16-08-2008
Door Pieter van Os

Geen Nederlander durft het nog: Nederland bewieroken als ‘tolerant’, ‘open’ en ‘betrouwbaar’. In het buitenland gebeurt het nog wel. De Amerikaanse anarchist en gepensioneerde bibliothecaris Richard Kempton doet het bijvoorbeeld in zijn onlangs gepubliceerde boek Provo. Amsterdam’s Anarchist Revolt, het resultaat van een jarenlange studie naar de Provo-beweging.

Zelf keek ik al jaren uit naar de eind­versie van de tekst. Want toen ik Kempton twintig jaar geleden voor het eerst ontmoette, vertelde hij er al over. Dat was in San Francisco. Kemptons fascinatie voor de Nederlandse provobeweging vond ik destijds opmerkelijk, omdat ik, zestien jaar, in de zonnige ambiance van Californië juist vol was van Amerika, niet van Nederland.

Bovendien was San Francisco de plaats die zelf een minstens even roemrucht jaren zestig verleden had als het ‘magies sentrum’ in Amsterdam. Dat bevestigde Kempton en trots leidde hij me rond in dat ‘andere Amerika’, dat met enig speuren altijd weer groter lijkt dan vaak gedacht. Er bleek in die dagen zelfs een trotskistische boekhandel in San Francisco. De klanten ervan werden geacht net zo neerbuigend te praten over de neo-marxistische boekhandel aan de andere kant van de stad als de eigenaar.

Wandelend van gebouwen die ooit dienst hadden gedaan als Californisch anarcho-syndicalistisch bolwerk, naar woonhuizen van voor mij volstrekt onbekende Steinbeckadepten, hield Kempton niet op te praten over zijn ervaringen, jaren eerder, in Amsterdam, over Nederlandse woorden, Nederlandse gebruiken – althans in zijn ogen – en de voorhoedepositie van een land dat hem niet alleen zijn grote liefde had geschonken, maar ook hernieuwde hoop in de mensheid. No less.

Geïntrigeerd geraakt door deze Amerikaanse Provofan, bracht ik twee jaar later een zonnige kerst bij hem en zijn Nederlandse vrouw door. Ik kwam er in aanraking met een fenomeen dat de historicus James Kennedy vele jaren later mooi zou verwoorden, ondermeer in het artikel ‘radicale bekeringen’. Kennedy is een aanzienlijk bekendere Amerikaanse Nederlandwatcher dan Kempton, en van andere politieke snit, maar ook getrouwd met een Nederlandse vrouw. In een poging Nederlanders hun eigen zucht tot consensusvorming uit te leggen, de ‘radicale bekeringen’ uit de titel van het artikel, vertelt Kennedy dat het in Amerika veel gewoner is om je standvastig en voor altijd te wentelen in de principes van de eigen subcultuur, al is die cultuur hopeloos uit de mode. Terwijl in Nederland ‘de beschermers van de oude orde […] hun oude principes overboord gooien en de nieuwe ideeën in hun armen sluiten,’ zoals Kennedy schrijft, is het in Amerika niet on­gewoon om je met enkele gelijkgestemden terug te trekken op een eiland van het eigen gelijk, in een zee van tegenstand. Daarom kom je zelfs vandaag de dag in Amerika hippies tegen. Ze zijn oud en stakkerig, net als hun fel­gekleurde Volkswagenbusjes met vlinder­stickers. Maar ze zijn er wel, en ze peinzen er niet over de zaak te verraden door zich aan te passen aan nieuwe modes en inzichten.

Ook Richard Kempton zat in 1989 op zo’n eiland. Terwijl we samen naar een van de laatste bioscopen in San Francisco reden waar films werden vertoond die zijn veertienjarige dochter ‘smerig’ noemde, hijzelf ‘libertair’ en de goegemeente ‘softporno’ (later zou RTL deze films nog jarenlang uitzenden in nachtelijke uren), vroeg ik hem of hij dacht dat de sfeer uit de late jaren zestig Amerika ooit opnieuw zou aandoen. Ja, zei hij, daarvan was hij overtuigd. Al is het tijdsgewricht nu materialistisch, legde hij uit, over een jaar of tien zou alles weer anders zijn. ‘Het progressieve levensgevoel is volgens Kempton,’ zo staat in mijn aantekeningenboekje van die tijd, ‘evengoed onderhevig aan conjuncturele golven als de groei van de kapitalistische economie.’

