‘Te warm. Het is te warm voor dikke mensen.’ De schrijver leunt zweterig tegen het aanrecht. Het koffiezetapparaat op het kantoor van de producent in de bomenrijke Van Breestraat in Amsterdam werkt niet mee. ‘Ik haat dit, iedereen kan dat hier, gewoon koffie zetten. Waarom ik niet.’
Theodor Holman mag zichzelf graag onderuit halen. In zijn columns zet hij zichzelf neer als een klagerige nietsnut, liever lui dan moe. Toch is niets minder waar. Holman heeft dit jaar al minstens drie filmscenario’s geschreven. Cool, de film van Theo van Gogh naar een scenario van Holman, was de openingsfilm van het Internationale filmfestival Film by the Sea in Scheveningen. Verder schrijft hij minstens een boek per jaar en maakt hij vier columns en drie radioprogramma’s in de week. Cool speelt op een Glen Mills-school, met een aantal jeugddelinquenten in de hoofdrol. De film zal niet te zien zijn in de zalen van de Pathé-theaters, die in steden als Den Haag en Rotterdam bijna een monopolie hebben op filmdoeken.
Holman windt zich op. ‘Schandalig dat ze bij Pathé die Maroc-jeugd niet over de vloer willen hebben omdat dat te veel overlast geeft. Ze hebben toen Shouf Shouf Habibi draaide te veel last gehad van jonge Marokkanen. Pathé kiest liever voor Spiderman II. Niets mis met die film maar zo kan nauwelijks iemand in dit land cultuur van eigen bodem zien. We moeten het qua cultureel peil dan opeens hebben van Costa.
Ik maak me zorgen om ons intellectuele klimaat. We hebben geen mensen met gezag meer in Nederland en al helemaal geen intellectuelen met gezag. Mensen die door hun visie en kunde invloed op de cultuur hebben. Wie is de Nederlandse Sartre? Er is geen A.F.Th. van der Heijden die ook een politiek invloedrijke reeks artikelen schrijft. Of een Dick Pels die ook een belangrijke roman schrijft. We hebben allemaal ons deelgebiedje.
Paul Scheffer de essays. Blokker de columns. Maar geen filosofen die ook dichtbundels schrijven en bovendien een automatische toegang hebben tot kranten en tijdschriften als ze hun ideeën kwijt willen.
Als je de Nederlandse Sartre van dit moment zou moeten benoemen dan kom je waarschijnlijk uit bij Bolkestein. Moet je nagaan. Die man heeft één toneelstuk geschreven, misschien vijfentwintig recensies, een enkel essay en een debat met Noam Chomsky. Op grond van dat schamele lijstje en het feit dat hij politicus is, moet je hem dan uitroepen tot een van de grootste Nederlandse intellectuelen van het moment. Maar vergeleken met Sartre is Bolkestein natuurlijk niet meer dan het vuil onder diens nagels.’
Sartre was wél een man die bewust de gruweldaden van Stalin verzweeg, vrouwen onderdrukte.
‘Weet ik. Sartre was een monster, hij bewonderde de nazi Heidegger en vergoelijkte de goelag, zijn standpunten zijn vaak weerzinwekkend. Maar het gaat mij om de intellectuele kwaliteit en mentaliteit die samenging met politiek engagement.
Nou ja, wij hadden Pim Fortuyn, die had ik ook nog wel een dichtbundel zien schrijven. Jan Marijnissen doet zijn best. Als intellectueel acht ik hem hoger dan als politicus. Hij publiceert en je bent alleen intellectueel als je publiceert. Het is wel jammer dat dat nergens in parlement en regering gewaardeerd wordt. Het respect voor de grote intellectueel is mij natuurlijk met de paplepel ingegoten. Mijn vader was multatuliaan. Ik mis dat: de mentaliteit van W.F. Hermans en Karel van het Reve. Het denken van Van het Reve is zo mooi.’
Je bent nogal uit de mode met dat nostalgische verlangen naar intellectuelen met een wereldbeeld.
Ons debat draait om achterafzaaltjes in De Balie. Daar kunnen misschien tweehonderd man in. Dat is bedroevend.
