Waar laat je het verhaal van een droom die uitkwam beginnen? Het ligt voor de hand om dat te doen bij succes dat door anderen is gezien. In het geval van striptekenaar Aimée de Jongh (Waalwijk, 1988) is dat haar eerste graphic novel De terugkeer van de wespendief. Dat boek is 2014 gepubliceerd, in zwart-wit, en in 2017 herdrukt: voor het Nederlands taalgebied, dat niet zo graphic novel-minded is in vergelijking met het buitenland, is dat al een opmerkelijke prestatie.

Maar wel logisch, wanneer je dat ontroerende verhaal leest waarin De Jongh vloeiend schakelt tussen het heden en het verleden en zware onderwerpen als zelfmoord en trauma door een vleugje magisch realisme leefbaar weet te houden. Een man ziet hoe een vrouw voor de trein springt, hij staat als verlamd toe te kijken en hij kan dat emotioneel niet aan. Die gebeurtenis voert hem terug naar zijn schooltijd, waar een gepest vriendje om het leven komt en hij besluit te zwijgen over de toedracht. Deze schetsmatige intrige doet geen recht aan de indringende wereld die De Jongh in dat boek emotionerend weet op te roepen. In beelden met summiere tekst.

Een magische stripnaam

De terugkeer van de wespendief verscheen in het Frans vertaald bij Dargaud, zo’n voor niet-Fransen en niet-Belgen vrijwel onneembare vesting, de bakermat van de klassieke avonturenstrip in het ultieme stripland Frankrijk. Opeens is ze nu een Franse auteur. Tegelijkertijd in Nederland en Frankrijk verschijnt nu haar tweede graphic novel, Bloesems in de herfst. Bij haar eerste boek hield ze alles nog in eigen hand, maar nu is het scenario van een ander: Zidrou (pseudoniem van de Belg Benoît Drousie) – een grote naam in de stripwereld.

Kort voor we elkaar spreken in haar zonovergoten Rotterdamse tuin heeft Aimée de Jongh uit Frankrijk proefafdrukken van pagina’s uit haar nieuwe boek ontvangen. Drie in getal, want die afdrukken laten maken is kostbaar, vertelt ze. Ze kijkt er wat beduusd naar, want tot dan toe speelde alles zich voornamelijk in het digitale af. Ze was weliswaar een week naar de in Spanje woonachtige Zidrou gegaan om te brainstormen voor hij het scenario over de liefde tussen twee zestigers zou schrijven. Maar buiten die ontmoeting vond haar arbeid digitaal plaats; ze tekent op een Wacom-tablet en ziet wat haar hand doet op een computerscherm. Dit is de eerste keer dat ze haar nieuwe werk op papier ziet en, in alle bescheidenheid, ze is tevreden.

Aimée de Jongh

Natuurlijk is dit een droom, zegt ze. Zidrou is een magische stripnaam uit haar verleden, de auteur van Tamara en Vlooienbaal, die ze in het (inmiddels opgeheven) blad Robbedoes las. Als tienjarige verslond ze zijn strips en met het vorderen der jaren groeide Zidrou met haar mee; hij ging steeds serieuzer werk maken. ‘Zijn laatste boeken gaan over relaties, zwangerschappen en adopties, het zijn bijna filmscenario’s geworden,’ zegt ze vol bewondering.

Uit de respectvolle toon die ze voor haar co-auteur reserveert, in combinatie met het verhaal in Bloesems in de herfst dat gewijd is aan ouderenliefde en ouderenseks, zou je kunnen opmaken dat Zidrou een behoorlijk bejaarde meneer is. Dat is hij vermoedelijk ook voor Aimée de Jongh. Maar hij is uit het geboortejaar 1962, net als ik, en dat zegt iets moois over de stripwereld die een brug slaat tussen de generaties. Dat laatste stel ik uit de behoefte aan wensdenken, maar eerlijk gezegd ken ik niet veel jongeren en nog veel minder vrouwen die van Europese strips houden.

