Het is 16 november 1979. Renate Rubinstein viert haar vijftigste verjaardag in het huis van broer Jan. Zijzelf heeft niet de energie thuis te ontvangen – twee jaar eerder is vastgesteld dat zij MS heeft. Zij wordt die avond omringd door de fine fleur van haar bekende mannelijke intellectuelen, onder wie: Karel van het Reve, Bram de Swaan, Norbert Elias, Aad Nuis, Dick Hillenius, Maarten Biesheuvel, Herman Hertzberger, Peter Schat, Peter Vos. Ook haar lievelingsneef, de dan vijftienjarige Maurits, is er de hele avond bij. Aan hem is te danken dat er van die avond geluidsopnames bewaard zijn. Maurits speelde graag met de bandrecorder. Dankzij deze opnames kon een deel van de bijzondere avond gereconstrueerd worden.
Na Jans welkom breekt de band af. Wat krijgen we nou? Maurits herinnert zich, o ja, dat hij maar twee uur tape in huis had, want hartstikke duur en hij was pas vijftien. Het was veel te weinig voor de hele avond en hij moest dus kiezen wat hij voor de eeuwigheid zou vastleggen. Je hoort daarom niet dat de eerste gang op tafel komt, volgens de Franse kaart ‘saumon fumé canadien’ met ‘sandwichs de pain complet’, vergezeld van een witte Alsace Preiss Henny. Je hoort ook niet de tafelgesprekken, door de microfoon bleef daar niet meer van over dan geroezemoes en rammelend bestek. Je hoort, dat is de rigoureuze keuze van de geluidstechniek du soir, de speeches.
Als de band weer aanklikt, is er eerst weer tikken tegen glas. Dat moet Bram de Swaan geweest zijn, die tot ceremoniemeester van de avond was benoemd. Het rumoer verstomt, een mannenstem blijft over.
O, u heeft mij het woord gegeven? Dan moet ik opstaan hè? [gelach] Er valt hier niks te lachen hoor. De tafelpresident heeft mij gevraagd om hier het woord te voeren en ik dacht, dat zal nooit goed gaan, en dat gaat ook niet goed, maar als je geheel gratis zoveel te eten krijgt en ze vragen je daar iets tegenover te stellen, dan moet het haast wel.
Gratis eten, dat kan niemand anders zijn dan Karel van het Reve, meester van het woord dat alles wat zich groot zou kunnen maken al bij voorbaat klein snijdt. Een heel ander temperament dus dan zijn katholiek geworden broer, maar hier hoor je vooral de overeenkomst, een talent voor het bespelen van de bühne. Het gezelschap gniffelt al van voorpret.
Ja, wat moet je hè. Je denkt in verschillende richtingen, zal ik het zo doen of zo. ‘Renate en ik’, dat is dan een bekend onderwerp [Renate lacht boven iedereen uit], maar dat weet ik allemaal niet meer zo precies. Er is een tijd geweest dat ik Renate helemaal niet kende. Toen schreef ik ook nog weleens over Renate, want het is bekend dat ik altijd schrijf over dingen waar ik niks… [hilariteit, gasten roepen door elkaar] Je had toen een toestand, je had een bekende Nederlandse schrijver, Willem Frederik Hermans, die had toen een boek geschreven dat heette –
Klik. Opname weer afgebroken. Bij vergissing blijkbaar – en dat net bij de naam Hermans, de meest bloedvergietende tegenstander die Renate tot dan toe was tegengekomen in haar werk. Net nu het ergens over gaat.
Maar de avond krijgt nu wel een thema. Als de band weer aanspringt, middenin het applaus voor Van het Reve, volgen speeches die over Renates werk gaan. Te beginnen bij het begin. Het woord is, na getik tegen het glas, aan socioloog en oude vriend Joop Goudsblom.
Ja jemig hè… [Anderen: Ja jemig!] Ik heb veel moeten overwinnen om hier te gaan staan. Ik stond op het sprekerslijstje van De Swaan…
[Renate: Daar weet ik allemaal niets van.]
Natuurlijk weet je daar niks van. Ik wou deze gelegenheid toch niet voorbij laten gaan, we kennen elkaar nu bijna een kwart eeuw, en ik wou beginnen met iets te memoreren wat je vast zelf vergeten bent. Aan wie we het te danken hebben dat we elkaar kennen.
Hij vertelt over Renates eerste substantiële stuk. Dat was genaamd ‘Het zionisme en de nieuwe onvrijheid’ en verwoordde hoe het raciale denken van het zionisme, toch bedoeld om joden te beschermen, veel ontleende aan het raciale denken van het antisemitisme. Het vormde daar een spiegelbeeld van, kwam dus niet los van het denken van de vijand en behoorde daarmee tot het rijk van de onvrijheid – alles met een knipoog naar een boek van Jacques de Kadt, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Het stuk dateerde uit de zomer van 1955, toen Renate terug was van ruim twee jaar Israël, en ze bood het aan bij het Nieuw Israëlietisch Weekblad, waar ze na haar thuiskomst was gaan werken. Hoofdredacteur J. Melkman bleek het echter niet te willen plaatsen. In tegendeel, hij bleek haar te ontslaan en wel op staande voet. Waarna Renate aanklopte bij Propria Cures, in die tijd zo ongeveer het enige blad in Nederland waar je vrijmoedig en zo nodig oneerbiedig met gevestigde opinies kon omspringen, en daar trof ze, met dank aan Melkman dus, in de redactie Joop Goudsblom aan.