‘Ach ja, zeker. Ik ben uit de mode maar ik kan er wel naar verlangen. Want wat wél in de mode is, geeft geen antwoord op de vragen die er zijn. Er is overal debat maar dat debat heeft geen enkele invloed. Omdat het gezag ontbeert. Kijk naar de televisie: dat medium is bij uitstek geschikt voor het intellectuele debat. Maar dat komt daar nauwelijks meer voor. Hoogstens in drie minuten. Bij Nova is acht minuten ongeveer het langste item. Daar kún je geen debat in voeren, hoogstens wat namen en begrippen uitwisselen. Bij de kranten is het niet anders. Vroeger schreef ik voor Het Parool stukken van vierduizend woorden, nu is een lang stuk voor Het Parool achttienhonderd woorden. Je kunt dus nooit meer iets diepgravends zeggen over een film of een boek. Waar heb je dan eigenlijk nog recensies voor nodig? Er heerst een grote intellectuele vormcrisis. En dat is de schuld van de intellectuelen. Die kunnen de toegang tot het publiek niet meer vinden. Ons debat draait om achterafzaaltjes in De Balie. Daar kunnen misschien tweehonderd man in. Dat is bedroevend. In Frankrijk en vooral de Verenigde Staten gaat dat beter. In New York liggen de boekhandels vol met stapels kritische boeken. En echt niet alleen van Michael Moore. Daar zijn ze terecht bezig met hun eigen maatschappij.’
Heb je zelf niet heel erg bijgedragen aan de vergroving en verplatting van ons intellectuele klimaat?
‘Ik weet dat nog zo net niet. Ik heb altijd geprobeerd de cultuur te beschermen. Willem Wilmink heeft ooit tegen mij gezegd dat taal ook kan democratiseren. Door eenvoudig te schrijven kun je meer mensen bereiken. Dat betekent niet dat het platter wordt. Je probeert juist zo duidelijk mogelijk te zijn. Ik heb wel fouten gemaakt. Ik was heel hippie en dat was nogal behoudzuchtig, zeer conservatief. Hippies willen terug naar de natuur en zijn dus tegen de moderniteit. Dat was de burgerlijke kant van de jaren zestig. Roel van Duyn moet maar eens bekennen dat die kabouterbeweging op conservatieve elementen stoelde. Winst maken mocht niet, heb ik ook omarmd, maar dat principe hield allerlei ontwikkelingen tegen.’

Foto: Paul Levitton/Hollandse Hoogte
Door je woordkeus en je onderwerpen lever je een flinke bijdrage aan de vulgarisering van het intellectuele klimaat.
‘Ik gebruik wel vieze woordjes maar die staan in een context. Die is anders dan SBS of RTL4. De Franse schrijver Céline gebruikt veel vieze woorden, veel klootzak in Reis naar het einde van de nacht, maar je kunt hem niet verwijten dat zijn boeken de cultuur vulgariseerden. Zijn ideeën wellicht wel, zijn stijl zeker niet.
Toen ik begin jaren tachtig in de redactie van Propria Cures zat, werd ons door Jeroen Brouwers verweten dat wij woordgrapjes maakten. Tom van Deel noemden we Dom en Kaal. Volgens Brouwers liep er een bloedrode lijn van ons naar het fascisme, naar Der Stürmer van Julius Streicher. Dat noem ik pas vulgarisering. Wij waren echt geen fascisten. Je bent geen fascist omdat je aan satire doet. Dat was voor het eerst dat ik het politiek correcte denken zelf aan den lijve ondervond.’
Wat jij doet is toch het afbreken van het oude cultuurgoed van de wellevendheid?
‘Cultuur gedijt bij vernieuwing. Je moet op bepaalde momenten grof, hard en meedogenloos schelden. Dat is een plicht.’
Een plicht? Ten opzichte van wie?
‘Een plicht ten opzichte van de cultuur. Als je van cultuur houdt, dan ga je met het snoeimes én de botte bijl te werk. Want zonder vernieuwing geen cultuur. Kijk maar naar de grote cultuurdragers. Voltaire of Erasmus, Céline of Reve, die hebben allemaal ook een duidelijke grofheid in zich. Dat is geen doel op zich maar het is wel een voorwaarde voor echte vernieuwing. Vernieuwers hebben ruimte gemaakt door eerst te verplatten en af te breken.’
Holman beweert in interviews graag dat hij mislukt is. Zijn scenario’s winnen ondertussen wél buitenlandse prijzen en zijn boek Het blijft toch familie kan zonder overdrijven een grote roman genoemd worden. Het is het verhaal van het Indische gezin Holman in Amsterdam-Zuid. Een zeer liefdevol en eerlijk portret van het Nederlandse gezinsleven en op zeer terloopse wijze een hartverscheurende aanklacht tegen de onverschilligheid van de Nederlanders ten opzichte van de terugkerende Indiëgangers.
Oer-Hollands eigenlijk, zoals je jezelf voortdurend afkraakt.