Creatieve energie
Denkt hij dat nog steeds? De uitgever, Autonomedia, lijkt de conjuncturele opgang van het progressieve levensgevoel met Kemptons 158 pagina’s tellende studie in elk geval een handje te willen helpen. Volgens de cover gaat het hier namelijk niet louter om een samenvatting voor een Engelstalig publiek van de gebeurtenissen rond een Nederlandse fenomeen uit de tegenbeweging, maar om een poging om ‘hedendaagse lezers te inspireren met de ervaringen en experimenten van Provo.’ De hoop van Autonomedia, uitgever van anarchistische, poststructuralistische en neo-marxistische boeken, is zelfs dat lezers dankzij het boek ‘strategieën’ ontwikkelen. Deze ‘bijdrage aan onze geheime geschiedenis van onderen’ moet zorgen ‘voor een connectie tussen verleden en heden’, aldus het voorwoord, opdat ze ‘besmettelijk blijkt en anderen infecteert met de drang om Provo’s leiding te volgen.’ Zowel dat ‘geheime’ als de hoop op ‘besmetting’ zegt iets over de politieke ernst waarmee de marginale, maar in absolute aantallen niet geringe extreme linkervleugel in Amerika opereert.

Maar Kempton is zelf aanzienlijk minder ernstig dan zijn uitgever. Op bezoek in Amsterdam, op een mooie julimorgen van dit jaar, vertelt hij in een zelfrelativerend betoog vol kwinkslagen over zijn worstelingen met ‘de mensen van de uitgeverij’ en de bloed­ernstige afnemers van hun producten. Die denken volgens hem Hegeliaans. ‘Via these en antithese heeft de geschiedenis voor hen doel en bestemming. Aanvankelijk kenden ze Provo helemaal niet, maar vanaf het moment dat ze een eerdere versie van mijn boek hadden gelezen, wisten ze zeker dat dit fenomeen onderdeel moest zijn van het grote plan waarvan de geschiedenis is doortrokken. Daarom heb ik ook hoofdstukken moeten toevoegen over de relatie van Provo met de Franse situationisten, over Provo in België, over de betekenis van Sartres opvattingen voor een revolutionaire groep als Provo, en zo meer. Toch heb ik ondanks de druk van de uitgever proberen vast te houden aan mijn nadruk op de esthetische kracht van de Provo-manifestaties.’

Kemptons liefde voor Provo betreft vooral ‘het poëtische taalgebruik’, de ‘creatieve energie’. Kempton: ‘Het was een groot kunstwerk dat, zoals grote kunst betaamt, eenmalig was, niet te herhalen, en anders dan links Amerika denkt, ook te bewonderen los van welke hedendaagse wereldwijde ontwikkeling ook. Want al was Provo onderdeel van een internationale tegenbeweging uit een bepaalde periode in de geschiedenis van de mensheid, ze verdient meer te zijn dan een voetnoot bij de internationale gebeurtenissen van de jaren zestig.’

Klaas komt
Richard Kempton werd in 1935 geboren uit joodse ouders in Los Angeles. Hij studeerde ­semitische talen aan de universiteit van Berkeley, bij San Francisco. Dat was nog voordat het instituut uitgroeide tot het centrum van de flower power, een hippiebeweging die haar naam dankte aan het lukraak planten, als daad van burgerlijke ongehoorzaamheid, van bloemen op naargeestige parkeerterreinen. Als ­zesentwintigjarige bracht Kempton tijd door in Parijs, om daar Frans te studeren. In datzelfde jaar, 1961, ontmoette hij de Nederlandse Suzanne Gerson, in Joegoslavië.

Ze waren beiden vrijwilliger in een werkkamp, georganiseerd door de toenmalige regering van Tito. Suzanne Gerson was de dochter van twee Duitsers die zich in de jaren dertig in Nederland vestigden – haar joodse vader groeide uit tot een van de meest gezaghebbende Rembrandtkenners van Nederland. Kempton en Gerson trouwden in het stadhuis van Den Haag.
In Berkeley schreef Gerson daarna voor een cursus linguistic anthropology een scriptie over het taalgebruik van Provo. Het onderwerp ­fascineerde haar man mateloos. Dat blijkt ook uit het boek, waarin Kempton meermalen benadrukt dat de ondoorgrondelijkheid van het Nederlands ervoor heeft gezorgd dat Provo internationaal niet de positie heeft gekregen, en pioniersreputatie, die de beweging volgens hem verdient. In het boek citeert hij ook graag zinnen in het Nederlands, een taal waarin hij kan lezen, niet spreken.