Wij zaten niet bepaald te wachten op een stuk over het zionisme, kan ik je nu wel verklappen. Onze specialiteit in die jaren was het kátholicisme. [Vrolijkheid.] Toch was de redactie niet gespeend van gevoel voor kwaliteit, die zag meteen dat hier een uitstekend stuk was binnengekomen. Bovendien, we waren toen met z’n zessen, allemaal mannen, leek het ons best leuk om een redactrice erbij te hebben. Dat was niet de hoofdreden waarom we het stuk opnamen, ik geloof dat het wel de reden was waarom Jan Eijkelboom zich heel erg over dat stuk ontfermd heeft. Hij meende dat er hier en daar stilistische verbeteringen in moesten worden aangebracht, waar hij zich dan samen met de autrice mee zou belasten. [Besmuikt gelach.]
Goudsblom memoreert dan dat het stuk verscheen in het nummer van 23 september 1955. Het opende met een beschouwing over, uiteraard, de ‘rooms-democratische kerk’, om te vervolgen met een bijdrage over ‘Leiden, de Borobudur der bourgeoisie’. Samen met ‘Het zionisme en de nieuwe onvrijheid’ zette dat de toon voor de verdere jaargang. De reacties op alleen al deze drie onderwerpen leverden ‘kopij tot aan de kerst op’, aldus Goudsblom, en Renate trad met ere toe tot de redactie. Het begin van haar schrijverschap.
De tafel hoort het aan met veel gegniffel van herkenning – en met recht, in dit debuut zie je al helemaal Renate. Om te beginnen is er herrie in de hut, al bij het eerste grote stuk. Er is een flirt met één, of eigenlijk een hele kring van mannen uit het intellectuele leven, ook iets wat nooit meer zou overgaan, en dan is er natuurlijk het stuk zelf. Daar zit een provocatie in, weer heel typerend voor Renate, en wel eentje die zich laat herkennen aan twee vaste trekken. Een: de Tweede Wereldoorlog is nooit ver. En twee: je komt er nooit goed achter in hoeverre ze de provocatie welbewust gezocht heeft. Ze kon als vast medewerker echt wel weten dat het Nieuw Israëlietisch Weekblad niet gelukkig viel te maken met een vergelijking tussen zionisme en nazisme, maar ze bood het stuk toch aan. Uit hoop tegen beter weten in? Hoop op ontslag? Naïviteit, berekening of iets van allebei? Je weet het niet, je snapt het niet, je ziet alleen dat ze er invliegt met het been gestrekt en inzet van alles wat ze heeft en is.
De volgende spreker haakt daar op in. Norbert Elias, als socioloog een leermeester van Joop Goudsblom en Bram de Swaan, als stoïcijnse wijze oude Duitse Jood een gekoesterde vriend voor Renate.

Mijn eerste ontmoeting met Renate herinner ik me nog zeer levendig. Natuurlijk was ik gewaarschuwd… [geschater] Er kwam een soort orkaan de kamer binnen, mijn adem stokte, en een tijdlang kon ik niets zeggen – wat natuurlijk ook niet hoefde [dat deed Renate wel; HG]. Maar na verloop van tijd herpakte ik mezelf en slaagde ik erin een gesprek tot stand te brengen, en ik moet zeggen dat ik het tot de dag van vandaag zeer stimulerend vind, die levendigheid, die energie, ondanks dat de orkaan is verzacht tot, laat ik zeggen, een stevige storm. [applaus] [door VN vertaald uit het Engels]
Elias, die geen Nederlands las of sprak, had pas kort daarvoor door een vertaling kennisgemaakt met haar werk. Hij bemerkte hoezeer zij op papier leek op haar levende verschijning. Ze had het vermogen om vanuit zichzelf te schrijven zonder particulier te worden (zegt hij op een toon die, als hij eenmaal aan het woord is, diner of geen diner, steeds meer op die van een college lijkt.) Met zijn buitenlandse blik ziet hij daar des te scherper het uitzonderlijke van in.
Ik denk niet dat ik ooit iemand heb gezien die in staat is tegelijkertijd voor een breed publiek én persoonlijk te schrijven. Dat is een kunst die ik niet ken. Noch in het Engels, noch in Duitsland zou men op zo’n persoonlijke manier kunnen schrijven en toch gehoord worden, zonder op een soort zijspoor gezet te worden.