‘Nee: het is angst, Indische bescheidenheid. Ik wilde dat anderen mooie dingen over mijn werk zouden zeggen. Het is ook zelfbescherming tegen die slechte recensies. Ik haal dan mijn schouders maar op. Je gaat jezelf dus niet op de borst roffelen maar zegt dat het onbelangrijk is en je geeft bij voorkeur iedereen gelijk en je zegt dat je geen talent hebt. Maar als Variety dan wél heel erg enthousiast is, dan is dat wel leuk natuurlijk.’
Zielig doen als vorm van zelfbehoud?
‘Ik ben geen vrolijke Frans. Het heeft mij heel veel moeite gekost om depressie te zien als een vorm van romantiek. Binnenkort bestaat het helemaal niet meer. Je neemt een xanax en glijdt door het leven. Melancholie was ooit ook een ziekte en dat is nu alleen nog maar een nostalgisch gevoel. Nee, ik gebruik geen xanax. Ik vind dat ik de depressies zelf moet tegenhouden. Dit jaar heb ik haar buiten de deur weten te houden. Ik heb ook heel veel gewerkt.’
Hoe ziet een depressie van Holman eruit?
‘Het besef dat me teistert dat ik geen gevoel heb en dat ik er op dat moment diep van overtuigd ben dat gevoelens niet bestaan. Zelfverminking komt daar vandaan. Mensen die zo depressief zijn dat ze in zichzelf snijden om iets te voelen. Ik begrijp dat wel. Als ik depressief ben, doe ik niets. Ik lig in bed, ik slaap niet, ik tob. Ik voer gesprekken met doden. Verwijten, ruzies. Maar je verliest niet je oordeelsvermogen, dus je vindt jezelf een zak. Je ruikt jezelf ook. Je hoort je vader dingen zeggen als: waarom heb je ons ongelukkig gemaakt. Weet je niet dat wij de oorlog voor je gewonnen hebben. En dat vind je dan natuurlijk weer larmoyant. Als je dan gaat schrijven, beschrijf je de gevoelens die je niet hebt en dan ga je geoorloofd liegen en dat worden dan gevoelige stukken.’
Je zegt vaker dat je niet goed weet wat gevoelens zijn. Maar nu ik ‘Het blijft toch familie’ heb gelezen, geloof ik dat niet meer.
‘Juist omdát ik het niet voel, kan ik gevoelige scènes schrijven. Maar wat ik schrijf is niet gevoelig, het is geconstrueerd. Het echte leven is vaak plat en vulgair en ondoorgrondelijk. Pas in de kunst wordt het iets. Ik vind de geschilderde zonsondergang mooier dan de echte. Ik weet wel dat verdriet en vreugde bestaan maar ik weet niet waar die bij míj uit bestaan.
Ik zag mijn overleden moeder liggen maar voelde me blij en opgelucht én schuldig daarover en verdrietig. Ik verliet het ziekenhuis zelfs met een gevoel van vreugde in het besef dat ik treurig zou moeten zijn omdat de vrouw van wie ik ontzettend hield, overleden was. Ik troostte zelfs anderen, de buurvrouw bijvoorbeeld. Ik noem dat geen verdriet.
Ik schrijf en maak muziek om te voelen. Ik construeer de scènes en gebeurtenissen zo dat ik weet dat het een gevoel oproept. Als ik een gevoel zou hebben dan zou het uit de elementen moeten bestaan die ik in een scène op papier bij elkaar zet.
Vragen als ‘ben je gelukkig?’ of ‘hou je van me?’ – daar kan ik geen antwoord op geven. Ik ken het gevoel niet dat bij die woorden hoort. Er resoneert niets in mij dat dat woord zou kunnen dekken en dat verwart me. Daardoor wantrouw ik het gevoel. De vraag “ben je gelukkig?— vind ik onethisch. Ik ben niet gelukkig. Maar dat is ook niet waar het in het leven om draait. Op de televisie draait alles om geluk. Programma’s moeten warmte en geluk uitstralen, afschuwelijk.’
Wat deed je dan als presentator bij het televisieprogramma ‘Dolce Vita’?
‘Als tegenwicht. Ik houd wel van wijn en vrouwen maar ik ben niet van het geluk. Ik was de bittere kant en Dieuwertje Blok de andere kant. Ik was erg voor die tweedeling. Het allerbeste eten uit Nederland én het allerslechtste, een voortje van kattenvoer. Maar dat ging de KRO weer veel te ver. Ze wilden gewoon weer middle of the road.’
