Oud-diplomaat Marten de Boer staat voor zijn huis in Oegstgeest als ik de straat binnen kom rijden. Trui, spijkerbroek, sokken in blauwwitte badslippers. Hij is slanker dan ik me hem herinner – het gebrek aan beweging en de twee warme maaltijden per dag die in Uruzgan geserveerd werden, waren funest. Hij vindt hetzelfde van mij en roept joviaal: ‘Wauw wat ben jij afgevallen.’ Ook zijn kenmerkende grijze ringbaardje heeft hij afgeschoren. Marten en ik kennen elkaar uit Kamp Holland, waar hij lange tijd als diplomaat waakte over de wederopbouwmissie. In totaal zat De Boer bijna vijf jaar in Afghanistan, waarvan een in Kamp Holland. Dat deed hij uit vrije wil, hij vond dat hij er moest zijn om ervoor te zorgen dat er continuïteit was. Hij was de Nederlander die het langste non-stop in het kamp woonde, de militairen waren er maximaal zes maanden.
Sinds de Korea-oorlog hadden de Nederlandse troepen niet meer zo hard strijd geleverd, er vielen 25 doden en er werd 2 miljard euro uitgegeven.
De Boer gaat me voor naar zijn woonkamer die ik jaren geleden al eens bezocht. We zitten weer aan een antieke tafel, de smaakvol ingerichte woonkamer ademt zijn verleden als diplomaat. Kleurige schilderijen uit Bolivia, snijwerk uit Tanzania en een schaal met oude parfumflesjes van lapis en lazuli-stenen die hij kocht op de bazaar in Kaboel. Marten, met voor zich vier dikke fotoboeken over zijn tijd in Afghanistan, verheugt zich duidelijk op het gesprek. Altijd opereerde hij in de schaduw. Onze gesprekken waren altijd off the record. Nooit keek hij uitgebreid en in detail terug op deze missie, die zonder twijfel de belangrijkste en indrukwekkendste was in zijn lange carrière. Sinds de Korea-oorlog hadden de Nederlandse troepen niet meer zo hard strijd geleverd, er vielen 25 doden en er werd 2 miljard euro uitgegeven.
Geheim kamp
Kamp Holland, augustus 2006. Voor de Wereldomroep (en ook voor Libelle) was ik voor de eerste keer in Afghanistan, het land waar ik sindsdien tientallen keren ben terug geweest en vier jaar heb gewoond. Die eerste keer, ik was 25, was Kamp Holland voor mij een spannende plek. Ik was nog nooit in een legerkamp geweest, had nog nooit zoveel wapentuig bij elkaar gezien. En daar, buiten de muren, sloop in de bergen en valleien de taliban. In het kamp werd ik constant in de gaten gehouden door de PIO’s, de Public Information Officers, jargon voor legerwoordvoerders. Op een van de eerste dagen interviewde ik – voor Libelle – een vrouwelijke militair over haar leven in het kamp. Tijdens het gesprek hoorde ik een oproep tot gebed. Dat was vreemd, Tarin Kowt was te ver weg, het kamp lag een paar kilometer buiten het centrum. Dus waar kwam het geluid vandaan? De militair, zich niet bewust van de gevoeligheid van het onderwerp, zei dat er binnen de omheining van Kamp Holland nog een ander kampje was waar Amerikaanse special forces en troepen uit de Verenigde Arabische Emiraten waren gelegerd, en ja, die moesten bidden, toch?
Mijn journalistieke instinct wist: hier zit een verhaal. Het was niet bekend dat een Golfstaat de coalitie bijstond (en er dus een islamitisch land meedeed in de strijd tegen andere moslims). Bovendien had de regering in de Tweede Kamer duidelijk gezegd dat Nederland lead nation was. Weliswaar was een onbekend aantal Amerikaanse special forces actief in het kader van Operation Enduring Freedom, maar hun missies zouden onder uiteindelijke verantwoording van de Nederlanders plaatsvinden. Nu bleek dat er een geheim kamp was waar de Nederlanders niet zomaar konden binnenlopen, dat het aantal Amerikanen groter was dan altijd was verteld en dat er naast de Amerikanen ook special forces uit een Arabisch land waren. Dit was nieuws!