Bovendien is in Nederland de stripmakerwereld bijna overwegend een mannenbastion. Dus probeer ik tijdens ons gesprek mijn vreugde te temperen dat De Jongh de ene na de andere naam noemt van stripmakers met wie ik ben opgegroeid: Giraud/Moebius, Hermann, Rosinski, Bilal, Christin, Hergé, Franquin, Goscinny en Uderzo, Morris, Salvérius en Cauvin, Lambil. Al die strips van toen kent ze, Blueberry, Comanche, Bernard Prince, Jerry Spring, Jeremiah, Thorgal, om er maar een paar te noemen. En zoveel namen van talenten die daarna kwamen, want de negende kunst is niet leeftijdgebonden. De Jongh zat laatst nog op een festival naast de krasse Hermann, en het stripfenomeen Giraud signeerde vlak voor zijn dood nog een tekstloos stripboek voor haar. Now we’re talking.

De groten neuzen-stijl

Allemaal de schuld van haar ouders, lacht Aimée de Jongh. ‘Het is toch weer die generatie die vanaf de jaren zestig de ballonstrip massaal omarmde. Ze hadden kasten vol strips, met reeksen als Robbedoes, Asterix, Suske en Wiske, Lucky Luke. Op een gegeven ogenblik werd die stripbibliotheek in mijn slaapkamer gezet, dus toen was het hek van de dam. Ik was altijd al aan het tekenen en liet me daarbij inspireren door Disney-films, dus het was een en al Donald Duck en Mickey Mouse. Maar toen ik die strips ging lezen, ging er een wereld open. De verhalen zijn steengoed, de scenaristen zijn sterk en via het blad Robbedoes, waar ik op mijn tiende een abonnement op kreeg, raakte ik nog dieper thuis in de “groten neuzen”-stijl, die Franse en Belgische striptraditie van Asterix en De Smurfen. Omdat ik in Brabant opgroeide, heb ik de meer Randstedelijke striptijdschriften Pep en Eppo overgeslagen. Die Robbedoes-auteurs hebben mij gevormd, ik kende de Nederlandse striptraditie niet.’

‘Het leek mij zo leuk om in De Boss te zitten, tussen die mensjes, en met mappen vol tekeningen naar de redactie te gaan.’

Met opgetrokken wenkbrauwen: ‘Pas door een vriend kwam ik erachter wie Hans G. Kresse en Peter de Wit zijn. Terwijl ik wel wist wie Peyo is en al die Belgen die hier weer bijna niemand kent. Als je het hebt over een droom dan is het meer dat ik het afgelopen jaar naar Franse beurzen ging en omringd werd door de tekenaars van strips die ik in mijn jeugd leerde kennen. Zidrou maakte in de jaren negentig in Robbedoes het stripje De Boss dat over de redactie ging van dat blad, over wat er allemaal op de werkvloer misging – een beetje Guust-achtig. Het leek mij zo leuk om daartussen te zitten, tussen die mensjes, en met mappen vol tekeningen naar de redactie te gaan.’

‘Op de beurs in Angoulême kwam een man naar mij toe die zei: I really love your work. Dat is tof. Hij had mijn werk gezien in een hommage-album voor De Blauwbloezen. Alweer zo’n strip die ik als kind las. Via mijn Franse uitgever mocht ik meedoen aan dat project, ter ere van het zestigste album in die reeks. Ik kreeg zes pagina’s, net als de anderen, en maakte de Blauwbloezen-ministrip De jongen met zijn trommel. Heerlijk werk, ik deed de tekeningen, het scenario en de inkleuring. Nadat die man mij complimenteerde, las ik snel zijn naam op z’n badge en ik wist vervolgens nauwelijks waar ik het moest zoeken. Hij bleek Frédéric Seron te zijn, de tekenaar van Melisande! Dat is een geweldige reeks over een heks, ik verslond die verhalen als kind. Dus ik zei in mijn beste Frans: “U hebt mij zo beïnvloed en dat ik hier nu ben komt onder andere door uw strips.” Van zulke ontmoetingen droomde ik.’

Aimée de Jongh

Wilde je daarom met Zidrou samen een boek maken?

