VARA-programmamaker Sinan Can (39) zit nog maar net achter een kop thee in het Amsterdamse Victoria Hotel of hij vertelt al dat hij in augustus bijna dood was geweest. Hij was voor zijn werk in Afghanistan en kwam terecht in een hinderlaag van de taliban. Hij reed mee in een colonne van het Afghaanse leger, toen die plotseling werd bestookt. Er volgde een vuurgevecht van tweeënhalf uur en er vielen veertien doden voor de taliban verslagen waren. Na afloop trof het leger achtergelaten RPG’s aan, raketwerpers waarmee de taliban de hele colonne makkelijk hadden kunnen opblazen.
Can was in Afghanistan voor de tweedelige documentaireserie Onze missie in Afghanistan die op 12 en 14 december is te zien bij BNN-VARA. Hij en regisseur Thomas Blom volgden het spoor van de Nederlandse VN-missie die meer dan tien jaar geleden begon: van Baghlan naar Uruzgan naar Kunduz. ‘We wilden kijken wat er van die missie over is en we wilden vooral luisteren naar de Afghanen zelf. Wat vonden zij ervan?’
Het antwoord op die vraag verklapt hij niet, maar één ding wil hij wel kwijt: ‘Ik heb het onderschat. Ik heb veel gereisd in oorlogsgebieden en ik dacht: het is gevaarlijk, maar toch niet gevaarlijker dan Syrië. Het was veel erger.’
Wat heeft u gemerkt van het gevecht met de taliban?
‘De colonne bestond uit vijf wagens, Thomas en ik zaten in de middelste. Mijn vriend Wally, de fixer/producer die we hadden meegenomen uit Nederland, zat voor ons en zijn wagen is frontaal aangevallen. Maar heel eerlijk: ik weet een deel niet meer. Ik denk dat ik in een shocktoestand was. Ik heb voor me uit zitten staren en heb niet meer door het raampje gekeken. Gewoon: laat maar gaan, we zien het wel. Mijn enige gevoel was: alsjeblieft, laat niemand van ons team omkomen.’
U was niet bang voor uzelf?
‘Nee. Ik dacht: als mijn tijd is gekomen, is die gekomen. Dat heeft te maken met mijn soefistische achtergrond – het soefisme is een verlichtingsbeweging in de islam die zich eeuwen geleden nogal heeft verspreid in Turkije. Ik denk: dit lichaam is niet van mij, het is van de wereld en als er een offer gebracht moet worden, dan is dat zo. Ik wil met mijn programma’s begrip kweken, ik wil dat mensen in Nederland voelen wat iemand achtduizend kilometer verderop meemaakt – en dat kan offers kosten.’
Wat dacht u vorige maand, toen u hoorde dat fotograaf Jeroen Oerlemans in Libië was doodgeschoten?
‘Heel verdrietig. Ik was bij zijn begrafenis. Ik kende hem niet goed, maar ik ging uit respect. Toen dacht ik: ja, deze kist is teruggekomen uit Libië, maar het hadden er ook drie uit Afghanistan kunnen zijn. Die dag had ik wel een dipje.’
Dacht u toen ook: daar ga ik met mijn soefisme?
‘Helemaal niet.’

Getekend lichaam
Hij laat vijf tatoeages zien die hij deze zomer vóór Afghanistan heeft laten zetten in Libanon, waar hij was voor een cursus Arabisch. Ze zitten op zijn beide armen, op zijn linkerschouder en zijn linkerborst. Het zijn soefistische teksten en tekens, en ze hebben alle vijf te maken met liefde en dood. Eén tekst luidt in het Turks: Ten fânidir, can ölmez, oftewel: alleen het lichaam is vergankelijk, niet de ziel. ‘Wist je wat er in Afghanistan ging komen?’ vroeg een collega hem. Natuurlijk niet, had Can geantwoord. ‘Ik dacht niet: ik loop richting de dood en dus neem ik maar even wat tattoos.’
