Als je al weet wat je gaat aantreffen, hoef je er ook niet heen, zei journalist Gerard van Westerloo eens. Samen met Elma Verhey schreef hij voor Vrij Nederland en NRC – soms eindeloze – reportages. Die gingen over kippenboerderijen en politieke fracties, over trambestuurders, campingbewoners en ambtenaren van middelgrote gemeenten. Hun verhalen gingen alle kanten op, door alle lagen heen.
Voor die waaier aan verhalen hanteerden de twee een opvallende strikte werkwijze.
- Zoek een plek waar niks aan de hand is.
- Ga erheen zonder vooropgezet plan.
- Spreek daar met iedereen.
- Spreek mét mensen, niet over ze.
- Stop pas wanneer je zelf meent dat het verhaal af is.
Beetje bij beetje hebben wij de afgelopen jaren zelf de wetten van Van Westerloo ontdekt. Onze eerste reportage voor nrc.next, meer dan tien jaar geleden, was een zomeruitje, met de stoomtrein naar de kerncentrale in Borssele. We eindigden picknickend in het gras op de dijk. Vanaf dat moment hingen we vaak samen rond in Nederland, op een industrieterrein, in een hotel langs de snelweg, op een camping, in een klein dorp waar een moord was gepleegd, in een Haagse volksbuurt, op Schiphol.
Vijf lessen die we leerden door rond te hangen in Nederland.
Les 1: Voer geen muizen aan je piranha’s
‘Overal haren!’ De ex-growshopeigenaar is er nog steeds chagrijnig van. Wát een werk om dat hele aquarium weer schoon te krijgen! Vanachter zijn imposante bureau draait hij onrustig rond op zijn stoel, bovenin een grijze bedrijfsunit met uitzicht op een postsorteerbedrijf. De geur van wierook hangt in de kamer. Lange vloei op tafel, de moordlustige horrorpop van Child’s Play in de vensterbank. De piranha’s zijn inmiddels dood, vertelt hij. De man loopt naar achteren en haalt uit de vriezer een ingevroren exemplaar. ‘Wil je ’m hebben?’
Op bedrijventerreinen mag alles. Je kunt alles hebben, mag alles doen, kan iedereen zijn. Niemand is er de baas.
Op bedrijventerreinen mag alles. Je kunt alles hebben, mag alles doen, kan iedereen zijn. Niemand is er de baas. Het zijn privéterreinen die ver buiten de aandachtsspanne van handhavers en beleidsmakers vallen. Witte schimmel, noemde een minister ze eens, deze oprukkende vlekken vol monotone prefab-bouw. Non-descripte plaatsen waar je met grote vaart doorheen rijdt op weg naar je bestemming, maar nooit halverwege even uitstapt en een ommetje maakt. Ruim vierduizend heb je ervan in Nederland, één derde van alle werkzame Nederlanders leeft tijdens kantooruren op dit soort terreinen. Maar niemand weet precies wat er op deze plekken gebeurt.
Op De Liesbosch komen en verdwijnen de wietplantages, illegale bordelen en gokpaleizen. Op parkeerterreinen zagen we handeltjes, een open kofferbak vol iPads, sporttassen met duistere inhoud gingen van hand tot hand. Voor één pand met geblindeerde ramen en schokbrekers voor de deur reden vrachtwagens met potgrond en afzuigsystemen af en aan. Hier zat een ‘onbetwiste tuinbouwspecialist’ die op zijn website adverteerde met kleurrijke wespenvangers en kinderkweeksetjes. Ondernemers in naburige panden wisten beter: dit was een growshop – een concurrent van die van de piranha’s. Ze zagen de verkoop floreren, elk pand dat vrijkwam in de straat kocht de ‘tuinbouwspecialist’ op. Maar niemand belde de politie. Je bemoeit je niet met een ander, gouden regel op een bedrijventerrein. Behalve bij parkeeroverlast.
Dit bedrijf, zei de officier van justitie, was jarenlang dé groothandel in wietteeltbenodigdheden voor de groothandels, ‘de stam van de hele boom in Nederland en mogelijk zelfs West-Europa’.
