Hij mag dan dik in de tachtig zijn, Jan Timmer heeft nog niks verloren van zijn bulldozerachtige uitstraling. De oud-Philips-topman betrad gisteren de zaal van de parlementaire enquête naar het Fyra-debacle alsof hij nog steeds leiding gaf aan zijn roemruchte Operatie Centurion. Met die reorganisatie redde hij in de jaren negentig de noodlijdende elektronicareus uit Eindhoven.

Timmer was echter naar Den Haag afgereisd als voormalig voorzitter van de Raad van Commissarissen van de NS. En hij trok onmiddellijk van leer tegen de ‘mode-onderwerpen’ als liberalisering en privatisering waar de spoorwegen in de jaren negentig mee werden geconfronteerd. Door de Paarse kabinetten onder Wim Kok afgekeken van Margareth Thatcher in Engeland maar totaal ongeschikt voor Nederland, zo vond Timmer: ‘Net als water en stroom is vervoer zo belangrijk voor de economie dat het niet aan de markt kan worden overgelaten.’

Ja, we hoorden het goed. Deze voormalige captain of industry keerde zich tegen de neoliberale ideologie alsof hij tot het gestaalde kader van de SP hoorde. Timmer bleek niet te stoppen. Het doordrukken van deze ideeën was ‘de moeder van alle kwaad’. Als dat niet was gebeurd – en in het geval van de NS de hoge snelheidslijn niet commercieel was aanbesteed – was ons ‘een ongelooflijke hoop ellende bespaard gebleven’.

En Timmer stond niet alleen in zijn visie, zei hij. In de Raad van Commissarissen had de Philipsbaas ook andere grootheden uit het Nederlandse bedrijfsleven van die dagen om zich heen verzameld: Jan Kalff van ABN Amro, Aad Jacobs van ING en Pieter Bouw van KLM. En allemaal waren ze het roerend met hem eens geweest.

Het waren krasse woorden van de oud-topman. Maar waarom hebben we die in de jaren negentig niet gehoord? Als de toppers in het bedrijfsleven in de jaren negentig openlijk het liberaliseringsbeleid van Paars hadden ondergraven, zou dat dan geen verschil hebben uitgemaakt? Dan zou ons om met Timmer te spreken wellicht ‘een ongelooflijke hoop ellende bespaard’ zijn gebleven. Maar in werkelijkheid holde bijna iedereen in die dagen achter de heersende ideologie aan. En de enkele critici werden weggezet als gekkies. Achteraf is het altijd heel makkelijk om goed te zijn geweest in de oorlog.