Als dertiger bezocht Kempton enkele keren een happening van Robert Jasper Grootveld bij het Lieverdje in Amsterdam. Hij kan er nog eindeloos over vertellen. Net als over de ludieke teksten van de Provo’s. Alsof hij het nog nooit eerder aan iemand heeft verteld, neemt hij nog eens de actie ‘Klaas komt’ door, de tekst die plotseling overal in de stad opdook. Dat Claus von Amsberg uiteindelijk zou komen, een toevalligheid waar vooral Mulisch veel van heeft gemaakt, vindt Kempton ook nu nog van een prachtige schoonheid. Gestelde vragen brengen hem in zijn enthousiasme niet van de wijs, maar dat kan ook te maken hebben met de doofheid die hem in de laatste twintig jaar steeds hardnekkiger kwelt.

Zijn breedsprakigheid moet hem ook parten hebben gespeeld bij de voltooiing van zijn manuscript. Hij heeft er lang over gedaan en zijn uitgever noemde een eerdere versie een ‘uncut gem’, wat niet vriendelijk was bedoeld. Toch is het eindresultaat opvallend overzichtelijk en zeker niet te lang. Het bevat een vrij feitelijke, chronologische reconstructie van de gebeurtenissen uit midden jaren zestig, met veel aandacht voor de happenings van Grootveld, de rellen voor het oude gebouw van De Telegraaf en het huwelijk van prinses Beatrix in 1966.

Gidsland
Kemptons typisch Amerikaanse zelfverzekerde houding over de overtuigingskracht van de eigen idealen zorgde lange tijd voor enige spanningen in het gezin Kempton. Zijn Nederlandse vrouw was meer dan hij meegegaan met de tijd en kon haar ergernis over Kemptons versteende maatschappijvisie niet altijd verhullen. Inmiddels is zij overleden. Kempton is drieënzeventig en denkt ook genuanceerder over de huidige zeggingskracht van een historisch fenomeen als Provo. De beweging vormde een levend kunstwerk dat net als alle grote kunst moeilijk valt te herhalen. Zelfs ‘het levensgevoel’ dat erbij hoorde, zal wellicht niet meer terugkeren. Dingen gaan voorbij. Ik herinner hem aan zijn uitspraak uit 1989. ‘The frames of reference’ zijn veranderd, antwoordt hij, in de hele wereld.

Kempton lijdt niet onder dat inzicht. Hij blijkt nog altijd verliefd op het land van zijn overleden vrouw. Natuurlijk heeft hij gehoord over de recente discussies in Nederland over ‘islamificering’, dubbele nationaliteiten, en het verlangen van opeenvolgende regeringen om immigranten te vernederlandsen. Hij moet er een beetje om lachen. Hij is toch al in een uitstekend humeur, omdat hij die ochtend twee exemplaren van zijn boek heeft zien staan op een boekenplank in Scheltema, de boekhandel aan het Amsterdamse Koningsplein. Hij fantaseert wat het boek met Nederlandse lezers kan doen. Want al levert het historici geen nieuwe inzichten op bij hun pogingen de gebeurtenissen van de Provobeweging te reconstrueren, ook Kempton erkent dat wel, toch is het een fascinerend document. Door de projectie van de auteur laat het iets zien van de fascinatie voor Nederland zoals die ook nu nog bestaat in progressieve kringen in de rest van de wereld, in het bijzonder in Amerika. Nederland als baken, wellicht zelfs gidsland, in een tijd dat de inwoners zelf hopeloos met elkaar overhoop liggen over vragen van reconstructie, behoud, identiteit en afbakening.

Kempton wil graag nog een stap verder gaan, want alleen ‘fascinerend’ is voor hem niet genoeg. ‘Misschien kan het jullie enige zelfwaardering teruggeven.’

Dat brengt het gesprek op de politieke ­‘beweging’ Trots op Nederland, van het voormalige PSP-lid, gewezen gevangenisdirectrice en minister van Integratie Rita Verdonk. Haar stemmers blijken uit een recente peiling minder trots op Nederland dan hun landgenoten. ‘Het zou mij niets verbazen,’ zegt Kempton, ‘als juist zij die zich verdiepen in een beweging die de Nederlandse samenleving moedwillig en spelenderwijs wilde ontwrichten, daardoor juist weer enige trots op die samenleving terugvinden.’