‘Toen De terugkeer van de wespendief in 2015 door Dargaud in vertaling werd uitgebracht, kreeg ik te horen dat ze een uitzondering hadden gemaakt voor mij. Grote uitgevershuizen als Dargaud of Dupuis hebben hun eigen auteurs en hun eigen boeken, het komt bijna niet voor dat ze een vertaling publiceren. Als ze dat al doen, betekent het dat ze van zo iemand nieuwe boeken willen om een eigen lijn van die auteur in hun fonds te hebben. Dus ze zeiden: we vertalen u, maar dan moet u wel een nieuwe graphic novel maken. Goed, zei ik, ik twijfelde daar geen moment over. Toen kwam de vraag of ik zelf het verhaal wilde schrijven of met een scenarist wilde werken. Ik wist dat zij topscenaristen in huis hebben of kunnen krijgen, dus dat was een buitenkans. Ik dacht eerder aan Lewis Trondheim of Fabien Vehlmann, maar zij kwamen direct met Zidrou, van wie ik aannam dat hij te groot was en te druk met ander werk. Maar hij kwam gelijk met een idee over alleenstaande bejaarden die een seksuele relatie met elkaar aangaan en dat vind ik een belangrijk thema, dus zei ik direct ja.’

Ouderenseks is geen onderwerp dat je in de klassieke avonturenstrip snel zult tegenkomen. Wat is het toch met het genre van de graphic novel dat het zo zwaar tilt aan het leven?

‘Dat is inderdaad een enorme scheidslijn. Ga je naar de stripwinkel, dan staan er avonturenstrips, humorstrips én graphic novels over bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog, psychische aandoeningen en zieke moeders. Ze zijn er wel, graphic novels die niet alleen over ellende in het leven gaan, maar ze komen zelden bovendrijven. Misschien omdat zulke strips moeilijker in een hokje zijn te plaatsen. Daarom ben ik ook zo blij dat een positief gestemd boek als Bloesems in de herfst kan verschijnen.’

‘Over seks praat je niet snel met anderen, zeker als tiener niet. Maar ook als volwassene ga ik mijn buurman niet vragen: zeg, hoe was de seks gisteravond? Laat staan dat je daar met je ouders over praat. Als tiener las ik Blankets door Craig Thompson, een dikke graphic novel over een zeventienjarige jongen uit een katholiek milieu. Hij is zo geil als een garnaal en wil seks voor het huwelijk met een meisje. Uiteindelijk lukt dat. Ik las die liefdesroman toen ik zelf die leeftijd had en ik zag door dat boek voor het eerst wat mooie en lieve seks is. Wat ik voor die tijd over seks op de televisie of in videoclips had gezien, was plat en porno. Kort na lezing van Blankets kreeg ik mijn eerste vriendje en had ik in mijn hoofd wat voor seks ik wilde. Het is belangrijk dat in de literatuur en strips getoond wordt hoe seks kán zijn en niet hoe seks móét zijn. Ook op de leeftijd van de twee hoofdpersonen in Bloesems in de herfst hebben mensen het niet openlijk over seks. Je hoeft mensen van in de zestig vast niet uit te leggen hoe dat moet, maar misschien doen we ze door dit boek een plezier door te tonen dat het mag bestaan.’

En daarom staat het oudere liefdespaar bloot op de cover?

‘Zidrou wilde die blote mensen op de cover en op de achterkant en de uitgever vond het geen punt. Zelf maakte ik mij zorgen of het boek daardoor wel in veel landen vertaald kan worden, want niet overal is men gediend van naakt. Vroeger hoefde je je daar niets van aan te trekken, in de tijd dat de strip nog meer een underground-aangelegenheid was. Stripmakers konden doen wat ze willen, heerlijk freaken, blote kale mannen met een groot geslacht laten rondlopen in hun verhalen zoals Richard Corben deed of grappen over de Bijbel maken à la Crumb. Maar we leven nu in andere tijden, dus wanneer je dat doet en je bent niet zo oud en beroemd als beide heren, betaal je daarvoor een prijs.’

De stripwereld is nogal mainstream geworden, dan wordt het een gevecht om je vrijheid te behouden.