Niet lang na het gesprek met de militair raakte ik in gesprek met Marten. We zaten in de brandende hitte onder camouflagenetten bij een gepantserde kantoorcontainer. Dat we elkaar spraken was eigenlijk niet toegestaan, mij was door de PIO’s verboden zomaar met ‘losse contacten’ praatjes aan te knopen; ik mocht zelfs geen visitekaartjes uitdelen. Maar Marten trok zich daar niets van aan. In vergelijking met de strenge PIO’s was hij een verademing: open, vriendelijk en hij wist veel over Uruzgan. Omzichtig peilde ik hem over de kwestie van het ‘andere kamp’ en de aanwezigheid van militairen uit de Emiraten. Hij bevestigde het verhaal, sterker nog, hij nodigde me uit om mee te gaan naar een barbecue op het geheimzinnige kamp later die avond. En zo kon het dat ik op de tweede dag van mijn verblijf op Kamp Holland met een kebabspies in mijn hand gesprekken voerde met commandant Abdullah die het, geloof ik, een veel minder groot probleem vond dat ik er was dan de Nederlanders. Het nieuws stuurde ik die avond nog door naar de Wereldomroep, en het werd tot mijn grote trots opgepikt door de BBC: Troops from Emirates stationed in Uruzgan. De PIO’s waren woedend. ‘Achteraf hoorde ik pas dat jij het niet mocht weten, dat het geheim was,’ zegt Marten nu. ‘Je was een jonge, nieuwsgierige journalist die overal haar neus tussen probeerde te steken, dat vond ik leuk. De PIO’s hadden heel wat moeite om je in toom te houden.’

Smoelenboek
Op 2 februari 2006 – vlak nadat door het parlement was besloten tot de missie – werd De Boer gepolst of hij naar Afghanistan wilde. In de Tweede Kamer was toegezegd dat er een wederopbouwmissie moest komen, en dus werd als de wiedeweerga iemand gezocht die namens Buitenlandse Zaken dat project kon leiden. Het oog was gevallen op de zeer ervaren De Boer, die al een leven lang in het ontwikkelingswerk had gezeten. Hij liet zijn werk in Den Haag uit zijn handen vallen, voerde intensief gesprekken met zijn gezin (‘is het daar niet gevaarlijk?’, ‘kom je wel terug?’) en zat al een week later in Kaboel voor een eerste training. Tot zijn niet geringe verbazing bleek in de bijeenkomsten met Afghaanse funtionarissen dat er over Uruzgan nauwelijks iets bekend was. Exact aantal inwoners? Geen idee. Voedselvoorziening en gezondheidssituatie van de bewoners? Gegevens ontbraken. ‘Maar ik ga daar eind mei heen,’ riep De Boer vertwijfeld uit. ‘Ik moet voor Den Haag een rapport schrijven waarop de hele missie wordt gebaseerd.’ Het antwoord: ‘We pity you sir. Niemand hier uit Kaboel wil de dorpen in, of het nou gaat om mensen van het ministerie van Landbouw, Justitie of het Centraal Bureau voor de Statistiek.’ De Boer terugkijkend: ‘Toen werd me duidelijk dat Uruzgan een verhaal apart was.’
In de dagen die volgden, zocht hij naar informatie, en bij een Amerikaanse collega had hij beet. Er bleek een dik dossier met onder meer een ‘smoelenboek’ van alle belangrijke sleutelfiguren in Uruzgan. Dat document mocht de Amerikaan niet geven, maar daar had hij een oplossing voor. ‘Ik ga even naar de wc, en als jij dan de documenten pakt, heb ik daar geen probleem mee,’ zei hij. Zo ging dat dus, Nederland zat niet in de groep van vijf landen die inlichtingen onderling deelden, maar door dit soort ontmoetingen belandde er toch vitale informatie in Den Haag.
Het doet pijn om te zien dat het nu zo loopt. Dat had niet gehoeven.
