Bij het ministerie van Defensie zijn ze dol op filmpjes maken. Over zichzelf en vooral met zichzelf. Ineens kijk je naar twee ambtelijke leidinggevenden die elkaar ‘spontaan’ bellen, of staat pardoes een hoge militair plechtig naast het bureau van een ongemakkelijk kijkende secretaresse die de opdracht krijgt een mailtje rond te sturen met een Belangrijke Boodschap. Terwijl de geur van muf tapijt en automatenkoffie je via het beeldscherm tegemoet komt, overheerst vooral de vraag: ‘waarom?’.
Gelukkig is daar de minister van Defensie Ank Bijleveld om ons de weg door de YouTube-stream over de herinrichting van de governance heen te wijzen. Het veertig minuten durende filmpje is samen te vatten in een zin: sinds 2021 zijn zes veteranenorganisaties samengevoegd tot één loket, het Nederlands Veteraneninstituut. Hiermee mag Nederland zich met haar veteranenzorg ‘tot de besten ter wereld’ rekenen, aldus Bijleveld.
Op papier allemaal goed geregeld
Duidelijkheid voor veteranen is tenslotte hard nodig. Een week na de onthulling van het nieuwe centrale Veteraneninstituut tikte de Nationale ombudsman Reinier van Zutphen – zoals gebruikelijk middels een groot interview in een dagblad – Defensie op de vingers omdat schadeprocedures onnodig traag, lang en stroperig zijn.
Herkenbaar, vindt landmachtveteraan Ken van Geijlswijk, die in zijn podcast Kinnebak geregeld veteranen uitgebreid hun verhaal laat doen: ‘Defensie mag wel wat rapper deals sluiten, die onnodig lange procedures kosten tijd en doen mentaal ook wat met je. Veteranen voelen zich dan een tweederangs burger, niet gewaardeerd voor de inzet en de offers die zij en hun familie hebben gemaakt. En ondertussen heeft men wel de mond vol over nazorg en thuisfront.’
Toch is het in Nederland in ieder geval op papier allemaal goed geregeld. Militair advocaat Vincent Dolderman wijst erop dat Defensie de schuldvraag als werkgever niet ter discussie stelt: ‘Als jij je meldt met problemen en vast komt te staan dat deze oorzaak hebben in de uitzending, dan gaat Defensie niet soebatten. Er wordt dan in overleg schade vastgesteld.’ Is voor veteranen ook zonder advocaat of raadsman duidelijk waar ze kunnen aankloppen? ‘De processen zijn heel ingewikkeld,’ geeft Dolderman toe.
De constatering van de ombudsman is niet nieuw. Sterker nog, voor de goede verstaander waren de afgelopen weken een herhaling van zetten. In 2016 verhaalde De Groene Amsterdammer al over de ‘grote papierzooi’ waar veteranen in verzanden. Toen liet de ombudsman ook op vermanende toon weten dat het departement veel te snel in een juridische reflex schiet. Net zoals nu waren militair advocaten ontstemd. ‘De minister staat bijna met tranen in haar ogen te vertellen hoeveel respect ze heeft voor de veteraan, ondertussen wordt hij door haar eigen departement keihard aangevallen in de rechtszaal’, vertelde advocaat Geert-Jan Knoops destijds.
Den Haag reageerde in 2016 op vrijwel identieke wijze: er werd bestuurskundig wat gehusseld met een ‘reorganisatie van de bestuursstaf’ en er kwam een centraal punt: het Veteranenloket. Ook mochten we niet vergeten hoe goed wij het ondanks alle horrorverhalen voor elkaar hebben: ‘Nederland loopt op dit moment echt voorop met het invullen en vormgeven van zijn veteranenzorg. Sterker nog, de Amerikanen komen nu bij ons vragen hoe het precies georganiseerd is’, bezwoer toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert de Tweede Kamer.
Lappendeken aan potjes
Ondanks een Veteranenloket en daarbovenop een centraal instituut moet je maar net weten waar je moet zijn. ‘Er is binnen de operationele compagnieën vaak wel een ‘lief en leed’-pot, maar daar zit natuurlijk geen tienduizend euro in. Dan heb je ook nog potjes bij de Onderofficiersvereniging, de Commandostichting, Stichting Fondswerving en -beheer Commandogemeenschap – en dat is alleen maar in Roosendaal’, weet Ray Klaassens, oud-commando en momenteel directeur van Triangular Group, een opleidingsinstituut voor de veiligheidssector, te vertellen. ‘Binnen Defensie bestaan voor diverse doeleinden financiële middelen en potjes, en die zitten soms verstopt. Niet bewust, maar dat is door de jaren heen nou eenmaal zo gegroeid. Als je dan ooit in aanmerking wilt komen voor een budget, dan moet je de weg wel een beetje kennen.’