Maanden later was de tuinbouwspecialist plots landelijk nieuws. De politie had ’m opgerold. Een halve straat met panden waarin de wietteeltbenodigdheden tot aan het dak stonden opgestapeld. Een groothandel met een jaaromzet van 30 miljoen euro en vijf vrachtwagens voor het transport. Dit bedrijf, zei de officier van justitie op de stoep bij de voordeur, was jarenlang dé groothandel voor de groothandels, ‘de stam van de hele boom in Nederland en mogelijk zelfs West-Europa’.
En niemand die er wat van zei.

Les 2: Zet geen sashimi op de kaart
Marion, getrouwd met Ben, vierde generatie Van der Valk, wilde eens sashimi op de kaart zetten van het restaurant. Sashimi?, vroegen haar kinderen. Mám, kijk eens om je héén! Dat willen de gasten helemaal niet.
De massa, weet de familie Van der Valk, eet liever een kroketje dan sashimi. En massa, weet de familie ook, is kassa. En daarom vind je in de grote buffetzaal boven geen sashimi, maar een trekmuur. Nieuwste ontwikkeling in de wereld van all you can eat. Gratis! Twéé kroketjes per vakje.
Nergens is de gemiddelde smaak van Nederland beter te bestuderen dan in Hotel Akersloot, een enorm motel bij afslag 11 van de A9 richting Alkmaar, een hub in de polder met 210 kamers, 11 congreszalen, 600 man personeel en met Kerst 7.000 eters. Hotel Akersloot wil een plek zijn voor iedereen. Voor vertegenwoordigers, voor leisure-gasten op e-bikes, voor opa’s en oma’s met kleinkinderen, voor jubilarissen en leiderschapstrainers. En vooruit, ook voor vreemdgangers, voor b-acteurs in de porno-industrie, voor schimmige Britse zakenlui met zonnebril op, en voor de kinderen uit de buurt die les krijgen in het zwembad. En voor de Duitse saunamannen die ondanks die zwemles én het waarschuwingsbordje én ontstelde ouders langs de kant, weigeren een zwembroek aan te trekken.
Het is een hele klus om je gasten alleen seks te laten hebben ín hun kamer, en niet in de gangen, in de lift, in het trappenhuis, achter het hotel, in de sauna of in het bubbelbad.
Steve van der Valk, 26 jaar, vijfde generatie Van der Valk, groeide op in het hotel waarvan hij nu de baas is. Begonnen met glazen spoelen, toen achter de toastmachine, borden uitserveren, werken bij de receptie, daarna assistent-restaurantmanager. Hij kent als geen ander de gemiddelde smaak van Nederland, hij weet hoe je al die verschillende mensen tevreden houdt. Hij weet dat je nooit genoeg appelgebakjes en schuimtaartjes kunt hebben. Dat je op een menukaart in ieder geval schnitzel, zalm en cordon bleu zet, geserveerd met twee kerstomaatjes uit de oven en een bakje friet. Dat hoogpolig tapijt onmisbaar is in een hotel. En dat het een hele klus is om je gasten alleen seks te laten hebben ín hun kamer, en niet in de gangen, in de lift, in het trappenhuis, achter het hotel, in de sauna of in het bubbelbad, te zien aan de veranderende golfslag.
Les 3: Gratis wiet vind je in de plantenbakken op Schiphol
Martin en Pavel uit Polen grazen de plantenbakken met oranje lelies af naar weggegooide wiet – genoeg toeristen die hun gekochte stuff niet op tijd opgerookt krijgen. De twee jongens, 27 en 31 jaar, komen hier elke dag, al twee jaar. Ze hebben hun schoenen en kleren verstopt onder het viaduct, hun slaapplek, achter de hulppost van het Leger des Heils naast Schiphol, ‘de enige plek waar ze ons met rust laten’.
