In oude kinderboeken, bijvoorbeeld over Nederlands-Indië, staat de domme, kinderlijke inlander vaak tegenover de volwassen, slimme en superieure blanke. Hoe heeft dat ons denken beïnvloed?

Wie afgelopen week de documentaire Wit is ook een kleur van Sunny Bergman gezien heeft, herinnert zich ongetwijfeld de scène met de kinderen en de babypoppen. Het experiment: geef een kind een bruine en een witte pop, en vraag welke pop de baas is over de ander. Eén kind gaf een verrassend wijs antwoord: ‘Niemand is de baas over de ander, we zijn allemaal de baas over onszelf.’ Alle andere kinderen wezen de witte pop als de baas aan. Niet alleen was dat een schok voor de ouders die de reactie van hun kind terugkeken, maar ook voor de kijker: hoe kunnen deze kinderen nu al zo denken? Of, zoals antiracismewetenschapper Philomena Essed in de documentaire zegt: hoe kunnen zij nu al zoveel kennis hebben van de sociale werkelijkheid?

Een deel van het antwoord wordt eerder in de documentaire al gegeven, als Sunny het boek Pippi Langkous in Taka-Tuka-Land aan haar stiefvader laat zien. In het verhaal spoelt Pippi’s vader aan op Taka-Tuka-Land en wordt daar de negerkoning. Daarmee leren kinderen een belangrijke les: blanken kunnen zomaar de baas worden over zwarte mensen. ‘Ik ben er niet zo mee bezig geweest hoe jij daar een bevooroordeelde indruk van kreeg van hoe zwarte mensen zijn en doen’, vertelt haar stiefvader voor de camera. Waarop Sunny zegt: ‘Maar ook hoe witte mensen zijn. Dat zij automatisch de baas worden als ze ergens aanspoelen.’

Het kan goed zijn dat jij als kind ook bent voorgelezen uit een boek waarin de blanke als superieur gepresenteerd werd. Want lang niet alle kinderboeken zijn zo onschuldig als ze lijken. Kijk maar naar de vele oude kinderboeken die over Nederlands-Indië gaan, waar ik mijn scriptie over geschreven heb. Deze drie voorbeelden laten goed zien hoe op het oog onschuldige kinderboeken leren dat de blanke Nederlander superieur is.

De kinderlijke inheemse

Een ‘mooi’ voorbeeld is deze passage, uit het boek De Katjangs van J.B. Schuil. Dit boek verscheen in 1912, maar heeft vele herdrukken gehad en kreeg een vervolg dat in de jaren vijftig nog gedrukt werd. Het verhaal, waarvan de titel overigens weinig subtiel ‘de pinda’s’ betekent, gaat over de broers Tom en Thijs. Zij wonen met hun ouders in Nederlands-Indië, maar krijgen op een zekere dag te horen dat zij voor hun opleiding terug moeten naar Nederland. Om die reden gaan zij nog even langs bij het echtpaar Van Gogh, een Indisch echtpaar, om afscheid te nemen.

‘Hoewel Van Gogh de Hollandse taal allermerkwaardigst radbraakte [vreemd uitsprak] en – zoals hun vader zei – “zo zwart was als ’n laars”, hadden Tom en Thijs geen groter vrienden op heel Pontianak dan meneer en mevrouw Van Gogh. (…)

Zodra de jongens het erf opkwamen, liep Van Gogh op hen toe.
“Allo, kom in, kom in, en pak stoel en neem zit!” riep hij erg luidruchtig.
De jongens gingen zitten en Van Gogh ging door:
“Wah, jammer, ja, jij weggaat naar dat Gollan! Jij nou niet meer jaag en vis met mij, ja?”
De heer Van Gogh sprak beide jongens altijd met “jij” aan omdat “jullie” hem te moeilijk was.’

Dit fragment lijkt vanwege de vriendelijke toon misschien iets onschuldigs te hebben, maar schijn bedriegt. Het eerste deel van de passage bevat een vorm van ‘racisme in vermomming’. Nugah Shrestha schreef hier al eerder over toen een bekende tegen hem zei dat hij ‘zelden zo’n vriendelijk bruin gekleurd persoon had gesproken’. Normaal gesproken moest hij niets hebben van Nederlanders met een migratie-achtergrond, maar Nugah bleek toch een ‘goeie’ te zijn. Net zoals Tom en Thijs: eigenlijk zijn ze niet bevriend met mensen die ‘zo zwart als ’n laars’ zijn, maar het echtpaar Van Gogh vormt een uitzondering.

De broers Tom en Thijs, rechts in korte broek en blouse, met link drie Indische jongens.

Vervolgens wordt meneer Van Gogh als een kinderlijk figuur gepresenteerd, die de Nederlandse taal niet beter beheerst dan een kleuter. Niet alleen kan hij geen volzinnen zinnen, hij heeft ook nog eens een vreemd accent, praat erg luidruchtig en is te dom voor het gebruik van ‘jullie’.