‘Al veertig jaar worden er VN-missies gedraaid, maar dat lijkt wel vergeten. Herdenkingen, veteranendagen, alles is zo vastgeroest’
Een belangrijke behoefte onder veteranen is vooral minder bureaucratie. Het zijn volgens militair advocaat Michael Ruperti de gevallen die buiten de bureaucratische aanvinkhokjes vallen die het lastig krijgen: ‘Dan rijd ik ‘s avonds naar iemand toe al bellend met de burgemeester voor opvang want in de avond is alles dicht. Of dan hoor je dat iemand aan het doordraaien is maar wel thuis zit met kleine kinderen, daar moet je dan acuut tijdelijke opvang voor regelen.’ Volgens hem kopen veteranen weinig voor een verhaal over ‘herinrichting van governance’. Van Geijlswijk: ‘Als een veteraan acuut hulp nodig heeft moet hij eerst door een papiermolen, dat is echt kwetsend’.
Maatwerk blijkt lastig, en dus pakken militairen dat zelf maar op. Militairen noemen dat ZHKH: zelfhulp, kameradenhulp. ‘Je hebt elkaar niet alleen voor en tijdens de missie nodig, maar ook daarna,’ zegt Van Geijlswijk. Het gaat hier niet altijd per se om de extreme gevallen, maar vaak om kleine gebaren vanuit de gemeenschap.
Zo is er onder veteranen van het Korps Commandotroepen in Roosendaal een kleine grassroots organisatie ontstaan: Commando & Family Support. ‘We hebben elke vijf jaar een reünie en we werden bij die in 2017 geconfronteerd met meer persoonlijk leed-verhalen, ernstiger dan in de tijd dat we er zelf zaten’, vertelt oud-commando Klaassens.
Alcoholmisbruik, gebroken gezinnen, PTSS, van alles kwam voorbij. ‘Dat was mogelijk een gevolg van de uitzenddruk in de Irak, Afghanistan en Mali. We besloten daar voor deze kleine gemeenschap iets te betekenen. Voor, met en door commando’s ten tijde van Uruzgan.’
Het merendeel van de zorgvragen zijn op te lossen via het sociale netwerk, en niet zelden door pro-actief iets te organiseren. Klaassens: ‘Één van de maten heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, maar hij werkt nog steeds binnen de organisatie. Hij is daarmee goed opgevangen door Defensie, maar toch wordt er dan binnen ons netwerk iets extra’s voor hem gedaan: hij wordt bijvoorbeeld meegenomen naar de schietbaan of hij gaat mee met een helivlucht.’ Verder springt de stichting financieel bij zodat een gezin een weekend naar de Efteling kan, een fiets kan worden aangeschaft of een collega dichtbij zijn net geopereerde zoontje kan verblijven doordat ze de overnachtingen vergoeden. Het zijn volgens Klaassens ‘kleine beetjes, maar zo veelbetekenend’.
takes one, to know one
Een oplettend sociaal netwerk is noodzakelijk, zeker bij veteranen. Militairen trekken zelf immers niet direct aan de bel. Zogeheten ‘nazorgformulieren’ worden niet altijd ingevuld en veteranen vinden vaak dat ze het ‘zelf moeten kunnen oplossen’. Daarnaast krijgt niet iedereen direct na uitzending klachten, of worden bestaande klachten niet altijd direct aan een uitzending van jaren geleden gekoppeld. ‘Na de zoektocht naar Anne Faber is er een veteranen search-team opgezet. Destijds konden binnen vier uur tachtig veteranen met prikstokken klaarstaan. Dat is nu een club van zestienhonderd veteranen geworden die samenkomen en al pratend wisselen ze verhalen en ervaringen uit,’ aldus advocaat Ruperti.
