Terwijl de Russen een verwoestende bom gooiden op een kinderziekenhuis in het Oekraïense Marioepol en beelden van met bloed besmeurde bedden in verwoeste kraamkamers de wereld over gingen, debatteerde de Tweede Kamer van de week over zichzelf.

Eigenlijk had het debat moeten gaan over het rapport van de commissie-Van der Staaij, waarin nuttige aanbevelingen worden gedaan om de positie van de Kamer te versterken, maar daar werd bijna geen woord over gewisseld. Het ene na het andere Kamerlid begon over de omgangsvormen in de Kamer, en wat Kamerleden wel en niet zouden mogen zeggen.

De meeste partijen stuurden hun fractievoorzitters, maar Lilian Marijnissen van de SP zag de bui al hangen, noemde het ‘gênant’ dat de Kamer met zichzelf bezig was terwijl de wereld in brand stond, en stuurde haar fractiegenote Renske Leijten, die op haar beurt uit protest het debat verliet toen Gideon van Meijeren, die niet aan het debat deelnam, opeens toch kwam binnenwandelen om een duit in het zakje te doen omdat ‘de vrije meningsuiting op het spel staat’.

Inderdaad: de Gideon van Meijeren van Forum voor Democratie, wiens fractiegenoot Pepijn van Houwelingen in november in de Kamer tegen Sjoerd Sjoerdsma van D66 had geroepen: ‘Uw tijd komt nog wel, want er komen tribunalen!’

Precies het optreden van Van Meijeren leidde tot een flinke aanvaring. Toen de FvD’er probeerde te betogen dat er zelfs een debat mogelijk zou moeten zijn als een Kamerlid – ‘ik zal het niet zijn’ – de holocaust zou bagatelliseren, viel plaatsvervangend Kamervoorzitter Henk Nijboer hem met een rood hoofd van opwinding in de rede: ‘Dan zal dat niet gebeuren!’.

Temidden van het rumoer werden ook behartenswaardige opmerkingen gemaakt, zoals door Caroline van der Plas van BBB, die de Kamer vergeleek met een familie: ‘We hebben elkaar niet uitgekozen maar zullen het wel met elkaar moeten doen’ – waarmee ze suggereerde dat je ook met je baldadige neefjes zult moeten leren leven.

En door Renske Leijten, die verklaarde dat debatteren over de omgangsvormen kan leiden tot navelstaarderij en ‘ophef om de ophef’. Juist dat gebeurde. Want toen de meeste Kamerleden het erover eens leken te worden dat de voorzitter harder moet ingrijpen als er bedreigende of intimiderende uitspraken worden gedaan, werden ze het níét eens over de grens van wat dan toelaatbaar zou moeten zijn. Zo eindigde het debat in Babylonische spraakverwarring en etaleerde de Kamer vooral haar eigen onvermogen.

Zelf moest ik denken aan wijlen Theo van Gogh, de filmmaker die in 2004 werd vermoord door Mohammed B.. Als vurig verdediger van het vrije woord spaarde hij niets en niemand, waardoor de halve wereld regelmatig over hem heen viel. Bij Van Goghs begrafenis op de Nieuwe Ooster in Amsterdam vertelde zijn zus Josien dat hun vader tegen Theo had gezegd, als hij weer eens iemand had geschoffeerd: ‘Je mág het wel zeggen, maar het hóéft niet.’