Toen Jean-Paul Sartre in de jaren zestig dreigde gearresteerd te worden, was het president de Gaulle die de magistraten duidelijk maakte dat men een Voltaire niet arresteerde. Paul Cliteur vindt de westerse cultuur superieur en beroept zich op Voltaire om dat te kunnen vinden. Hij vindt ook dat Pim Fortuyn postuum de (niet-bestaande) Voltaireprijs moet krijgen omdat hij zei wat hij dacht. Burgemeester Job Cohen van Amsterdam begon zijn toespraak op de avond van de moord op zijn tegenvoeter Theo van Gogh met te herinneren aan de uitspraak van Voltaire dat hij het met talloze meningen niet eens kan zijn, maar dat hij ervoor zal strijden dat men ze kan uiten. Toen de Franse filosoof Alain Finkielkraut onlangs werd beschuldigd van rassenhaat vanwege zijn uitspraken in Haaretz trad zijn vriend Pascal Bruckner voor hem in het krijt: het is alsof men een Voltaire voor het tribunaal van de onverdraagzame anti-racisten sleept!

Voltaire, de Franse filosoof met de scherpste pen van de achttiende eeuw en de eerste moderne intellectueel, wordt al enige tijd intensief gebruikt en misbruikt. De ondertitel van de wat oppervlakkige maar wel onderhoudende nieuwe biografie van Roger Pearson Voltaire Almighty, A Life in Pursuit of Freedom, is zo ruim dat je met Voltaire alle kanten op schijnt te kunnen, als het maar in de richting van het oceanische begrip ‘vrijheid’ is. Dat is niet zo. Je kunt van Voltaire omwille van ‘de vrijheid’ geen atheïst maken. Ook al bestreed hij zijn hele leven ongenadig het katholicisme en het christendom in het algemeen, een God moest er wat hem betreft zijn (als hij er niet was, moest hij uitgevonden worden).

Wel kun je je goed voorstellen dat Voltaire een scherp bestrijder van de fundamentalistische of radicale islam zou zijn geweest. De radicale en onverzoenlijke islam van nu was in de achttiende eeuw het door Voltaire bestreden puriteinse en strenge jansenisme, dat zich op elke belangrijke religieuze en politieke plaats in de maatschappij had genesteld, tot in de regering. Het fanatisme dat de jansenisten (de jezuïeten waren soepeler) in samenwerking met de politie en de censuur aan de dag legden in het signaleren van ketterse ideeën leidde ertoe dat Voltaire zich dertig jaar niet vrij in Frankrijk kon bewegen en evenveel jaren Parijs niet zag.

Toen het de Pruisische koning Frederik de Grote eindelijk was gelukt om Voltaire in 1750 naar zijn hof in Berlijn te lokken, werd er dan ook geschiedenis geschreven. Een in zijn eigen land vanwege zijn kritische en satirische stem persona non grata verklaarde toneelschrijver en filosoof werd als een held ingehaald door een van de belangrijkste vorsten van het toenmalige Europa. Voor iedereen die het wilde zien werd duidelijk hoe ancien het regime in Frankrijk was. Frederik had al in 1736 contact gezocht met Voltaire. Hij was toen nog geen koning, maar wel al een ontwikkeld en artistiek aangelegd man die het niet beneden zijn waardigheid vond zich te beschouwen als Voltaires leerling (zoals later ook Catharina de Grote van Rusland). Hij was een hartstochtelijk lezer, geïnteresseerd in literatuur en wetenschap, speelde fluit, danste verdienstelijk, schreef beschouwingen en gedichten en speelde toneel (zoals in Oidipus van Voltaire). In zijn eerste brief aan Voltaire vroeg hij om een exemplaar van het toneelstuk waarin Voltaire zich vrolijk maakte over de christelijke heldenstatus van Jeanne d’Arc – een voorbeeld van Frederiks jeugdige verlichte geest; hij moest al vroeg niet veel hebben van bijgeloof en door Rome opgewekte heiligenverering.

