Het is onbewezen dat Shakespeare hasj rookte, en we weten ook niet waarom hij geniaal was. In zijn speurtocht naar antwoorden op de vraag hoe te leven ontdekt Sander Pleij dat mensen graag een verklaring willen hebben, zo ook voor het genie van Shakespeare.

Jolig kondigde iemand op Radio 1 aan dat er cannabisresten zijn gevonden in de tuin van Shakespeare, ‘de Britse schrijfgrootheid.’ Grote kans dat die stoned had geschreven. Het nieuws werd becommentarieerd door een SP-Kamerlid dat memoreerde hoe Hamlet en Ophelia last van geesten en gekte hadden, door een deskundige van de Jellinek die de inspirerende werking van cannabis relativeerde en door schrijver Jan Siebelink die het item aftopte met de opmerking dat dit hem niet verbaasde en dat hij het niet veroordeelde.

De subtekst: misschien kwam zijn genialiteit wel door het blowen, en is cannabis toch niet zo slecht.

Het nieuws over het vermeende cannabisgebruik van Shakespeare haalde hier te lande ook onder meer De Telegraaf, de Spits en de Metro. Net als in honderdduizenden buitenlandse tweets, blogs, Facebookposts en berichten op nieuwswebsites bleef hangen dat Shakespeare hééft geblowd.

Maar dat is gelul.

De Zuid-Afrikaanse antropoloog Francis Thackeray presenteerde het zogenaamd nieuwe onderzoek in een Zuid-Afrikaans vakblad en een eigen artikel in The Independent. Maar hij schreef er in 2001 ook al over. Met een ook bij de recherche gebruikte chemische techniek waarmee residuen van drugs worden aangetoond, had hij (in 2001 dus) de resten van gekleide pijpen uit onder meer ‘de tuin’ van Shakespeare bestudeerd – geen enkel bewijs dat ze van Shakespeare waren en niet van een passerende boerenzoon een halve eeuw later. In pijpen uit de wijde omgeving werden sporen van cocaïne, nicotine en cannabis aangetroffen. En in de vier afkomstig van Shakespeares land alleen cannabis.

Nieuw is wat Thackeray nu heeft gedaan. Hij schrijft: ‘literary analysis and chemical science can be mutual benificial’ (met andere woorden: als je met het een niet rondkomt, kun je grasduinen bij het andere.)

Daarom komt hij met nieuw onderzoek in de vorm van een vaag verhaal over een man in een boek over tabak die Shakespeare zou zijn, hoewel dat volgens Thackery ‘by no means certain’ is. En hij noemt sonnet 76: dat zou gaan over cannabis, want Shakespeare heeft het er over ‘invention in a noted weed.’

Maar: weed, dat is toch straattaal van nu? Was het dat toen ook al? Straattaal verandert toch continu?

Er blijkt geen enkele enkele aanwijzing dat in Shakespeares tijd cannabis al weed werd genoemd. Vooraanstaand Shakespeare-onderzoeker James Shapiro zegt ook dat weeds slaat op kleding en dat deze regel gaat over ‘dressing-up language.’ Ook hij gelooft er niks van.

Conclusie: geloof niet te snel een gemakkelijke en lekker gebrachte verklaring voor genialiteit.