Interview SGP-fractieleider Bas van der Vlies

De avond vóór het zomerreces was voor Bas van der Vlies een avond om snel te vergeten. Niet voor het eerst sloeg de SGP-fractieleider gade hoe de Tweede Kamer er een stortvloed van moties doorheen joeg en zo een van haar wapens ontkrachtte. De tijd dat een minister nog sidderde bij zo’n Kameruitspraak over zijn beleid is allang voorbij. Bij sommige Kamerleden sloeg de meligheid toe. Voor het oog van de camera maakten ze er een vrolijke boel van, waarmee hun werkzaamheden eerder een speeltje voor de late avond leken dan een zaak van landsbelang.

Van der Vlies: ‘Sommige Kamerleden kunnen zich in woordkeuze of verschijning potsierlijk gedragen, een beetje jolig. Dan vraag ik me af hoe burgers ons werk nog serieus kunnen nemen. De Kamer spreekt doorgaans over wezenlijke dingen, ethisch zwaar geladen of met financiële gevolgen. Kwesties die mensen direct kunnen raken. Als dan een sfeer ontstaat van gegniffel, dan denk ik, hoe komt dat over?’

Het debat, vorige week, waarin Geert Wilders minister Vogelaar ‘knettergek’ noemde, is voor Van der Vlies’ een ander dieptepunt. Het parlement moet in aanzien staan om gezagvol te kunnen opereren. Het moet zich daarom verre houden van het spraakgebruik van straatvechters. Van der Vlies: ‘Al direct sloeg de vlam in de pan en ging een aantal collega’s mijns inziens in de fout met taalgebruik dat niet de benaming parlementair verdient. Ik weet zeker dat een aantal gebezigde krachttermen en betitelingen een jaar of wat geleden nog buiten de orde waren verklaard en verwezen naar het parlementaire lijkenregister. Juist deze bewoordingen zijn uitvergroot in de media terechtgekomen. Ik betwijfel of we onszelf als parlement daarmee een dienst bewijzen. Je kunt wel zeggen dat je alles moet kunnen zeggen, maar ik denk dat de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk als het erop aankomt van Kamerleden andere taal verwacht. Juist instellingen die zich zorgvuldig en beheerst uitdrukken, scoren dikwijls het hoogst in onderzoeken naar het vertrouwen bij de burgers.’

Staatkundige zuiverheid

Van der Vlies (65), lid sinds 1981, is de nestor van het parlement. Door de jaren heen heeft hij een reputatie opgebouwd als bewaker van de integriteit van de Tweede Kamer in het verkeer met de regering. Hij zit op het vinkentouw als ministers het parlement niet in zijn waarde laten, of wanneer de Kamer zelf haar taak als controleur van de macht verwaarloost.

Aan het begin van het parlementaire jaar signaleert Van der Vlies opnieuw een verontrustend gebrek aan onafhankelijkheid van de coalitiefracties CDA, PvdA en ChristenUnie tegenover het nieuwe kabinet. De uitspraak van CDA-fractieleider Van Geel dat premier Balkenende zijn ‘baas’ is, weerspiegelt een onderhorige attitude die meer Kamerleden van de coalitie aannemen.

Dat is een hardnekkig verschijnsel bij partijen die aan de macht komen. Bevangen door de angst die positie kwijt te raken, plooit zo’n partij zich naar het streven naar machtsbehoud, duldt van de eigen mensen weinig of geen tegenspraak, verlangt gehoorzaamheid aan de leiding en onderscheidt in de buitenwereld nog slechts vrienden of vijanden. Het gevolg is dat de tegenstelling in de Nederlandse politiek niet zozeer die tussen de regering en de volksvertegenwoordiging is, zoals het hoort in een dualistisch bestel, maar tussen coalitie en oppositie.

Van der Vlies: ‘Het zit kennelijk in ons systeem ingebakken. Na alle mooie woorden en goede voornemens zie je dat de regerende partijen toch weer de neiging tot disciplinering in eigen kring vertonen. Nogal wat coalities, ook deze weer, steunen op een nipte meerderheid, wat de fracties van die coalities schichtig maakt voor Kamerleden die buitenboord hangen. Een voorbeeld is het zelf opgelegde taboe in de coalitie op een onderzoek naar de Nederlandse steun aan de inval in Irak. En als je een groot aantal CDA’ers in het hart zou kunnen kijken, denk ik dat zij grote moeite met de pardonregeling voor uitgeprocedeerde asielzoekers hebben.’

Krakkemikkig

Voor een keer ten goede moet de Kamer in de eerste plaats naar haar eigen functioneren kijken, meent Van der Vlies. ‘Alleen een Kamer met gezag zal bij de burgers vertrouwen wekken dat zij haar werk goed doet. We hebben nu géén gezaghebbend parlement, vrees ik. Het zou een eer voor de Kamer moeten zijn om de kiezers het beeld te geven van volksvertegenwoordigers die staan voor hun zaak, weten wat ze doen en zich ook goed verantwoorden. En dat met gezag doen. Een Kamer die krakkemikkig opereert, slaat een kloof met de kiezers. Zij geeft het kabinet bovendien argumenten zijn steun ergens anders te werven, bij de Sociaal Economische Raad of de Stichting van de Arbeid. Durf als Kamerlid maar eens nee te zeggen tegen een dichtgetimmerd akkoord met de SER. Toch hoort het zo niet. Voor een kabinet zou het enige mandaat een stem van een Kamermeerderheid moeten zijn.’

De Kamer kan volgens Van der Vlies veel winnen bij een herstel van haar gezag. ‘Dat begint met de selectie van kandidaat-Kamerleden die doorgronden wat de functie van volksvertegenwoordiger inhoudt. Op pleidooien voor de staatsrechtelijk zuivere lijn reageren sommige praktisch ingestelde Kamerleden met opmerkingen als: “Doe niet zo muggezifterig, wat is dat voor letterknechterij?” Terwijl de werkwijze van het parlement in de historie gestolde wijsheid is, met waarborgen voor een zuiver opereren van macht en tegenmacht. Wij, Kamerleden, zijn deze wijsheid diep respect verschuldigd. Staatsrecht is veelal ongeschreven, levend recht, maar de grondstructuren zijn beproefd. Die moet je respecteren.’

Het herstelproces kan volgens Van der Vlies beginnen met de vraag of de hausse aan spoeddebatten nu wel zo verstandig is. ‘Laten we stoppen met spoeddebatten waarvan de uitkomst van tevoren vaststaat. Over de misstanden in de thuis- en jeugdzorg, bijvoorbeeld. Iedereen die bestuurlijk Nederland kent, weet dat de aanpak van dat probleem enige tijd vergt. Het is niet meer dan een vertoon van machteloosheid om dan elke veertien dagen de katheder te beklimmen voor een spoeddebat. De burgers zien dan een Kamerlid dat fel uithaalt en een minister die sputtert, maar de emotie wel deelt. En verder gebeurt er in hun beleving niks. Dat ontkracht het wapen van het spoeddebat. Een show voor de bühne. Ik pleit niet voor apathie, wel voor het kiezen van de goede momenten. Een Kamerlid heeft de verantwoordelijkheid zijn wapens scherp te houden.’