Lange tijd waren warenhuizen de plaatsen van sociale vermenging bij uitstek. Met het afschaffen van de Drie Dwaze Dagen neemt de Bijenkorf definitief afscheid van die rol.
Ooit werd ik voor een achter de schermen-reportage naar de start van de Drie Dwaze Dagen gestuurd. Met het fenomeen had ik geen ervaring. Misschien valt het allemaal wel mee, lachte ik van tevoren.
In joggingbroek en misselijk van het vroege uur meldde ik me op een mistige oktoberochtend om zes uur bij de achteringang van het warenhuis. Het contrast met de fris opgemaakte twintigers in gele T-shirts was confronterend. Er waren verkoopsters met gele panty’s en haarbloemen, er was een overdaad aan boa’s en om de zoveel meter hoorde je iemand ‘toitoitoi’ zeggen. Er was een hooggeplaatste Bijenkorf-man die zijn pak duidelijk bij de goedkope concurrent had gehaald en voor de gelegenheid een gele stropdas had omgedaan. In zijn peptalk volgden de begrippen kanjers, visitekaartje, customer experience, en salestarget elkaar razendsnel op. Op de begane grond knipte een finalist van X-factor een lintje door. Van de als kudde olifanten naderende massa die toen volgde heb ik af en toe nog wel eens nachtmerries. Het viel helemaal niet mee.
Maar toch, nu de Bijenkorf aankondigde ermee op te houden bekruipt me een vreemd gevoel van nostalgie. Niet zozeer om die dolle dagen zelf, want van de jaarlijkse invasie van gele tasjes in het openbaar vervoer wordt niemand echt vrolijk. Maar met het afschaffen van de koopjesjacht, vervolmaakt de Bijenkorf een proces waar ze al veel langer mee bezig zijn. Onlangs was er al die potsierlijke mededeling voortaan alleen nog ‘luxe-pieten’ in te zetten. Met een haast bespottelijke nadrukkelijkheid wil de Bijenkorf geen plek meer voor iedereen zijn.
Je voelde je natuurlijk altijd al een beetje aangerand als je thuiskwam met een kookwekker van 39,99
Niet alleen in Nederland zie je die ontwikkeling overigens. Warenhuizen overal ter wereld hebben het zwaar. Ze gaan failliet, of vertonen zoals Vroom en Dreesmann de laatste stuiptrekkingen. De enige die er wel in slagen te overleven zijn de warenhuizen die zich omvormen tot pronkpaleizen. Definitief neemt het warenhuis afscheid van haar functie als sociale mengplaats.
Terwijl ze daar ooit juist het symbool van werden. Eind negentiende eeuw werd het warenhuis de plek waar winkelen een sociale praktijk werd waaraan iedereen kon en mocht deelnemen. Niet elke bezoeker kon zich de luxeartikelen misschien veroorloven, maar eigenaars deden wel hun best een zo breed mogelijk publiek aan te spreken. Winkelen moest een ervaring worden, waarbij het kopen én het flaneren – het zien en gezien worden – hand in hand gingen. Voor het eerst mocht je de winkel zomaar binnenlopen, zelfs zonder de specifieke belofte iets te zullen kopen. Met grootscheepse campagnes op straat en beeldschone etalages werd bij uitstek ook de gewone man, en vooral vrouw, gelokt.
Natuurlijk, de Bijenkorf was er altijd al voor wat je veel goedkoper ergens anders kon halen. En je voelde je natuurlijk altijd al een beetje aangerand als je thuiskwam met een kookwekker van 39,95. Maar het was wel de plek waar iedereen kwam. En precies daar waren de dwaze dagen het symbool van: het streven van warenhuizen iedereen naar binnen te lokken. Om één keer per jaar de deuren nog net iets wijder open te zetten. Het was dan wel een elitair warenhuis, maar wel dat van ons allemaal.

Heel slim, noemde een retaildeskundige de beslissing van de Bijenkorf. ‘De Drie Doldwaze Dagen trok het publiek dat ze eigenlijk niet wilden hebben.’ Misschien ga ik binnenkort voor de laatste keer nog eens kijken naar de gele boa’s. Voordat ook ik niet meer naar binnen mag.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.