In de zomer was het tien jaar geleden dat zijn neef Murat een einde maakte aan zijn leven, Murat die voor hem was als een oudere broer. ‘Na al die jaren ben ik nog steeds niet helemaal over zijn dood heen. Ik verwijt mezelf soms: waarom heb ik het niet zien aankomen?’ Daarnaast ging het slecht met de gezondheid van zijn nicht, die intussen is overleden. Afgelopen jaar verloor hij meer mensen die hij liefhad. Zo kwam het dat hij in Libanon binnenliep bij een beeldend kunstenaar die tatoeages zet en zei: ‘Een getekende ziel heeft een getekend lichaam nodig.’
Voor de goede orde, zegt Sinan Can: ‘Ik ben geen ongelukkig of pessimistisch mens.’ Afgezien van het verdriet om zijn dierbaren gaat het goed met hem, en zijn carrière geeft daar alle aanleiding toe. In 2005 begon hij als redactielid bij VARA’s onderzoeksprogramma Zembla en al in 2006 werkte hij mee aan de explosieve aflevering over Ayaan Hirsi Ali, De heilige Ayaan, waaruit bleek dat zij een deel van haar vluchtverhaal had verzonnen. Sinds 2011 maakt Can documentaireseries, waarin de kijker hem steeds vaker met zijn vriendelijke, bebaarde gezicht prominent door het beeld ziet lopen.
In Uitgezet (2013) bezocht hij kinderen die na een jarenlang verblijf in Nederland terug waren gestuurd naar hun land van herkomst. In Bloedbroeders (2015) onderzocht hij de Armeense genocide en in De Arabische Storm (2016) wilde hij weten hoe de Arabische Lente kon afglijden naar de chaos die we nu zien. Voor zijn bijdrage aan beide laatste series riep het Humanistisch Vredesberaad hem in juni uit tot Journalist voor de Vrede. Het juryrapport bejubelde onder meer zijn oog voor het lijden van mensen.
Waarom wilt u juist die menselijke kant laten zien?
‘Ik wil begrijpen waarom mensen bepaalde keuzes maken. Ik ben tegen geweld, maar alles heeft een reden. In 2012 heb ik gesproken met een man uit Fallujah van wie vier kinderen waren omgekomen door bommen met fosforgas van de Amerikanen. Die man heeft zich aangesloten bij IS en Fallujah is een IS-bolwerk geworden. Dat kan ik begrijpen, hoewel ik er natuurlijk geen begrip voor heb.’
Ik word er zo moe van dat in het Westen constant wordt neergekeken op de Arabische wereld, dat superioriteitsgevoel.
Er is in de Arabische wereld veel woede. Over wat precies?
‘Over westerse inmenging, en die gaat ver terug. De koloniale mogendheden hebben de grenzen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika lukraak getrokken en daar hebben mensen nog steeds last van. Wij in de westerse wereld onderschatten dat. Ik word er zo moe van dat in het Westen constant wordt neergekeken op de Arabische wereld, dat superioriteitsgevoel. Kijk eens in de spiegel. De Britse koningin Victoria had het over normen en waarden, en intussen was opium in het Britse koloniale rijk de meest verkochte handelswaar. Koningin Victoria was de grootste drugshandelaar van de negentiende eeuw. Het is maar net vanuit welk perspectief je naar de dingen kijkt.’
U ergert zich aan politici als Geert Wilders en Halbe Zijlstra die erop hameren dat onze cultuur de beste is?
‘Ook Lodewijk Asscher en Edith Schippers maken zich er schuldig aan: we moeten trots zijn op dit en trots zijn op dat. Dat zogenaamd beschaafd nationalisme, daar heb ik het wel mee gehad. Ik wil trots zijn op een land waarin de pensioenen van ouderen niet worden gekort, waar mensen die bij de zorg of de post werken niet worden uitgeknepen, waar jonge allochtonen die solliciteren een eerlijke kans krijgen, waar ruimte is voor diversiteit, waar vluchtelingen worden omarmd, waar we solidair zijn. Al dat andere gelul kan me gestolen worden.’
Terug naar de Arabische wereld. U spreekt over de gevolgen van westerse inmenging, maar wat is de rol van de islam? IS baseert zich op teksten van middeleeuwse moslimgeleerden.
‘Ik bagatelliseer niks, want er zijn ook rare geschriften in de islam. Ik koester al heel lang de wens dat er een beweging in de moslimwereld ontstaat die zegt: jongens, dit soort teksten uit de Middeleeuwen gelden niet meer voor onze tijd. Profeet Mohammed heeft gezegd: wie zijn ratio niet gebruikt, heeft geen geloof. Laten we dat serieus nemen, laten we kijken naar de menselijke waarden in de Koran. Maar die discussie komt niet op gang.’
