsbeleid: bewindslieden als Jeroen Dijsselbloem kwamen op zijn kamer bedelen om steun, omdat de coalitie geen meerderheid heeft in de senaat. De kroon op Pechtolds werk van de afgelopen tien jaar zou deelname zijn aan een nieuw kabinet. Als dat niet lukt, zei hij laatst in Pauw, vertrekt hij als partijleider: ‘Dan moet een ander het maar eens proberen.’
Op het terras van Nol in ’t Bosch bekent Pechtold dat hij die uitspraak zonder groot risico kon doen. Nu er zeker vijf partijen kans maken op vijftien à twintig zetels zijn er straks misschien wel vier partners nodig voor een coalitie. In vrijwel alle combinaties is D66 onmisbaar als de partij van het midden, die sinds de gewonnen Statenverkiezingen ook nog eens beschikt over een flinke fractie in de senaat. ‘Het was dus niet zo’n gewaagde uitspraak,’ grinnikt Pechtold. ‘Ze kunnen nauwelijks meer om D66 heen. Toen ik begon als fractievoorzitter zei Hans van Mierlo: je moet eerst maar eens het ambacht onder de knie krijgen. Toen had ik geen idee wat hij bedoelde. Nu weet ik dat wel.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.