En als Theodor Holman ergens niet tegen kan dan is het wel de middelmaat.
‘Waarom houd ik zo van Gerard Reve? Omdat hij dingen schrijft die je niet mag denken. “Een smoel als een open reet.— Dat mag je niet denken van jezelf maar als je eerlijk bent dan merk je dat je dat soort dingen voortdurend denkt. We weten dat de beschaving eruit bestaat dat je dergelijke gevoelens beteugelt maar soms laat je ze los. Juist om ze te zien.’
Theodor Holman is een pseudoniem van Theodor Holman.
We maken een korte wandeling door Oud-Zuid en eindigen thuis bij Holman aan de Willemsparkweg. Ooit zijn ouderlijk huis, nu een jongensdroom vol bureaus, computers en boeken. Holman verontschuldigt zich voortdurend voor de troep. Een huishouden van een man alleen. In de tuin, goed zichtbaar vanaf de veranda, ligt een tiental verregende blauwe sokken die de hond naar buiten sjouwde. ‘Ik schrijf in mijn columns niet meer over mijn relaties want de vorige is na vijftien jaar kapotgegaan omdat ik er te veel over schreef. Haar vrienden gingen haar aanspreken op mijn stukken. Mensen kunnen feit en fictie niet uit elkaar houden. Theodor Holman is een pseudoniem van Theodor Holman. Ik vind het interessant om tussen persoonlijkheden te kunnen wisselen. Ik vind dat je een persoonlijkheid moet kunnen construeren. Je bent sowieso een constructie. Sartre zei het al: je bent wat je van jezelf maakt, dat blijft me boeien. Je persoonlijkheid verandert. Je bent na twintig jaar niet meer de persoon die je was.
Dat heeft mij altijd verbaasd aan mijn ouders die in die jappenkampen hadden gezeten en zeiden: ja, vroeger waren we heel andere mensen. Ik heb altijd gedacht dat dat sartriaanse idee, dat je jezelf kunt uitvinden, een oplossing voor hen zou kunnen zijn om los te komen van hun verleden. Ik had ze dat willen aanreiken als een oplossing om hun leven weer op te pakken. Ik was toch ook het naoorlogse kindje, het jongetje dat alles goed moest maken.’
Het wordt even stil op de bank. Buiten ratelt de tram voorbij.
‘Misschien zeg ik daarom ook niet dat ik gelukkig ben. Mijn ouders hadden al zoveel gevoeld, dat de gevoelens van ons allemaal na de oorlog in het niet vielen. Ze mochten na die ellende met goed fatsoen niet meer gelukkig zijn. Misschien waren ze dat wel met ons kinderen maar het mocht niet meer.’
Ooit stemde jij PSP.
‘Ja verschrikkelijk.’
Je was dus pacifist. Wanneer ben je van je geloof gevallen?
‘Dat weet ik nog heel precies. Ik zat met mijn moeder op de bank naar die bekende beelden te kijken van een uitgemergelde Bosniër achter prikkeldraad. Mijn moeder stortte in en zei, kordaat als ze was: als ik met een pistool naar dat kamp ga en die man bevrijd, dan ben jij daar tegen? Dat deed het.’
Holman heeft zijn mening sinds die tijd flink bijgesteld. Vlak voor het uitbreken van de oorlog in Irak plaatste hij samen met Theo van Gogh zelfs een advertentie op de voorpagina van Het Parool met de eenvoudige tekst: ten oorlog.
‘Ik heb de consequentie getrokken uit de lessen van de Balkan. In Irak werden weer mensen in kampen en gevangenissen gemarteld. Ik vind ook nog steeds dat als er ergens een dictator mensen in kampen stopt, dan moeten we iets doen. En natuurlijk zijn we in de maling genomen met die massavernietigingswapens. Ik begrijp niet dat Blair en Cheney en al die anderen maar gewoon mogen blijven zitten.’
Was die advertentie niet een manier om de angst voor de oorlog die je van huis uit mee gekregen hebt te overschreeuwen of te bezweren?
‘Jazeker. Ik ben altijd verschrikkelijk bang dat ik eigenlijk in Berlijn eind jaren twintig leef. Lekker champagne drinken in open auto’s en voor je het weet is het 1933 en komen de nazi’s aan de macht. Na 11 september dacht ik helemaal dat de hel zou losbarsten. Als ik iedereen in het Vondelpark maar zorgeloos rosé en Breezers zie drinken, dan ben ik zo bang voor wat er komen kan. Al mijn hele leven. Maar ik ben al eenenvijftig – dus tot nu toe valt het mee. ’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.