Er zijn moslims die beweren dat die discussie allang wordt gevoerd.
‘In De Arabische storm vraag ik aan de imam van de Al-Azhar-moskee in Caïro: ‘Waarom doe je geen afstand van geweld? Waarom kun je geen focking fatwa uitspreken tegen elke vorm van geweld? Waarom is dat zo moeilijk?’ En dan gaat zo’n imam een enorm lulverhaal houden: ja, om onrecht te stoppen moet je soms geweld gebruiken. Dan denk ik: jongens, alsjeblieft, ga voor de liefde, zorg dat mensen elkaar omarmen. Daar zou Al-Azhar een hele positieve rol in kunnen spelen, maar dat gebeurt niet.’
U bent niet erg hoopvol voor de Arabische wereld?
‘Wat ik mis, is… Je kunt wel alles afschuiven op het Westen, maar waar is de eigen verantwoordelijkheid? Er is weinig leiderschap in de Arabische wereld. Ze vechten elkaar de tent uit en macht corrumpeert snel. Elk individu heeft de keuze, ook zo’n man in Fallujah, hoe boos hij ook is: wel óf niet aansluiten bij IS.’
Wilt u met uw journalistieke werk iets doen aan onrecht? Is dat uw missie?
‘Ja, ik kies mijn onderwerpen uit het hart.’
U gebruikte net ook al het woord ‘solidair’. Bent u niet bang te worden versleten voor een wegkijker, iemand van regressief links?‘
Dat boeit mij totaal niet. Met solidair bedoel ik ook: solidair met mensen die zich zorgen maken omdat er in hun dorp een asielzoekerscentrum komt. Ik vind het niet goed die mensen weg te zetten als racist. Ze doen soms niet al te slimme uitspraken, maar neem ze serieus. Luister naar hun zorgen.’
Waarom bent u zo met onrecht bezig?
‘Soms zeg ik gekscherend: dat komt vast doordat ik opgegroeid ben met vrouwen. Mijn moeder was in Nijmegen voorzitter van de Turkse vrouwenvereniging en zij nam mij constant mee. Dan zat ik tussen al die vrouwen, ik hoorde over huiselijk geweld en zag hun blauw geslagen ogen. Mijn moeder is strijdvaardig en mijn vader ook.’
U komt uit een klassiek links nest?
‘Een heel klassiek links nest. Fruit en groente uit Israël kochten we niet, want dat kwam uit bezet gebied. McDonald’s deden we niet aan, want die maakte de regenwouden kapot. Er mocht niet bij Shell worden getankt, anders steunden we de apartheid in Zuid-Afrika. Ik weet nog dat we bijna geen benzine meer hadden en mijn vader doorsjeesde bij een benzinepomp van Shell. Even later stonden we stil langs de kant van de weg.’ Can grinnikt.
En toen moesten jullie naar zo’n telefoonpaal om de ANWB te bellen?
‘Ja! Mijn ouders waren soms naïef, in mijn puberteit heb ik me daar wel aan gestoord. Nu denk ik: nee, blijf maar zo leven, misschien moet je wel zo in de wereld staan om niet verbitterd te worden.’

Haatmails
Can groeide op in Nijmegen, waar zijn opa van vaderskant in de jaren zestig vanuit Turkije naartoe was getrokken. Zijn ouders volgden in de jaren zeventig. Zijn moeder was maatschappelijk werkster, zijn vader metaalarbeider. Can had één jonger broertje en had een ‘prettige’ jeugd in een ‘eenvoudig’ gezin in Nijmegen. In die stad woont hij nog steeds, maar hij wil niet dat zijn persoonlijke omstandigheden bekend worden. Hij kreeg na de serie Bloedbroeders zoveel dreigementen over zich heen, dat hij geen risico wil lopen.