‘De stripwereld, zeker in de Verenigde Staten, is nogal mainstream geworden en er gaat veel geld in om, dus wanneer je daarin opereert, krijg je te maken met allemaal regeltjes en overwegingen. Dan wordt het een gevecht om je vrijheid te behouden. Maar bij dit boek was dat niet het moeilijkst om te doen. Ik had een probleem met het tekenen. Ik moest veel moeite doen de juiste leeftijd te vinden voor deze man en vrouw bij het tekenen van hun gezichten en hun lichamen. Zidrou had gezegd dat ze in de zestig zijn en toen ik begon te schetsen, bleken ze te oud voor die leeftijd. Dus ik zocht foto’s op van mensen in de zestig en ging ze natekenen. Zet je een lijntje te veel, dan zijn ze ineens tachtig. Nog een lijntje en ze zijn negentig.’

Inzoomen op een hoofd

Dat is het moment om aan Aimée de Jongh iets voor te leggen: dat voor mij de tekenaar de strip maakt, niet de scenarist. Natuurlijk is het plezierig als een scenarioschrijver zijn vak verstaat, maar hoe rampzalig zijn de reeksen uitgepakt die – zelfs met behoud van dezelfde scenarist – door steeds matiger tekenaars zijn voortgezet. Roodbaard is na de dood van tekenaar Hubinon zo’n gruwelvoorbeeld: even vlamde de serie op toen tekenaar Pellerin meedeed, maar na hem waren de tekeningen weer verbijsterend benedenmaats.

Waarom wordt toch niet vaker het voorbeeld van Kuifje nagevolgd, de strip die na de dood van Hergé nooit is voortgezet?

‘Je staat in de winkel en het eerste dat je ziet, zijn de tekeningen. In een roman moet je eerst wat gaan lezen, je kunt niet meteen zien of het een goed boek is of niet. Maar bij een strip weet je meteen of de tekeningen je aanspreken en daarop baseer ik mijn keuze. Natuurlijk blijft dat een subjectief criterium, gebaseerd op smaak, maar ook kan ik technisch zien of de tekenaar ambitieus is of juist niet. Het is slecht om veel hoofdjes, veel talking heads, te hebben.

‘Perspectief aanbrengen is het moeilijkst om te doen en je ziet dat heel veel tekenaars of te weinig tijd hebben of lui zijn en daarom inzoomen op een hoofd; dan hoeft er niets omheen getekend te worden. Als ik dat meteen al merk bij het bladeren, denk ik: laat maar. Ook ben ikLees ookFokke & Sukke-tekenaar Jean-Marc van Tol:‘Je moet wat je gecreëerd hebt in eigen hand houden.’23 mei 2018allergisch voor te veel tekst in een plaatje: die hele grote ballonnen met te veel tekst en ook nog rechthoekige kadertjes bovenin met tekst. Zoals in Blake en Mortimer, geen favoriet van mij. Je hoeft niet alles via teksten te benoemen en te verklaren, dat kun je visueel tonen door de ogen van je personage uit te lichten. Uit de Japanse mangastrips heb ik de innerlijke strijd van mensen overgenomen, dat wat je niet uitspreekt. En hun blikken onderling. Ik vind de ogen extreem belangrijk. Door zo’n tekening van een hoofd kun je alles al woordeloos zeggen, in je streven de laag onder het masker te laten zien.’

Aimée de Jongh

Dan heb je vermoedelijk ook weinig met de oorspronkelijke Nederlandse tekststrip waarmee het hier allemaal begon, van Marten Toonder, via Pieter Kuhn tot Hans G. Kresse?

‘Ja, Heer Bommel, Kapitein Rob, Eric de Noorman, natuurlijk ken ik dat werk, maar voor mij is de tekststrip een merkwaardige hybride tussen de literatuur en strips. Dat werk vereist een heel andere manier van lezen, je hebt bovenaan de pagina drie plaatjes en daaronder een lap tekst. Dat is meer een prentenboek dan een strip. Niets ten nadele van hen, Marten Toonder was bovendien verre aangetrouwde familie van mij. Maar ik vind juist het lezen via plaatjes zo leuk, doordat er zoveel psychologie bij komt kijken, doordat de leesrichting zo’n rol speelt: je kunt door de tekeningen het oog sturen. Daarom ben ik op de kunstacademie in Rotterdam animatie gaan studeren, film eigenlijk. Dat is een heel goede studie voor striptekenaars, want het gaat over tekenen en verhalen vertellen. Je krijgt modeltekenen, tekenles, kleurenleer, maar ook scenarioleer, karakterontwikkeling en filmtechnieken.’