Met grint gevulde zakken
Op 1 augustus 2006 nam Marten de Boer zijn intrek in Kamp Holland. Het was voor de man die gewend was zonder militairen in Afrika en Zuid-Amerika ontwikkelingsprojecten te runnen een hele verandering om zijn dagen te slijten achter de hoge muren van hesco’s, met grint gevulde zakken waar kogels en granaten moeilijk doorheen komen. Dus de man die verantwoordelijk was voor de wederopbouw kwam nauwelijks in direct contact met Afghanen. ‘Het was verschrikkelijk. Ik kon nooit zonder bewaking weg. Het enige uitje dat ik had, was de wekelijkse vergadering van de gouverneur. En dan zat je daar aan tafel, maar de gouverneur en de militairen bepaalden de agenda en dat verliep allemaal heel formeel. Na afloop wilde ik dan graag informeel napraten, daar moest ik het van hebben. Maar dat kon niet. Ik moest weer snel mee terug naar het kamp. Ze konden die Force Protection daar toch niet de hele tijd voor mij laten blijven?’
Maar het was toch een wederopbouwmissie? Wat jij deed had toch hoge prioriteit? Het toverbegrip van die jaren was toch Defence, Diplomacy and Development?
‘De militairen moesten heel erg wennen. Die hadden in het begin zoiets van: “Wat doen die burgers hier.” Maar zoals je zegt, ze moesten wel, het was een wederopbouwmissie. De leiding begreep het wel, maar heel veel anderen niet. Pas later werden we serieuzer genomen. Maar voor mij was het dat eerste jaar frustrerend. Dan kwamen er op mijn verzoek allemaal mensen van hulporganisaties uit Nederland naar Uruzgan, die door lokale collega’s aan de poort van Kamp Holland werden opgehaald om het veld in te gaan en dan moest ik op het kamp achterblijven.’
Hoe konden jullie dan zien of projecten wel of niet werden uitgevoerd?
‘Lokale medewerkers legden alles vast op foto’s en filmpjes. En die bekeken we dan op het kamp. Ook spraken we met mensen in Kaboel. Het was voor hen te gevaarlijk om naar Kamp Holland te komen. We vlogen ook met helikopters naar gebieden waar we niet konden komen om dan vanuit de lucht de bouw van scholen en andere projecten te bekijken.’
Verraders
Ondanks het feit dat hij rare toeren moest uithalen en al die jaren nauwelijks in contact kon komen met gewone Afghanen in Uruzgan, is De Boer trots op wat hij heeft bereikt. ‘Toen we in Uruzgan begonnen, zaten er misschien zes hulporganisaties, toen we weg gingen wel zestig. We hebben honderden projecten gedaan, ook in heel ver afgelegen gebieden, ter waarde van bijna 129 miljoen euro.’ Het ging om de aanleg van een weg, maar ook om heel kleine projecten, boomkwekerijen, kassenbouw, landbouwtrainingen, waterprojecten, noem maar op.
De militairen drongen er keer op keer op aan om meer ruchtbaarheid te geven aan die projecten, het was immers een wederopbouwmissie! Maar De Boer was huiverig, de mensen die met de Nederlanders samenwerkten, konden als verraders worden betiteld door anderen. Toch ging De Boer overstag, zijn informatie kwam terecht in een briefing aan het Centrale Commando in Kandahar en werd daar op een publiek toegankelijke website geplaatst als voorbeeld van de goede werken die de ISAF-operatie in Afghanistan verrichtte. ‘Niet veel later werd ik door een hulpverlener in paniek gebeld. Ze vertelde me dat het bericht was overgenomen door een website van de taliban. Nog diezelfde week werd het kantoortje van de hulporganisatie in het dorp waar we actief waren bestookt met granaten. Gelukkig zaten alle medewerkers op dat moment in de moskee, het was ramadan. Het kantoor was behoorlijk beschadigd. Daarna begrepen de militairen het wel. Maar alles begon weer van voren af aan bij de nieuwe lichting, die na een half jaar naar Kamp Holland kwam. Het was vervelend dat we niet meer konden laten zien, zo had het grote publiek in Nederland geen kijk op wat we deden.’