Een van de onderhoudende dingen die Voltaire in zijn hoedanigheid van ‘hofraad’ deed, was het voorlezen van een toneelstuk dat hij in 1741 had geschreven en dat in Lille met veel succes was opgevoerd, maar dat in Parijs na de première meteen werd verboden omdat de jansenisten goed hadden begrepen dat het kritiek was op de diensten die de kerk verleende aan de politiek van onderdrukking: De profeet Mahomet of het fanatisme. In het holst van de nacht van zijn bed gelicht, kreeg Voltaire de keus: het stuk afblazen of de Bastille in. In aanwezigheid van zijn geliefde Madame du Châtelet koos hij maar voor afblazen. In de Bastille had hij al eens elf maanden gezeten. Het stuk zou pas weer worden opgevoerd in 1752.

Zoals de titel al zegt: dit was een stuk tegen het fanatisme. Mahomet (Ottomaans voor Mohammed) laat Zopire, de oude, wijze en gematigde gouverneur van Mekka, vermoorden omdat hij hem in de weg zit in zijn opmars naar volledige Arabische dominantie. Ook al goot Voltaire zijn kritiek in de vorm van een omweg in een toneelstuk over de profeet Mahomet, het ging hem vooral om de onverdraagzaamheid en oorlogzuchtigheid van de katholieke kerk, en om de corruptie van de priesterkaste. Als ze wilden konden natuurlijk ook alle andere fanatiek eenkennige godsdiensten zich aangesproken voelen.

Mahomet is een toneelstuk geworden dat, net als De koopman van Venetië van Shakespeare, de Europese cultuurgeschiedenis een terugkerende pain in the neck bezorgt. Zolang er strak georganiseerde godsdiensten bestaan die andere geloven of heidenen verketteren, zal het stuk actueel blijven en dus aanstoot geven. Die despotische godsdiensten willen deze spiegel niet voorgehouden krijgen. Zoals bleek in 1993/4 toen men in Genève de driehonderdste geboortedag (1694) van Voltaire wilde gaan vieren met een opvoering van Mahomet in de regie van Hervé Loichemol. Maandenlang werd er gediscussieerd. De imam van de Geneefse moskee Hafid Ouardi sprak de tegenstrijdige woorden: ‘Wij accepteren de meningsvrijheid, maar we verlangen respect.’ Vooral virulent waren de protesten uit de kring rond de nu als bemiddelaar tussen de islam en het Westen bekend staande Tariq Ramadan (na te lezen in het boek Frère Tariq van Caroline Fourest, 2004). De protesteerders hadden succes, want de Groene wethouder van cultuur Alain Vaissade vond de opvoering uiteindelijk niet geschikt zo midden in de oorlog rond Bosnië en in een kanton met een grote minderheid van moslims.

Deze geschiedenis zou zich begin december 2005 in Genève hebben herhaald als de verantwoordelijken dit keer niet hun poot stijf hadden gehouden. Als omlijsting van Nathan de Wijze, het klassieke toneelstuk over tolerantie van Lessing, wilde Hervé Loichemol dit keer Mahomet in de vorm van losse scènes laten voorlezen. Dezelfde protesten. Weer moest er op gewezen worden dat het stuk (zoals Voltaire zelf schrijft) niet speciaal tegen de islam is gericht, maar tegen alle fanatieke godsdiensten en speciaal de historische jansenisten. Men besloot de première in ieder geval politiebewaking te geven. Dat heeft geholpen, want er gingen volgens de Neue Zürcher Zeitung maar zes vuilcontainers in vlammen op en één auto.

In Voltaire Almighty schrijft Roger Pearson dat Voltaire natuurlijk niet helemaal fair was tegenover de profeet Mohammed. Die had nooit zo’n moord laten plegen; integendeel hij had als vader van de islam juist waardigheid en morele discipline gebracht waar verwarring en bijgeloof heersten. De moslimwereld had bovendien glorieus bijgedragen aan de beschaving, zoals Voltaire zelf in 1756 erkende toen hij de eerste aanzet tot een cultuurgeschiedenis van de wereld schreef met zijn Essai sur les moeurs.

Wat niet wegneemt dat Mahomet ondertussen zijn profetische actualiteit behoudt: de jeugdige en idealistische Séïde in het stuk wordt door Mahomet en zijn handlangers zo bewerkt dat hij een willige moordenaar wordt, zoals nu jonge moslims tot zelfmoordterroristen worden gemaakt: ‘Wie voor zichzelf durft te denken is niet geboren om in mij te geloven’ en ‘Zwijgende gehoorzaamheid zal je weg naar de glorie zijn’ krijgt hij te horen.

