In plaats van het onzichtbaar maken en stilzwijgen van armoede, is het geen idee om het onderdeel te maken van ons decor van de samenleving?

De zon scheen en ik zat op een terras, zuigend op het koekje bij de koffie, de Apple gloeiend wit, te schrijven over armoede. Over hoe de daklozenopvang buiten het centrum van de stad wordt geplaatst, hoe de gemeente bankjes op straat opbreekt zodat je er niet op kunt liggen en over de NS-conducteur die oproept om vooral geen geld te geven aan de Roemeense jongens die zakdoekjes met bedelbriefjes proberen te verkopen, omdat je dan bijdraagt aan ‘dit probleem’. Dit stuk over weggeschoven armoede zal verschijnen in het tijdschrift Quiet 500, een alternatief voor de jaarlijks gevierde rijkdom in de Quote 500.

Een vrouw met een blauw oog ging met uitgestoken hand de terrastafels langs. Ze wilde geld voor de nachtopvang en sprak over haar dochter. De tekst op mijn laptopscherm was in de zon nauwelijks te lezen, maar staarde me toch fel aan: ‘Gij gebruikt andermans ellende als onderwerp, gij zult betalen.’

Ik haalde een briefje van twintig uit mijn portemonnee.

Via haar dochter vroeg ze wat nodig was. Het was via mijn laptop dat ik haar geld gaf. Het is slechts dankzij het geven van geld dat ik hier over haar vertel. In dit alles is haar vraag verdwenen. De directe noodzaak blijft stil – quiet nummer zoveel.

Illustratie: Elise van Iterson

In 2012 bezocht tekenaar Jan Rothuizen een Syrisch vluchtelingenkamp in Noord-Irak. Hij tekende het leven daar in priegellijnen: de provisorisch opgezette winkeltjes, de plek waar alleenstaande mannen liggen (gemarkeerd als SINGLES). De plattegrond is als ‘Refugee Republic’ op internet te vinden. Je kunt er uren dolen, achter je cursor aan. Leed dat niet terugkijkt, is te behappen.

Dat toonde ook kunstenaar Dries Verhoeven onlangs met zijn Songs for Thomas Piketty. Hij zette gettoblasters met een bedelbandje in het centrum van Utrecht en Rotterdam. Wie langsliep, hoorde: ‘Kunt u misschien wat kleingeld missen?’ Veel mensen bleven staan kijken, sommigen lieten euro’s achter. Een gettoblaster loop je niet voorbij, een bedelaar kijk je liever niet aan.

In 1818 richtte Johannes van den Bosch in het Drentse Veenhuizen de Maatschappij van Weldadigheid op. Het begon als een nobel project: armen uit de stad werden naar de provincie gebracht en daar van werk en een huisje voorzien. Al gauw liep de boel uit de hand. De kolonie raakte overvol en povere hygiëne leidde tot ziekte-uitbraak.

Het ideaal van Van den Bosch zou nu prima verbeterd kunnen worden uitgevoerd. Met de huidige middelen kunnen we een werkkamp creëren dat luxe is als een spa resort. Bovendien geloven we nog altijd in het institutioneel isoleren van problemen, want gehandicapten, bejaarden en asielzoekers belanden ook in tehuizen en detentiecentra. Het verschil met deze ‘problemen’ is dat we geloven dat elke armoedzaaier rijk kan worden door hem aan rijkdom bloot te stellen, terwijl het 21ste chromosoom van iemand met Down niet tot normaal formaat krimpt wanneer je hem tussen ‘gezonde’ mensen plaatst.

In Veenhuizen is momenteel het theaterspektakel Het Pauperparadijs te zien. Een rauwe geschiedenis op zoete muziek (‘Durf te dromen!’). Kostuums en decors zijn zo ontworpen dat hun constructie blootligt. De hoeden van hoge heren hebben geen deksel en de officiersjas is slechts een schort. Achter de rug loopt een gesp die je zo losklikt, om lompen te onthullen. Het maakbaarheidsideaal van Johannes van den Bosch wordt voortdurend zichtbaar gemaakt. Goed of fout, niets gaat vanzelf.

In plaats van ons te omringen met dingen die vragen vermommen, zouden we wellicht een expliciete omgeving moeten creëren. Een portemonnee die even uitgebreid informeert als de tekeningen van Rothuizen en luid is als de gettoblasters van Verhoeven. In het dagelijks leven heet ons kostuum kleding en decor omgeving. Zouden we geen moreel kompas kunnen maken van de dingen die we bezitten? Het ‘made in’-label is geen detail, maar vormt de kern van wat bestaat.