Afgelopen zomer trok de Rijksoverheid haar handen af van veteranenhuizen waardoor deze nu aangewezen zijn op financiering vanuit de gemeente. Onder meer in Heerlen en Amsterdam besloot de lokale overheid afgelopen zomer bij te springen, maar niet elk veteranenhuis had dat geluk. ‘We konden voorheen met de verkoop van koffie, patat, gehaktballen en pelletkorrels de huur gas en licht betalen, maar dat kunnen we nu niet,’ vertelde Bart Nanninga van het lokale veteranenhuis in Winschoten aan de lokale pers. Nanninga moest door de coronacrisis de deuren van het veteranenhuis sluiten en verloor hierdoor inkomsten. Niet met hulp van de gemeente, maar door een fundraising en een coulante huurbaas overleefde hij de eerste lockdown.
Dit terwijl het voor veteranen belangrijk is hun verhaal te doen. Niet alleen aan elkaar, maar ook zeker aan de buitenwereld. ‘Bij 75 jaar vrijheid gaat het over herkennen en erkennen maar vooral voor de oude garde. Al veertig jaar worden er VN-missies gedraaid, maar dat lijkt wel vergeten. Herdenkingen, veteranendagen, alles is zo vastgeroest’, ziet marine-veteraan Amy van Son: ‘Dan komt er een of andere hoge officier buiten dienst een praatje houden over Indonesië of Korea, en daar sta je dan als jonge veteraan aan een statafel met een schaaltje bitterballen’. Met haar project Helmen Vol Verhalen koppelt ze jonge veteranen aan kunstenaars om hun verhaal uit te drukken in beeld en is ze actief online via diverse platforms.
Want daar roert de nieuwe generatie veteranen zich: online. ‘We zijn echt bezig als veteranen om te emanciperen. Meer spreken zich uit en doen hun verhaal, dat is zo belangrijk. We zijn niet zielig, en echt, ik hou van Defensie maar shit moet gewoon veranderen,’ concludeert podcastmaker Van Geijlswijk.
Juist vanuit Defensie verwachten militairen serieus genomen te worden. Van Son ziet het vaak misgaan omdat veel veteranen door burgermedewerkers worden begeleid: ‘Dan wordt loopbaanbegeleiding bijvoorbeeld uitbesteed aan een re-integratiebedrijf, en daar zit je dan als militair tegenover een burger die echt geen idee heeft. It takes one to know one. Je zou eigenlijk willen dat militairen hun weg terugvinden naar de organisatie zodat ze die vertaalslag kunnen maken.’
De meerwaarde van veteranen binnen Defensie ligt naast het begeleiden van militairen ook in het opvullen van capaciteitsgebrek. Zo rekruteert Klaassens momenteel veteranen met specifieke kennis die de capaciteitstekorten bij Defensie kunnen opvullen. ‘Je kunt een spijkerbroek (burger, red.) rekruteren en dat duurt dan een jaar of drie voordat deze een waardevolle instructeur is voor de organisatie. Ook zien we vaak ingewikkelde reservisten-constructies, terwijl het eenvoudiger is om simpelweg de restwaarde aan militaire kennis van veteranen terug te brengen in de Defensie-organisatie’, stelt Klaassens. De nieuwe generatie zelfbewuste veteranen weet elkaar ook te vinden op professioneel vlak. ‘Er ontstaan allerlei initiatieven onder veteranen,’ ziet ook militair advocaat Ruperti.
‘Veel afbeeldingen, weinig onderbouwing’
Ondertussen zijn ze in Den Haag vooral druk met infographics. De jaarlijkse Veteranennota staat er bol van. Evenals Motivaction-peilingen over ‘perceptie onder Nederlanders’ over veteranen, plaatjes van medailles en een voorwoord waarin minister Bijleveld laat weten druk te zijn met de Defensienota 2035. Het veteranenbeleid moet blijkbaar niet al te concreet worden.
Dat minister Bijleveld meer op heeft met infographics dan grafieken betekent overigens niet dat er geen onderzoek onder veteranen wordt gedaan.
Het viel de ombudsman ook op, die de minister ontstemd liet weten het te moeten doen met ‘een summiere Veteranen nota; [met] veel afbeeldingen maar weinig onderbouwing of uitleg’. Bijzonder, aangezien de verantwoording naar de Kamer het belangrijkste onderdeel is in de Veteranenwet uit 2012. Hierin staat immers opgenomen dat de overheid voor veteranen een ‘speciale zorgplicht’ heeft. ‘Het zou een stuk schelen als die wet eens uitgevoerd zou worden,’ verzucht advocaat Ruperti, ‘dan zouden veteranen niet van alles zelf hoeven te regelen.’