Bloedbroeders behandelde een gevoelig Turks punt: de Armeense genocide die door Turkije wordt ontkend. Can constateerde dat minstens één miljoen Armeniërs in Turkije in 1915 op grond van een systematisch uitgewerkt plan om het leven zijn gekomen, wat maakt dat er sprake was van genocide. De Armeniërs werden hun huizen uitgejaagd en weggestuurd in dodenmarsen, richting de Syrische woestijn. Ze werden beroofd, verkracht en vermoord, onder anderen door Koerdische clans. Of ze stierven van honger en uitputting.
‘Waarom ga je niet dood?’ mailde een Turkse Nederlander hem toen de zesdelige serie begin vorig jaar werd uitgezonden. ‘Nog even geduld, misschien gebeurt het snel op een natuurlijke manier,’ mailde Can terug. Hij moet er nu hard om lachen, maar vorig jaar was hij blij toen Bloedbroeders was afgelopen. ‘Het doet toch iets met je, al die haatmail en doodsverwensingen. Dan denk je: man, wat heb ik gedaan om op die manier te worden gehaat?’
Vóór Bloedbroeders ontkende Can de genocide niet, maar hij erkende haar ook niet. Hij wist domweg te weinig van het onderwerp en sprak net als veel andere Turkse Nederlanders van de ‘Armeens-Turkse kwestie’. Toen hij voorUitgezet in Armenië was, merkte hij hoe gevoelig de Turkse ontkenning lag. ‘Weet je hoeveel verdriet ons dat doet?’ kreeg hij te horen. ‘De wond blijft open zolang jullie niet erkennen wat ons is aangedaan.’
Hij besloot Bloedbroeders te maken toen het bijna honderd jaar na 1915 was. Hij pakte het persoonlijk aan. Hij vroeg de Armeens-Nederlandse musical-acteur Ara Halici mee naar Turkije om uit te zoeken wat er was gebeurd. Ze bezochten archieven en reisden door voormalig Armeens gebied. Halici’s voorouders bleken ternauwernood aan de slachting te zijn ontkomen, veel verre familieleden waren omgekomen. Interessant was wat Can zou ontdekken over zijn eigen familie, want die woonde op voormalig Armeens grondgebied, in de provincie Erzincan in Oost-Anatolië. Als kind had Can de dorpjes van zijn voorvaderen vaak bezocht, zijn grootouders van moederskant woonden er nog. Er was hem nooit iets opgevallen. Toen Can er voor Bloedbroeders voor het eerst sinds jaren weer kwam, zag hij op een van de huizen een Armeense inscriptie staan. ‘Ik dacht: tering, dat heb ik al die tijd niet gezien. Er was dus een Armeense kerk of school afgebroken waarvan ze die steen hadden gebruikt.’
Op televisie besteedde u er nauwelijks aandacht aan, maar met uw grootouders van moederskant was iets bijzonders aan de hand. Ze waren Koerdisch en hadden in 1938 zelf een massaslachting overleefd. Hebben ze er ooit over verteld?
‘Nee, opa wilde er nooit over praten, dat was een groot trauma. Hij werd altijd emotioneel als het daarover ging. “Laat die wond, krab hem niet open,” zei hij dan. Voor mijn oma gold hetzelfde. Het waren simpele, pure mensen, die weinig hadden, alleen elkaar. Ze vierden het leven.’
Ze waren geboren in de provincie Dersim, waar de Koerden zijn uitgeroeid. Waarom gebeurde dat?
‘Het was een piepkleine, opstandige provincie, met een groep Koerden die geen belasting betaalde en geen zoons aan het leger leverde. Het Turkse leger heeft ze afgeslacht. Ik denk altijd dat ik daardoor constant geprikkeld ben als het gaat om rechtvaardigheid en gerechtigheid. En daar komt natuurlijk ook het strijdvaardige van mijn moeder vandaan.’
U bedoelt: u weet wat onrecht met mensen doet?
‘Ja. En dat thema komt terug in bijna alle series die ik heb gemaakt.’
Uw grootouders waren als enigen van hun families over en het waren nog maar kinderen.
‘Mijn opa was negen volgens mij en mijn oma was nog jonger. Ze hadden alleen nog verre familie en kennissen. Ze zijn opgenomen in andere gezinnen.’
Ze zijn terechtgekomen in een verlaten Armeens dorp in Erzincan waar later uw moeder werd geboren. Wat vindt u daarvan?