‘Soms zie je tien pagina’s lang mensen die op een bepaalde manier naar elkaar kijken. Zonder tekst, dat is zo bevrijdend.’

‘Je kunt je afvragen wat strips met tekenfilms te maken hebben, maar het enige verschil is dat het beeld in een film beweegt en in een strip niet. De meeste aspirant-striptekenaars gaan op de kunstacademie illustratie studeren. Ze kunnen beter animatie kiezen, dat is veel nuttiger. Beter tekenen leer je vanzelf en film zit dichter bij de strip dan illustratie. Die studie sloot aan op de manga die ik als tiener al ben gaan lezen en die ik nog steeds lees. Als ik naar een stripwinkel ga, kom ik naar buiten met één Europese strip en twee manga-albums. Manga gaat heel erg over gevoel. Vaak gaan de verhalen over tieners. Soms zie je tien pagina’s lang mensen die op een bepaalde manier naar elkaar kijken, of je ziet iemand beeld voor beeld weglopen. Zonder tekst, dat is zo bevrijdend.’

De kunst om niets in taal te zeggen door alles in beelden uit te drukken, is dat wat je wilt?

‘Dat is het. Net als in de Japanse strip en de Japanse films: de kunst van niets zeggen.’ De Jongh glimlacht. ‘Ze zijn heel goed in niets zeggen. Die filosofie heb ik uit de muziek overgenomen: als je niets hoeft te zeggen, doe het dan ook niet. Werk zo minimaal mogelijk. In de jaren tachtig had je de razend populaire Britse synthesizerpopband Talk Talk. Hun eerste platen waren commercieel uiterst succesvol en toen de miljoenen binnen waren, veranderden ze muzikaal van richting. Hun muziek werd atmosferisch en experimenteel. Bij elk nieuw album werd het vager. De zanger Mark Hollis haakte af en bracht een soloalbum uit, dat niets deed. De fans konden het niet meer volgen, ze liepen weg. Dat album is verstild en akoestisch, je hoort zijn stem, een gitaar en wat percussie. Er zijn nummers waarin hij niet eens zingt, maar mompelt. Dat is de essentie. Hij zei in een interview: als ik twee noten kan spelen, speel ik er geen drie en als ik geen noot hoef te spelen, speel ik die ook niet. Ik wil dat in mijn tekeningen ook, ik hoef ze niet mooi aan te kleden, als ze maar communiceren. Daarom heb ik zoveel pagina’s zonder tekst in mijn boeken.’

Aimée de Jongh

Wat Mark Hollis doet, kan resulteren in verdwijnkunst.

‘Piet Mondriaan begon met landschappen en eindigde met abstract werk. Ik heb mij altijd afgevraagd waarom je als je zo goed een boom kunt schilderen moet volstaan met drie streepjes. Daar ben ik nog niet helemaal uit, maar ik begin het te snappen. Het gaat bij strips wat mij betreft niet om esthetiek, maar om de kunst van het schrappen en communiceren. Maar ik kan ook genieten van heel uitbundige tekeningen met veel details. Het hangt uiteindelijk af van hoe sterk de tekenaar is.’

Je verwijst in Bloesems in de herfst via enkele details onnadrukkelijk naar De terugkeer van de wespendief.

‘Ik teken daarin de twee vogels die steeds terugkeren, uit mijn vorige boek. En ik voer mijn vorige hoofdpersoon, een boekhandelaar, weer op. Hij verkoopt een boek aan mijn nieuwe hoofdpersoon. Dat zijn knipoogjes, alsof die verhalen in een groter universum plaatsvinden dat verder reikt dan de grenzen van dat ene verhaal.’

Bloesem in de herfst (144 p.) van Aimée de Jongh en Zidrou verschijnt op 30 mei bij Blloan.

Fotografie

Casper Kofi@Unit
Styling: Ali Javaid
Haar en makeup: Marsha Calori@EE Agency for MAC Cosmetics, Moroccan Oil