Op Voltaire komt men ook steeds uit in het debat over universalisme en cultuurrelativisme, over kosmopolitisme en provincialisme, globalisering en regionalisering, door Alain Finkielkraut ook wel samengevat tot: dé cultuur of mijn cultuur. Voltaire was een universalist, wat niet betekende dat hij de cultuur van landen of gebieden stiefmoederlijker bekeek. Boven die nationale of regionale culturen bevond zich een universele cultuur, waarin alle mensen gelijk zijn. De grote gelijkheid van de mensen is grotendeels terug te vinden in de declaratie van de mensenrechten en -plichten, waarvan de inhoud en omschrijving in de achttiende eeuw ontstond. In het hoofdstuk ‘De la tolérance universelle’ van Traité sur la Tolérance neemt Voltaire een hoog standpunt in wanneer antwoordt op zijn eigen vraag: wat? Zijn alle mensen broeders? Ik een broer van een Turk, een Chinees, een jood, een Siamees? Ja, antwoordt hij, zonder enige twijfel, want we zijn allemaal kinderen van dezelfde vader, creaturen van dezelfde God.

Vanuit dit hoge standpunt heeft iedereen recht op een dak boven zijn hoofd, is moorden strafbaar, is iedereen gelijk voor de wet, mag iedereen zeggen wat hij wil binnen de grenzen van de wet. Ook met de scheiding van kerk en staat, hoe ingewikkeld in de praktijk ook, moet niet gesjoemeld worden. Deze universalia verdragen geen nationale of regionale cultuur, geen ‘cultuurrelativisme’. Wanneer de universalia worden gerespecteerd, zorgt de nationale of regionale cultuur voor zichzelf. Het afblazen van de opvoering van Mahomet door de Groene wethouder in Genève in 1994 staat model voor wat de hedendaagse erfgenamen van het Voltairiaanse universalisme beschouwen als een knieval voor het cultuurrelativisme: voor de onverdraagzaamheid van een godsdienst, in dit geval radicale moslims. De moord op Theo van Gogh en de bedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali zijn het waanzinnige uiterste van deze onverdraagzaamheid.

Voltaire was in vele opzichten de personificatie van de achttiende-eeuwse Verlichting. Dat is vooral het gevolg van de onvermijdelijke beeldvorming, ontstaan door zijn strijd voor het vrije woord en door de nadruk te leggen op zijn verzet tegen de kerk en het ancien régime. Er is wel beweerd dat de Franse Revolutie de schuld van Voltaire en Rousseau is geweest (‘C’est la faut à Voltaire, c’est la faut à Rousseau’), maar Voltaire was helemaal geen progressieve denker. De Verlichting van de geesten en de ideeën die heilzaam zouden zijn voor een volk en een samenleving kwamen wat hem betreft niet van onderen, maar van boven, van de verlichte elite: bij hen moest het beginnen. Vandaar dat hij zijn vriendschap met de verlicht-absolutistische vorsten Frederik en Catharina de Grote zo op prijs stelde.

Het altijd aan de verlichting toegeschreven optimisme was Voltaire ook vreemd, en niet alleen na de somber stemmende aardbeving van Lissabon in 1755. Als we alleen afhankelijk zouden zijn van het kwaad van dit soort natuurlijke rampen, dan viel het nog wel mee, schreef hij. Veel verontrustender is de onuitroeibare neiging tot kwaad in mensen zelf. Voltaire maakt daar in Candide satirisch gebruik van door (met ‘duivelse vrolijkheid’ volgens Mme de Staël) alle denkbare rampen te laten plaatshebben en toch te laten zeggen dat we in de beste van alle werelden leven. Maar hij ging in zijn pessimisme niet zo ver als Pascal, die zag volgens Voltaire voortdurend een afgrond naast zijn stoel. Bovendien was Voltaire zijn hele leven (hij werd vierentachtig) een en al energie, ondanks zijn lichamelijke kwalen. Hij had niet voor niets in zijn lange gedicht ‘Le mondain’ geschreven dat het paradijs niet in de hemel gezocht moet worden, maar daar waar je zelf bent (‘Le paradis terrestre est oú je suis’).