Tegenover deze domme, kinderlijke inlander staat de volwassen, slimme en superieure blanke. Dit is wat literatuurwetenschapper Edward Said heeft aangeduid met ‘oriëntalisme’: door ‘het Oosten’ neer te zetten als een exotische, maar ook een domme en achterlijke plek, kwam het Westen vanzelfsprekend als superieur en rationeel uit de bus. Niet alleen ontleende het Westen haar zelfbeeld daaraan, maar ook de legitimiteit om kolonies of ‘de Ander’, zoals Said dat noemde, toe te eigenen.

De lelijke inheemse

Een ander voorbeeld is het boek Johans Avontuur (vierde druk, 1922) van Melita van Java, de alias van de Nederlandse Nicolina Maria Sloot. Dit verhaal gaat over de negenjarige Johan, een Nederlands jongetje dat met zijn ouders in Indië woont. Hij is jaloers op de Javaanse kinderen: zij hoeven niet naar school en mogen de hele dag halfnaakt rondlopen. Dat ziet Johan ook wel zitten. Als hij aan zijn bedienden vertelt dat hij liever Javaan wil zijn, zeggen zij tegen het jongetje: ‘Als u Javaan was, zou u heel andere ouders hebben. Geen mooie njonja (dame).’ Dit opent Johans ogen: ‘Dat vond hij toch al te kras: zijn mooie, bleeke mama en zoo’n bruine lelijke vrouw, dat verschil was te groot.’ Verderop benadrukt een van de bediendes nog maar even: ‘Een blanke is toch veel meer waard dan een Javaan?’

Johan met zijn twee bedienden.

Welke boodschap kregen kinderen mee als ze dit verhaal voorgelezen kregen? Dat het normaal is dat een negenjarig kind eigen bediendes heeft? Dat de Javaanse manier van leven misschien wel heel aantrekkelijk is, maar eigenlijk te simpel? Of dat een blanke nou eenmaal een stuk knapper én meer waard is dan een Javaan? De strekking is hetzelfde: de Nederlander is op alle fronten superieur aan de Javaan.

De ongelovige inheemse

Het derde en laatste voorbeeld komt uit het boek Het zeerooversjongetje, dat in 1921 geschreven werd door Marie van Zeggelen en tot ver in de jaren vijftig herdrukt werd. Het verhaal gaat over Bo, een inheems jongetje dat samen met de kinderen uit zijn dorp geroofd wordt. De ontvoerde kinderen worden meegenomen naar een dorp waar ook een Nederlands gezin woont. De blanke man, in het verhaal steevast ‘Vader’ genoemd, loopt rond in een wit pak, waardoor hij goed afsteekt bij de ontblote, gekleurde dorpelingen. Hij leert hen uit het ‘Groote Boek’, oftewel de Bijbel. Als de islamitische Bo een paar lessen van Vader heeft gehad en kennis heeft gemaakt met de Bijbel, zegt hij dat hij ‘opeens een mensch’ geworden is.

De mensenhandelaar met mes, op de achtergrond Vader in zijn witte pak.

Dit verhaal is ronduit paternalistisch. De blanke man wordt aangesproken met Vader, waarmee de dorpelingen automatisch gepresenteerd worden als zijn kinderen. Zij worden onderwezen uit de Bijbel, die de kinderlijke naam het ‘Groote Boek’ krijgt, net als het boek van Sinterklaas. Pas als Bo kennis gemaakt heeft met het christendom en daarmee afscheid neemt van zijn oude geloof, wordt hij als een volwaardig mens gepresenteerd.

De inheemse bevolking is in dit verhaal kinderlijk en barbaars, want mensen- en zelfs kinderroof is daar nog aan de orde van de dag. Bovendien hangen zij niet het juiste geloof aan. Tegen deze achtergrond komt de Nederlander wederom als superieur naar voren: hij is met zijn witte pak letterlijk verlicht en is daar om – heel nobel – de dorpelingen op te voeden.

Dezelfde boodschap

Nu kun je zeggen: deze drie kinderboeken zijn oud en worden nu niet meer voorgelezen. Klopt, maar dit zijn wel de boeken waar je vroeger misschien wel uit bent voorgelezen, of die je ouders voorgelezen kregen bij het slapen gaan. Blader eens door de boeken in je boekenkast, of die jij of je ouders nog op zolder bewaren, oude Kuifjes, Suskes en Wiskes, vergeelde kinderboeken. En vraag je eens af: hoe worden wit en zwart hierin gerepresenteerd, en hoe heeft dat ons denken eigenlijk beïnvloed?

Het fragment uit De Katjans en de bijbehorende analyse is afkomstig uit ‘Het leven van teksten. Een inleiding tot de literatuurwetenschap’ van professor Kiene Brillenburg Wurth.