Het Centraal Planbureau krijgt weer eens bakken kritiek om haar onbetrouwbare economische ramingen. Maar feitelijk zijn het de politici zelf die selectief in de berekeningen willen blijven shoppen.

En wéér krijgt het ooit zo vermaarde Centraal Planbureau een enorme optater. Of beter gezegd, dat gebeurde afgelopen week maar liefst twee keer. Eerst bleek vrijdag uit een rondgang van NRC dat vrijwel alle politieke partijen het vertrouwen kwijt zijn geraakt in de Haagse rekenmeesters. Aanleiding was het moeizame debat over de lastenverlichting van 5 miljard, waarin het CPB met haar schijnbaar exacte banenberekeningen een hoofdrol was gaan spelen. En gisteren publiceerde het discussieforum Me Judice een vernietigende enquête onder topeconomen over de waarde van economische modellen zoals het CPB die hanteert. Vier op de tien economen noemt het voorspellen van de toekomst aan de hand van de macro-economische modellen voor de langere termijn een ‘zinloze exercitie’ en ruim dertig procent vindt de invloed van het CPB op het regeringsbeleid te groot.

Heel verrast zullen ze in het sobere pand aan de Van der Stolkweg niet zijn over deze storm aan kritiek. Toen ik daar jaren geleden – de crisis was nog niet zo lang maar toch al wel hevig aan het woeden – samen met oud-collega Maurits Martijn was voor een interview met de toenmalige directeur Coen Teulings, viel ons oog op een strip van de familie Doorzon die aan de muur hing. Twee mannen zaten in een café te somberen over de crisis. Boven de tekening stond: ‘Er is één troost, het CPB zit er altijd naast.’ Aan zelfkritiek geen gebrek, bleek vervolgens ook uit de wonderbaarlijke openhartigheid van Teulings bij het interview. We confronteerden hem met al zijn foute voorspellingen over de economische groei uit de afgelopen periode en zetten ons schrap voor een felle defensieve reactie. Maar wie schetste onze verbazing? ‘Wij zijn slecht in voorspellen,’ gaf de hofrekenmeester grif toe. Zijn verklaring: ‘Economie voorspellen is net zoiets als het weer voorspellen. Het weer lukt nog wel voor een paar dagen, daarna wordt het heel moeilijk.’ Een van zijn andere mooie oneliners uit het gesprek: ‘Het maken van economisch beleid is als varen in de mist.’

Het CPB kreeg in die tijd niet alleen veel kritiek op haar ramingen te verstouwen. Ook toen al spuiden fractievoorzitters van veel partijen regelmatig hun gal over de in hun ogen hoge mate van onbetrouwbaarheid van de doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s. Meteen na haar aantreden kondigde Teulings opvolger Laura van Geest aan als instituut ‘een stapje terug’ te doen en de verkiezingsprogramma’s ‘minder op detailniveau’ langs de economische meetlat te leggen.

Haar bescheiden opstelling mocht niet baten. CDA-Fractieleider Sybrand van Haersma Buma dreigde afgelopen vrijdag in NRC zelfs bij het komende verkiezingsprogramma te zullen bedanken voor een doorrekening van het CPB. Ook SP en SGP denken erover het rekeninstituut links te laten liggen.

Het zijn waarschijnlijk loze dreigementen. De partijen zullen immers door hun opponenten worden uitgemaakt voor angsthazen, omdat de uitkomsten van het rekeninstituut hen misschien wel onwelgevallig zijn. Dat verwijt is niet eens onterecht. De realiteit is namelijk dat de ware vooringenomenheid bij de politieke partijen zelf zit, in plaats van bij het CPB. Zolang de fracties zelf naar hartenlust selectief blijven shoppen in de berekeningen om zich daar bij hun politieke keuzes achter te kunnen verschuilen, houden ze zichzelf en elkaar in die houdgreep.