‘Dat dorp was geen vrijblijvende keuze. Mijn opa en oma waren zelf ook verdreven. En ze hebben nooit ontkend dat ze in een Armeens dorp woonden. Mijn moeder wist het ook. Zij heeft nooit getwijfeld aan het leed van de Armeniërs.’
Hoe oordeelt u over de handelwijze van uw overgrootvader van vaders kant, Küçük Ağa, die na 1915 grote stukken Armeens land voor bijna niets heeft overgenomen?
‘Linksom of rechtsom: die heeft zijn slag geslagen.’
Hij heeft geprofiteerd van de genocide?
‘Ik vind dat hij medeschuldig was.’
U zegt het nu sterker dan in de serie.
‘Sowieso: hij moet hebben geweten dat de Armeniërs werden afgevoerd, zoals iedereen in Anatolië. Als je dan geen hand uitsteekt of de andere kant uitkijkt, wat ook is gebeurd met de Joden in Nederland, kun je je dan vrijpleiten? Ik vind van niet. Er waren duizenden Turken en Koerden die de Armeniërs wel hebben geholpen, met gevaar voor eigen leven. Ik had gehoopt dat mijn overgrootvader een van hen was, al had hij maar één leven gered. Maar nee, dat was niet het geval.
Alsjeblieft, waar is het geweten? Mededogen? Medemenselijkheid?
Ik neem het iedereen in Anatolië kwalijk die deze gruwelijkheden heeft laten passeren, deze onmenselijkheden, één grote zwarte pagina. En dan zijn er Turken die tegen mij zeggen: ‘Maar de Turken hebben ook geleden.’ Ja, de Duitsers ook tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn meer Duitsers omgekomen dan Joden, maar dat is niet de schuld van de Joden. Alsjeblieft, waar is het geweten? Mededogen? Medemenselijkheid? Of je de discussie over genocide nu wel of niet aangaat, heb compassie met de Armeniërs.’
U was in de serie genadeloos eerlijk, net als in het boek ‘Bloedbroeders’ dat u samen met Ara heeft geschreven.
‘We hebben een fysieke reis gemaakt, maar ook een innerlijke reis en dat betekent dat je jezelf moet blootgeven. Op een gegeven moment word ik emotioneel in de serie, als ik hoor hoe de overgrootmoeder van Ara door een man te paard uit een dodenmars is gehaald, samen met haar kind, de opa van Ara. Die man heeft haar opgevangen en Ara’s opa behandeld als een zoon. Zijn daad echoot nu al een eeuw door, want Ara en zijn familie bestaan. Daar put ik hoop uit. Dan denk ik: hoe donker de tijden ook zijn, er zullen altijd mensen zijn die goed doen.’
Wat zeiden uw ouders over ‘Bloedbroeders’?
‘Ik besef dat de serie hun verdriet heeft gedaan. De geschiedenis die ik liet zien, was niet iets om trots op te zijn, vooral niet voor mijn vader.’
Ik heb begrepen dat een familielid van vaderskant tegen u heeft gezegd: ‘Jouw overgrootvader draait zich in zijn graf om door dit programma.’
‘Hij vond dat ik mijn overgrootvader na honderd jaar een trap na gaf, dat vond hij schandalig. “Wat heb je nou ontdekt? Laat dan zien? Heeft Küçük Ağa iemand vermoord of iets aangedaan?” zei hij. “Maakt me allemaal niet uit,” heb ik geantwoord. “Je weet dat de Armeniërs hun gronden niet vrijwillig aan ons hebben afgestaan.”’
Iemand van het Turkse consulaat in Nederland heeft u gewaarschuwd: ‘Dit krijgt een staartje, we zetten het je betaald.’ Heeft u daar al iets van gemerkt?
‘Nee, maar ik ben sinds Bloedbroeders ook niet meer in Turkije geweest.’ Hij lacht en zegt dan: ‘Op vakantie ga ik daar niet naartoe. In een land waar de helft van de mensen ongelukkig is, wil ik geen vakantie vieren. Dat is principieel.’
En de helft is in Turkije ongelukkig?
‘Ja, de mensen die het niet eens zijn met president Erdogan. Maar als ik naar Turkije moet voor werk, ga ik. En als mijn ouders overlijden, wat God verhoede, ga ik ook, wat de consequenties ook mogen zijn. Dan denk ik echt geen minuut na.’