Niet uit de pas lopen
De Nederlandse wederopbouwmissie was bedoeld om de bevolking ervan te overtuigen niet voor de taliban en Al-Qaida te kiezen, maar voor het wettelijke gezag. Zo moest de basis voor de islamitische radicalen worden weggenomen om de global war on terror te stoppen. Het leek allemaal heel overzichtelijk: wij van de NAVO hielpen de ‘goede Afghanen’ die het gezag uit Kaboel accepteerden en daar tegenover stonden de Afghanen die heulden met de taliban en bestreden moesten worden.
Er waren slimme Amerikanen hoor, die de Nederlandse benadering prezen, maar anderen gingen als olifanten door de porseleinkast.
Marten de Boer was in 2006 de eerste Nederlander die me liet twijfelen over deze aannames. Hij vertelde dat hij was beland in een provincie vol stammen die het onderling met elkaar aan de stok hadden. Waarvan de ene helft jarenlang was voorgetrokken door Kaboel (in hun gebieden verrezen scholen, ziekenhuisjes en was er toegang tot elektriciteit) terwijl de andere groep buitengesloten werd. Daar kwam nog bij dat de bovenliggende stammen met veel geweld en bloedvergieten hun gezag handhaafden. Geen wonder dus dat de onderliggende partijen hun toevlucht zochten tot wie ze maar wilden helpen, inclusief taliban-leiders in het Pakistaanse Quetta. ‘De oorzaak van het conflict in Uruzgan was niet dat daar allerlei terroristen rondliepen,’ zegt De Boer. ‘Maar wel dat er allerlei achtergestelde groepen waren die geen toegang hadden tot water en land. En dan kan je niet overleven. Als water en land door één groep worden gemonopoliseerd, vraag je om problemen. Dat zie je niet alleen in Afghanistan, maar ook in Mali, waar we op dit moment een missie hebben lopen. Heel veel mensen uit Uruzgan die tijdens het taliban-regime behoorden tot stammen die het regime hadden gesteund, vluchtten naar Pakistan omdat ze na 2001 bedreigd werden door de Amerikanen. Dat zijn taliban, zeiden de Amerikanen, die moeten we gevangen nemen. Dan stond ik met zo’n Amerikaanse commandant en dan zei die met een zwaar Texaans accent: “In deze vallei zitten de good guys, en in de andere vallei de bad guys.” Er waren slimme Amerikanen hoor, die de Nederlandse benadering prezen, maar anderen gingen als olifanten door de porseleinkast.’
De Amerikanen oefenden druk uit op de Nederlandse militaire leiding acties te ondernemen waar ze zelf niet altijd in geloofden, zag De Boer. ‘Ik kan me nog goed herinneren dat ik tegen middernacht naar de wascontainer liep om mijn tanden te poetsen en dat ik commandant Theo Vleugels buiten op een stoel een sigaar zag roken, hij was nog gewoon aan het werk. “Theo jongen,” zei ik. “Wat zit je nog laat buiten.” Hij antwoordde me dat hij enorm zat te worstelen. De Amerikanen wilden dat hij in de Baluchi-vallei veegacties zou gaan doen. Daar zaten volgens hen de taliban, en die moesten bestreden worden, dat hadden zij ook altijd gedaan. Maar Vleugels zag dat niet zitten, vorige acties hadden ook niet geholpen, hij wilde de bevolking daar juist proberen voor zich te winnen. Maar hij wilde ook niet uit de pas lopen, het verwijt krijgen dat hij de situatie erger had gemaakt.’
Toen generaal Dick Berlijn niet veel later op voorstel van ISAF projecten juist in gebieden wilde doen waar de machtige stammen woonden, in de wat veiliger Afghan development zones, ging De Boer daar tegenin. ‘Ik vond dat we juist bij de andere stammen moesten zijn, zoals in de Baluchi-vallei. Zij moesten zien dat we er ook voor hen waren. Gelukkig is dat ook gebeurd. We konden die mensen niet op het kamp ontvangen, maar alleen onopvallend in theehuizen in Kaboel.’
Dus jullie spraken met de taliban!
‘Ja, eh, (je hoort De Boer denken), wij spraken met mensen die in bepaalde kringen als taliban werden gezien.’
Hadden we daarover niet eerlijker moeten zijn in Nederland?