Dat minister Bijleveld meer op heeft met infographics dan grafieken betekent overigens niet dat er geen onderzoek onder veteranen wordt gedaan. In maart kwamen de resultaten van een langverwacht Defensie-onderzoek onder de 25.000 ISAF-veteranen binnen die uitgezonden waren naar Afghanistan. Opvallend is dat in de open antwoorden de veteranen aangaven dat ze het prettig vonden dat er naar hun situatie werd gevraagd. ‘Wat betreft erkenning en waardering vinden de ISAF-veteranen het belangrijk om daadwerkelijk gezien te worden,’ aldus het rapport. De reactie van minister Bijleveld? Het onderzoek werd stilletjes naar de Tweede Kamer gestuurd zonder uitgebreide brief: in een summiere alinea werden alleen wat positieve puntjes kort benoemd.
Het viel de Tweede Kamer overigens niet eens op. Terwijl het juist de Kamer was die in 2012 bij toenmalig minister van Defensie Hans Hillen aandrong op een aanvullende bijlage over Uruzgan-gangers bij de Veteranennota. Uruzgan was immers een van de grootste militaire operaties waaraan de Nederlandse krijgsmacht na de Tweede Wereldoorlog heeft deelgenomen.
De omgang met de bijna 25.000 veteranen kan worden gezien als lakmoesproef voor het veteranenbeleid in Nederland. Is er voldoende gedaan voor veteranen? Welke mensen vallen buiten de boot en wat zijn de behoeftes? Wordt hier in voorzien? Vragen die in ieder geval niet in het huidige politieke debat aan minister Bijleveld voorgelegd worden.
Want waar voorheen wel eens een heel overleg werd ingeruimd voor veteranen moesten de 25.000 Uruzgan-veteranen bij het Tweede Kamer-overleg van 18 juni jongstleden de politieke aandacht verdelen met 37 andere onderwerpen. Tel hierbij op dat Kamerleden een spreektijd van ongeveer tien minuten hebben en je hebt al snel een politieke discussie met de diepgang van een soepbord. Dit zal na de verkiezingen eerder toe dan afnemen: Kamerleden die jarenlang Defensie in hun portefeuille hadden en dus dossierkennis keren niet terug op de kieslijst en dus ook niet in de Kamer. Sadet Karabulut van de (SP), John Kerstens (PvdA), maar ook André Bosman van de VVD (naast woordvoerder ook voormalig F16-piloot) zijn onderdeel van deze inhoudelijke aderlating.
De onderzoeksrapporten (zowel over Dutchbat III als ISAF-veteranen) ondersteunen de observaties van veteranen: zorg voor een sterk sociaal netwerk en benader veteranen pro-actief. Veteranen voelen vooral waardering van directe collega’s en de commandant en in veel mindere mate van Defensie als organisatie, terwijl bijna de helft (46 procent) graag erkenning vanuit het departement ziet. De commissie Borstlap inzake Dutchbat III waarschuwde ervoor dat het ministerie moet voorkomen dat zij ‘tegenstanders worden van de veteraan’.
Er is dan geen Kamerdebat om de minister de controleren, maar via het nieuwe Nederlandse Veteraneninstituut gaat voormalig CDA-staatssecretaris Jack de Vries als voorzitter van de Raad van Advies erop toezien dat de Veteranenwet wordt uitgevoerd. Een interessante keuze aangezien nota bene De Vries in 2009 knarsetandend moest aanschouwen hoe de oppositie een Veteranenwet schreef die hij destijds niet nodig vond.
In de aanloop van die wet (die onder aanhoudende druk van PvdA, VVD, PVV en SP alsnog kwam) legde De Vries en passant militairen een spreekverbod op. Of De Vries vanuit het Nationale Veteraneninstituut nu veel tegenspraak zal krijgen is nog maar de vraag. Het instituut – waaronder nu alle veteranenorganisaties vallen – wordt geleid door een generaal en hiermee zijn de diverse veteranenorganisaties ‘opgeslokt’ door Defensie.
Jack de Vries is in ieder geval ‘zeer vereerd’ want ‘de waardering en de zorg voor onze veteranen is van groot belang.’ Iets wat ‘we in Nederland steeds meer zijn gaan inzien.’ Ondertussen moeten veteranen nog maar zien of het geëtaleerde voortschrijdend inzicht een nieuw begin of vooral meer van hetzelfde betekent.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.