26-01-2008
Door Pieter van Os
Voor vrijemarktideologen kan de staat niet klein genoeg. Maar nu de kampioenen van het kapitalisme op zwart zaad zitten en de beurzen instorten, komen overheidscenten goed van pas.
Voor de vrijemarktideologen waar het op Wall Street en in de Londense ‘City’ van wemelt, is het vernederend. Grote banken als Citigroup, Merrill Lynch en Morgan Stanley, kampioenen van het kapitalisme, blijven overeind dankzij buitenlandse overheden. In Peking is zelfs een westerse premier op de knieën gegaan. Gordon Brown vroeg daar, nee, smeekte, of de CIC (de China Investment Corporation) haar miljarden niet alleen in Amerikaanse banken wil stoppen, maar ook in Engelse bedrijven en financiële instellingen.
Daardoor is de merkwaardige situatie ontstaan dat een Brit die ooit als ambtenaar werkte voor het nationale elektriciteitsbedrijf en daarna werknemer werd van een commerciële handelaar in stroom, binnenkort mogelijk weer de winsten van een overheid genereert. Maar dit keer van de Chinese overheid.
De CIC is vorig jaar opgericht door de Chinese overheid. Het staatsfonds kreeg tweehonderd van de vijftienhonderd miljard dollar aan buitenlandse deviezen, om mee te speculeren in het buitenland. China heeft van alle landen de dikste bankrekening. Om de binnenlandse inflatie binnen de perken te houden en de dollar niet te snel te laten dalen, zette China dat geld jarenlang om in Amerikaanse staatsobligaties. Maar nu die in vrij snel tempo in waarde dalen, gaat China met een deel van het geld de boer op. Een van CIC’s investeringen is in Morgan Stanley. Voor een zachte prijs kreeg het een belang in de Amerikaanse bank, die de centen hard nodig heeft om de miljardenverliezen als gevolg van de kredietcrisis aan te zuiveren.
Nog even het denkexperiment: in Engeland is uit naam van efficiëntie en economische vrijheid zelfs de reclassering geprivatiseerd. Als het aan Brown ligt, kan de CIC een belang kopen in een Brits reclasseringsbedrijf. Het volgen van ex-gedetineerden zal daarna zo efficiënt mogelijk moeten verlopen om geld te genereren voor de Chinese staat.
Dit kan niet de bedoeling zijn geweest van de golf privatiseringen die landen als Engeland in de afgelopen decennia heeft overspoeld. Ook op Wall Street leefde de gedachte: hoe minder overheid, hoe beter. Nu staan de zaken er anders voor. Jim Cramer, een stoer pratende Amerikaanse beursanalist met een eigen programma op de zender CNBC, schreeuwde afgelopen week in de camera: ‘Willen we onze banken aan de communisten geven of aan de terroristen? Ach, mij maakt het niet uit! We zijn wanhopig genoeg!’
Liberalisering van de kapitaalmarkt heeft inderdaad vreemde gasten rond de tafel gebracht. Maar zolang de olieprijzen hoog blijven en Amerika er voor kiest om bestedingen verder op te voeren, zullen Amerikaanse consumenten de staatsfondsen in Azië blijven spekken. De ‘shot in the arm’ van Bush – opnieuw een belastingverlaging – zal de koopverslaafde Amerikaan bepaald niet naar de afkickkliniek jagen.
De belangrijkste troostende gedachte verliest zijn glans snel: China zal op eigen grondgebied westerse spelregels overnemen als het Westen het laat meespelen in het vrije spel van vraag en aanbod. Dat blijkt steeds naïever. Waarom zou China? Het gaat het land voor de wind. Je moet wel heel erg in de vrije markt geloven als je deze theorie van eenzijdige ontwapening wilt volhouden.
In kringen van geopolitieke denkers wordt al langer tandenknarsend gesproken over de ‘idealisten’ van de vrije markt. Ze hadden de Amerikanen een blinddoek omgeknoopt, beweerde Paul Kennedy, de beroemde Britse auteur van The Rise and Fall of the Great Powers, drie jaar geleden al. ‘Al die blasé laisser faire-economen denken altijd dat iedereen wint. Wees toch reëel: wij kopen massaal Chinees plastic, magnetrons en dvd-spelers. China koopt met de opbrengst een groot deel van onze staatsschuld. Als je niet ziet dat dit een verschuiving betekent van de machtsbalans, ben je gek. Sorry, anders kan ik het niet zeggen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.