Is het link voor u om te gaan?
‘Ik weet het niet, ik weet het echt niet. Maar ik kan mij niet voorstellen dat het níét tot problemen leidt als ik bij de grens sta.’
Vanwege ‘Bloedbroeders’?
‘Ik ben ook kritisch geweest over Erdogan.’
In ‘De Wereld Draait Door’ heeft u gezegd dat u zich blijft uitspreken over de situatie in Turkije, dat u zich niet wilt laten gijzelen.
‘Klopt. Maar als je dat zegt, ben je al een landverrader. Wie ben ik om iets over onze geweldige president te zeggen?’
In Turkije zijn tienduizenden mensen achter de tralies verdwenen omdat ze aanhanger zouden zijn van Erdogans opponent Gülen en in Nederland woekeren de problemen door. Hoe voelt u zich daaronder?
‘Ik word daar heel verdrietig van. Het is niet erg dat in Nederland Erdogan-aanhangers discussiëren met Gülen-aanhangers, maar dat mensen oproepen iemand uit het andere kamp aan te geven in Turkije, is verschrikkelijk. We moeten oppassen dat het niet escaleert, anders gaan er gewonden vallen. Er zijn al mensen uitgescholden en in elkaar geslagen. En dan heb je nog de PVV die bijdraagt aan de angstcultuur en DENK aan de andere kant, die tegen Turken van de derde generatie zegt dat ze in Nederland minderwaardig zijn. Ja, ik weet dat er discriminatie is op de arbeidsmarkt, maar probeer mensen niet de put in te praten. Zeg tegen ze dat ze Nederlanders zijn en pak de problemen samen aan.’
Wat vindt u ervan dat Turkije het Turks nationalisme in Nederland aanwakkert?
‘Dat nationalisme was er altijd al. Dat zit al honderd jaar in het bloed van de Turken. Het is nooit weggeweest. In 2002 liep ik stage in Turkije en toen had de grootste krant als onderkop: “Turkije is van de Turken.” Ik dacht: wauw, je zult maar etnisch Arabier, Koerd , Armeniër of Arameeër zijn.’
Het zal nooit lukken om alle mensen in een land hetzelfde te maken. Het is die gekke Hitler niet eens gelukt.
Er gaat geld van de Turkse overheid naar imams en internaten in Nederland. De band wordt zo continu aangetrokken.
‘Ik vind het niet erg dat Turkije geld besteedt in Nederland – graag, voor mooie verbroederende, verzoenende dingen. Voor mijn part wordt met dat geld een grote brunch voor alle Nederlanders georganiseerd. Maar het wordt gebruikt om Turken te isoleren en tegen ze te zeggen: je moet in Nederland niet assimileren. Zo creëer je een zuil waar mensen niet meer uitkomen. Ik heb altijd gezegd: Turken zijn in Nederland het slechtst geïntegreerd, maar niemand had het door, want iedereen had het te druk met de Marokkanen.’
Hoe komen we uit deze situatie?
‘Op het moment dat jij jouw geloof of ideologie of cultuur als superieur ziet en wilt opleggen aan een ander, wordt alles lelijk. We moeten ons met elkaar verzoenen en onze verscheidenheid als kracht zien. De problemen moeten we benoemen, maar tegelijk moeten we beseffen dat mensen overal hetzelfde zijn, met dezelfde zorgen, angsten en wensen.’
In ‘Bloedbroeders’ heeft u zich verzoend met een 105-jarige Armeniër die als kind een dodenmars had overleefd. Hielp dat?
‘Het was symbolisch voor de hele geschiedenis. En ik trok er de levensles uit dat culturen zich met elkaar moeten verzoenen.’
Met één iemand verzoenen, dat snap ik. Maar hoe kunnen culturen zich met elkaar verzoenen?
‘Gewoon: ga samenleven. Waarom zouden we niet kunnen samenleven? Mensen leven al tienduizenden jaren samen. Daarom ben ik huiverig voor nationalisme, het heeft alleen maar ellende met zich meegebracht. In Turkije is het al honderd jaar: één volk, één natie, één taal, en dat heeft het land geen goed gedaan. Het zal nooit lukken om alle mensen in een land hetzelfde te maken. Het is die gekke Hitler niet eens gelukt.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.