Er zijn op de wereld nog honderden steden zoals Schiphol, met dezelfde gladgeboende straten, dezelfde glazen wanden, dezelfde grijze toegangspoorten. In de winkels worden dezelfde laptops en flessen drank verkocht. Op de borden staan overal Engelse woorden en de icoontjes zijn door iedereen te begrijpen. Gangen hebben bordjes ‘gang’.
Nazmi loopt hier al zeven maanden rond nadat hij uit twee afkickklinieken is gezet omdat hij gebruikte.
In deze stad zijn reizigers die aankomen en nooit meer weggaan. Een man uit Mexico loopt hier al drie dagen rond met zijn bagagekarretje en zijn slenterende tred. Om de hendel van zijn trolley heeft hij een touwtje geknoopt, zodat het karretje zonder knijpen blijft rijden. Hij zit hier, zegt hij, omdat de KLM het stoelnummer van zijn open-returnticket naar Amerika niet wil bevestigen. Of Duncan, twintiger, met zijn elektrische gitaar zonder versterker, Schiphol-bewoner sinds twee maanden. Doet nu vooral vingeroefeningen en maakt praatjes met interessante reizende muzikanten. En Nazim, die hier al zeven maanden rondloopt nadat hij uit twee afkickklinieken is gezet omdat hij gebruikte.
Wie meer dan anderhalf jaar blijft steken behoort tot de vaste kern. Die slaapt onder het viaduct, zoals de Poolse jongens. Of zoals Iris, een vrouw met een oranje trui en een rode broek. Op Schiphol overleef je alleen als je stevig in je schoenen staat, zegt Iris. Want je moet voortdurend opboksen tegen marechaussees en beveiligers die je liever weg willen hebben. Maar op Schiphol is water, het is er veilig en het is warm en anoniem.
Op een dag werd de overlast te groot. Een groep van honderd daklozen verzamelde zich rond de boom in Schiphol Plaza. Ze rookten, ze dronken bier en kookten eieren in een waterkoker. Soms gooiden ze alles er weer uit. Braaksel en ontlasting, op de schone tegelvloer. Het was er wel gezellig, tot iemand in de hal een vuurtje stookte om erachter te komen hoe lang de brandweer erover zou doen. Sindsdien is het beleid verscherpt. Daklozen worden opgejaagd en zijn ’s nachts tussen twaalf en vier niet welkom. Schiphol zette een Leger des Heilspost neer naast de luchthaven.
Op Schiphol gaat het om regels en fatsoen, weten de daklozen nu. Je moet beleefd en beheerst zijn en dan kun je blijven zolang je wilt.
Les 4: Koop liever kattenvoer dan brood
Armoede in Nederland is een weerbarstig begrip. Dat blijkt in Spoorwijk, de Haagse achterstandswijk waar de Quote 500-bende vandaan komt, de groep die inbrak in kapitale villa’s om te stelen van de rijken. Spoorwijk staat te boek als een typische ‘arme’ wijk, wat de bendeleden tot een soort ‘Robin Hoods’ maakte voor de buurt, al snapt iedereen in Spoorwijk ook wel dat Robin Hood het geld niet voor zichzelf hield.
In Spoorwijk heeft een huishouden 433 euro in de maand minder te besteden dan het Nederlands gemiddelde. Dat is te zien aan de kleding, een panty onder een niet-bijpassende rok, aan de huisjes van Vestia waar de verf van de voordeuren bladdert, aan tieners achter de kinderwagens, aan de bezoekers van de buurtkamer die even langswippen voor koffie van 50 cent, ‘toevallig’ zonder kleingeld, wetende dat er toch wel wordt ingeschonken.
Kinderen van de allerarmsten krijgen soms drie croissantjes mee naar school, broodkorstjes hoeven ze niet op te eten.