‘Ik vind dat de politiek sowieso eerlijker had moet rapporteren over wat er in Uruzgan speelde. Bij het ministerie zijn ze vaak bevreesd dat mensen niet in staat zijn de achtergronden van bepaalde beslissingen te doorgronden. Ik denk dat de Nederlandse bevolking wordt onderschat.’

Had het impact?
Het is nu vijf jaar later. In Uruzgan is van de Nederlandse aanwezigheid weinig meer te merken. De machtige stammen zitten weer in het zadel, in de provincie is geen buitenlandse hulpverlener meer te vinden, het telefoonbereik wordt steeds minder, de opiumteelt bloeit als nooit tevoren, regelmatig komt het tot hevige gevechten, waarbij de gouverneur en zijn mensen afgelopen zomer zelfs tijdelijk op de vlucht gingen.
De Boer: ‘Het doet pijn om te zien dat het nu zo loopt. Dat had niet gehoeven.’
Hoezo niet?
‘Ik vind dat wij veel te abrupt zijn vertrokken. We hadden de missie veel rustiger moeten afbouwen, het ging goed, het was er stabiel, we hadden met veel minder troepen toegekund. Maar in Den Haag moest de stekker eruit van de PvdA, het ging niet langer meer om de inhoud. Er kwamen provinciale verkiezingen aan en ze dachten: wat doen we daar, het kost alleen maar geld en onze jongens sterven daar. Het ging om binnenlandse politieke belangen en niet om het welzijn van de mensen in Uruzgan.’
Had het verschil gemaakt als we wél langer waren gebleven?
‘Toen we kwamen, ging minder dan één procent van de meisjes en zeven procent van de jongens naar school, toen we weggingen 25 procent, de gezondheidszorg werd beter, je zag economische groei, Uruzgan stond nationaal op de kaart. Als we waren gebleven, hadden we meer stabiliteit kunnen brengen in de politiek, hadden we meer stammen met elkaar kunnen verzoenen. Nu zijn we weer terug bij af.’
In Noorwegen is onlangs een groot en gestructureerd onderzoek gedaan naar effecten van hun missie. Moeten we dat niet ook in Nederland doen?
‘Ik denk dat het heel goed zou zijn om zoiets te doen. Vijf jaar geleden is daar in de Kamer om gevraagd, maar het is nooit gebeurd. Er is wel per uitgevoerd project bekeken hoe dingen zijn gelopen, een soort voortgangsverslag van de wederopbouwmissie, maar dat is geen echte onafhankelijke evaluatie van een totale missie om te kijken wat heeft gewerkt en wat we kunnen leren voor toekomstige operaties. Ik zou er overigens voor pleiten om niet alleen naar Uruzgan te kijken, maar ook naar Kunduz en naar Mali, een brede evaluatie. Krijgen we value for money? Had het impact? Hebben we er goed aan gedaan om mee te doen? En dan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, dat zou ik wel zien zitten.’
De Noren concluderen dat noch militair noch als het gaat om wederopbouw enig resultaat is bereikt, dat er meer onveiligheid is, dat er meer taliban zijn dan voordat ze kwamen in de noordelijke provincie Faryab. Het enige wat de missie volgens hen heeft opgeleverd, is dat de relatie met de Verenigde Staten goed is gebleven.
‘Ook voor Nederland geldt dat beslissingen om mee te doen aan missies als die in Uruzgan, maar ook nu in Mali, zijn ingegeven door een geopolitieke context. Artikel 5 van het NAVO-handvest stelt dat een aanval op een van ons, een aanval is op ons allen. We moesten dus wel meedoen. Niet mee omdat we Afghanistan zo belangrijk vinden, maar omdat we het belangrijk vinden als onderdeel van de internationale gemeenschap de terreurdreiging te verlagen.’
Ga je ooit nog terug naar Uruzgan?
‘Heel graag, ik heb een goede band opgebouwd met veel mensen. Ik bel met ze, ik kreeg via Facebook felicitaties op mijn verjaardag. Maar of het ervan komt? Het gevaar om gegijzeld te worden, wordt steeds groter nu het er zo instabiel is. En voor je het weet ben je dan doorverkocht aan een taliban-groep, dat moet je niet willen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.