Voltaire was geen verlichtingsfundamentalist, zoals later Robespierre die de Rede tijdens het hoogtepunt van zijn terreurbewind uitriep tot het Opperwezen. De hardnekkigheid waarmee Voltaire met een lachend gezicht het gezag tartte is wel als zijn eigen fanatisme beschouwd. Voltaire was veel te goed gestemd voor fanatisme. Hij had er ook geen reden toe. Hij was vrij jong een rijk man, en uiteindelijk een van de tien rijkste mensen van Frankrijk. Hij was goed op de hoogte van de hiërarchische verhoudingen, maar als het erop aankwam, weigerde zijn zintuig voor gezag dienst. Hij volgde zijn artistieke intuïtie en bleek daarmee aanstoot te geven.

Voltaire wist alles van enthousiasme, toewijding, gedrevenheid, en opoffering, maar van de radicale vormen hiervan (hysterie, bezetenheid, martelaarschap, fanatisme) moest hij niets hebben. Het was geen fanatisme, maar uithoudingsvermogen en hardnekkigheid waarmee hij belangeloos de zaak-Calas tot een goed einde bracht, de zaak waarin een vader ten onrechte werd beticht van de moord op zijn zoon. Ook vele andere zaken won hij door vasthoudendheid.

De Engelse filosoof John Gray, schrijver van onder meer Strohonden, laat geen gelegenheid voorbij gaan om af te geven op de verlichting. Het vooruitgangsgeloof van de Verlichting heeft rechtstreeks geleid tot het communisme, fascisme, nationaal-socialisme, het neo-liberalisme en neo-conservatisme. Ze geloofden of geloven allemaal in een betere wereld. Ze zijn allemaal moderne christenen die op Verlossing uit zijn. Voltaire wordt enigszins gespaard door Gray, maar alleen omdat hij niet zo optimistisch was gestemd. Voor de rest: ‘Van het gigantische oeuvre zijn alleen de Filosofische vertellingen zonder moeite te lezen.’ Zijn filosofie zou gedateerd zijn, zijn bijdrage aan het Europese denken is te verwaarlozen, schrijft Gray in zijn kleine monografie over Voltaire.

Het valt niet te ontkennen dat heel veel van Voltaires werk ons niets meer zegt. Het was bedoeld voor de tijd zelf en heeft daarin een ongekend inspirerende rol gespeeld, zoals Robert Darnton schrijft in zijn boek over de verboden boeken in de tweede helft van de achtiende eeuw. Er werd veel Voltaire onder de toonbak verkocht. Ook al staat er weinig echt originele filosofie in, zijn Filosofisch woordenboek was niet voor niets een geliefd boek van Nietzsche: het is oneerbiedig, bevat een schat aan concrete voorbeelden en is luchtig en diepzinnig geschreven. Zijn brieven uit Engeland in Lettres philosophiques zijn ook nog steeds goed leesbaar, en zeker het grote laatste deel van het boek waarin hij de grondeloze ‘gedachten’ van Pascal becommentarieert en fileert. Het is een voorbeeld van een confrontatie tussen twee geesten en twee werelden. Er zijn, afgezien van Mahomet, ook nog toneelstukken die ten onrechte niet meer gespeeld worden.

Maar, als er dan ten onrechte nog zo weinig van Voltaire te lezen zou zijn, dan zijn er nog altijd Candide, de Traité sur la tolérance en de twintigduizend brieven aan zijn vriend d’Alembert, aan de encyclopedist Diderot, aan dokter Tronchin, aan geliefden als Mme de Châtelet, aan Frederik de Grote, aan Catharina de Grote en vele anderen. Ze zijn huiselijk van toon, vilein, belangstellend, bezorgd, diepgravend, verleidelijk, geestig, attent en serieus. Daar moet nodig een bloemlezing in het Nederlands uit gemaakt worden. Voltaire vatte het schrijven van brieven niet licht op, ook daar maakte hij altijd iets van. Goethe (die in 1802 Mahomet in het Duits vertaalde) had het goed begrepen toen hij zich tegen Eckerman liet ontvallen: ‘Eigenlijk is alles goed wat zo’n groot talent als Voltaire schrijft.’

‘Voltaire Almighty’ door Roger Pearson. Bloomsbury, importeur Penguin Nederland, € 33,50. Verschijnt in maart in vertaling bij De Bezige Bij. Deze week verschijnt ‘Voltaire en de republiek’, Teksten van Voltaire over Holland (Uitgeverij Atlas)