Armoede in Nederland heeft zo zijn eigen mores. Boodschappen doet de buurt bij de Albert Heijn. Niemand springt even op de fiets naar de Lidl of de Aldi twee kilometer verderop. Want niemand in Spoorwijk heeft een fiets. Mensen wachten liever twintig minuten op de bus dan dat ze twee minuten fietsen. Bij de voedselbank in Spoorwijk blijft volkorenbrood steevast liggen, ongesneden brood ook. Kinderen van de allerarmsten krijgen soms drie croissantjes mee naar school, broodkorstjes hoeven ze niet op te eten. Bijstandsmoeders drinken bij elkaar koffie uit plastic wegwerpbekertjes en geld voor sigaretten en mengsmering voor de Tomos-brommer is er altijd.
Maar armoede is ook de handelaar die een fotoalbum krijgt aangeboden in ruil voor geld voor eten. De eigenaar van de dierenwinkel die een grote zak voer, 35 euro voor 10 kilo, overgiet in tien kleine zakjes. Inwoners die geen koelkast hebben omdat ze toch geen verse producten kunnen kopen. Een basisschooldirecteur die maar kleren gaat kopen met leerlingen. Een oude vrouw die van de vijf euro die ze tot het einde van de week heeft, vier euro besteedt aan kattenvoer en één euro aan witte broodjes van de Turk. Omdat eenzaamheid misschien nog wel erger is dan honger.
Les 5: Drink geen koffie in de caravan van je gasten
Camping De Breyenburg is een ‘mooi gelegen gezinscamping’ in Ledeacker, een dorp in het oosten van Noord-Brabant. Een gezellige camping, meldt de website, met een ‘uitgebreid animatieprogramma voor kinderen én volwassenen’. Er is een zwembad en een kinderboerderij en een stal met paarden. En in de naastgelegen feestboerderij van Johnny Romein, bekend van de hit ‘Alie-Mentatie’, kon je dansen en onder het genot van gemarineerde speklap en Beierse worst, erotisch dineren – tot voor kort, want het pand fikte laatst af.
Nee is nee, en iedereen krijgt hetzelfde. Dat zijn de gouden regels voor iedere campingbaas.
Hoe gezellig je het ’s avonds aan de bar ook maakt, een camping moet je wel strak en zakelijk besturen, leerden we. Want een campingbaas is directeur, burgemeester en politieagent ineen, en de bewoners zijn net kinderen, die proberen je voortdurend uit. Een kippengaasje voor de hond, een extra schuttinkje, een sleutel voor de slagboom, een extra parkeerplaats, ze willen telkens meer.
Nee is nee, en iedereen krijgt hetzelfde. Dat zijn de gouden regels voor iedere campingbaas. Geef niemand een voorkeursbehandeling, drink bij niemand koffie in de caravan.
Maar campingbaas Fred Nijholt hield zich daar niet aan. Met de een dronk hij na sluitingstijd nog een biertje in de kantine, met de ander niet. De een mocht wel met onderstel bouwen, de ander niet. Werd je serre eerst nog goedgekeurd, dan moest-ie later toch weer worden afgebroken. Dat gaf scheve gezichten.
Fred wilde zijn gasten graag tegemoetkomen, zeggen de vaste bewoners van De Breyenburg. Misschien wel té graag. En misschien was dat wel de reden dat campinggast Lenie op 17 mei 2012, Hemelvaartsdag, uit het niets een Heckler & Koch pakte en richtte op haar campingbaas.
Knotsgek
De afgelopen elf jaar deden we niet veel meer dan doelloos rondneuzen en aanbellen.
Je leert veel meer van een plek als je de voorlichters en de managers mijdt.
Te vaak worden journalisten op pad gestuurd met een studie of een rapport op zak, waar dan een illustratieve reportage bij moet worden gemaakt.
Maar je leert veel meer van een plek als je de voorlichters en de managers mijdt. Je kijkt echt beter zonder een beleidsdocument van een planbureau in de hand, je móét wel.
En als je maar lang genoeg ergens rondhangt, blijkt – als bonus – het normale vrijwel altijd knotsgek te zijn.
Afrit Akersloot. Een reis langs plaatsen waar niemand de baas is van Freek Schravesande en Carola Houtekamer, uitgeverij Atlas Contact, 160 p., €19,99.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.