Dat geeft iets aan van de originaliteit van wat Renate uitvond, zij aan zij met een paar andere Nederlandse schrijvers van haar generatie. Jan Wolkers kwam vroeg in de jaren zestig met romans die onbewimpeld autobiografisch waren, van Kort Amerikaans tot Terug naar Oegstgeest. Gerard Reve liet de vorm van de roman zelfs los om over zichzelf te schrijven en kwam met zijn zendbrieven, Op weg naar het einde en Nader tot u. Renate kreeg haar hoekje in VN en zocht een vorm die nog niet helemaal bestond. De kranten in die dagen hadden weliswaar verhaaltjes als de Kronkels van Carmiggelt, over de persoonlijke belevenissen van verzonnen personages, en politieke commentaren die ook iets persoonlijks konden verraden, zij het liefst verstopt achter een ‘men’ of ‘wij’. Maar wat je niet had, waren stukjes waar een ik in optrad, een bestaand, echt ik, dat bezig was met alles wat een ik maar bezighoudt, van het meest persoonlijke tot aan het meest politieke.
Dat werd Renates jachtterrein. Schreef ze over de Nederlandse dienstplichtigen die Nieuw-Guinea moesten gaan verdedigen, het laatste stukje roodwitblauw in de Oost, dan las je dat ze zelf straks op de kade stond om er een uit te wuiven. Ging het over Provo, dan begreep je dat ze daar dichtbij stond. Een kolom over de oorlog memoreerde de verdwijning van haar vader, een passage over Israël haar eigen jaren daar met een halfjoodse achtergrond. Ze schreef zich een doorbraak tussen de publieke en private sfeer en liet zien hoe die op elkaar inwerkten – hoe het was als de wereld van de krant met jou te maken kreeg en dus van een abstractie tot een alledaagse werkelijkheid werd.
Geen ideologie maar tegenwicht
Al doende ging ze over die meer alledaagse werkelijkheid verder. Hoe het was om verliefd te zijn. Of om liever een man te willen zijn. Om te verhuizen. Te ontdekken wie je fiets gejat heeft. Te bepalen wie je aanspreekt met u en wie met jij. Te luisteren naar hedendaagse opera, of vogelgeluiden te determineren. Alles in de woorden van een ik die daardoor zelf steeds scherper in het zicht kwam – wonend in Amsterdam, eerst met een man en later zonder, maar wel altijd met een poes. Alles zo alledaags dat je als lezer haast vergat dat je zoiets nooit eerder had gelezen. Zo rechtuit, gewoon, het leven, hoe het was.
Renate durfde daar steeds verder in te gaan en had er net het jaar voor haar vijftigjarig feest een voorlopig eindpunt in bereikt met Niets te verliezen en toch bang, een boek over haar echtscheiding. Een onderwerp dat in die jaren voor het oprapen lag, er werd gescheiden bij het leven in de nasleep van de vrije sixties. Maar een boek erover was er niet, tenminste niet een boek dat je vertelde hoe het was om werkelijk mee te maken. De depressies, de verlatenheid, de oude angsten die je aanvlogen wanneer je man ineens vertrok. Renate was de eerste die daar in alle rauwheid over schreef en drong daarmee net voor haar vijftigste vanuit VN diep door in het Libelle-publiek, met een verkoop van honderdduizenden.
Het was haar eerste boek dat vertaald werd, wat bevestigt dat het inderdaad zelfs in het buitenland iets nieuws was, en voor Elias werd het de kennismaking met haar werk. Gedroomde stof voor een socioloog. Hier was een schrijfster aan het werk die als vanzelf taboes aanraakte, enkel en alleen al in haar keuze voor een subjectief gezichtspunt. Door te schrijven hoe de werkelijkheid voor haar persoonlijk was, keerde zij zich tegen het verholen wensdenken over de werkelijkheid. Dat kon het denken van Wat je nog niet had waren stukjes waar een ik in optrad, een bestaand, echt ik. Dat werd Renates jachtterrein.
een ideologie zijn, zionisme of nazisme of nog weer iets anders. Of het denken van de wederbouw na de oorlog, dat de burger disciplineerde voor het nut van het algemeen. Of het gewoontedenken waarmee mensen behept zijn. Of het bange denken aan wat de buren zullen denken. Tegen al het denken dat zijn steun zocht in het collectief, bracht zij het individu in het geweer – en wel op zo’n manier, zegt Elias tot de tafel, nu geheel op stoom, dat de subjectiviteit van dat individu toch weer toegankelijk wordt voor anderen.
In staat zijn de eigen problemen te objectiveren is, vind ik, een zeer grote kunst in een tijd waarin de tendens om onpersoonlijk te zijn in het eigen schrijven, zeker onder journalisten en essayisten, groeiende is.
Die laatste zin doet je ineens beseffen hoe lang deze avond in 1979 geleden is. De neiging tot het onpersoonlijke groeiende? Die is bij hen inmiddels al net zo finaal onderdrukt als bij iedereen van ons. Een beetje journalist geeft zijn persoonlijke mening in een talkshow, twittert op een account dat gesierd wordt met zijn foto en werpt zijn followers zo nu en dan een extra selfie toe. Een column doet hij sowieso, dat is de basis, daar begon het ergens na 1980 mee, en je kunt zeggen dat het allemaal de erfenis is van Renate Rubinstein en anderen van haar generatie. Het publieke en private door elkaar, ik in de wereld, dat wilden ze toch?
Maar goeie kans dat een Renate nu naar de andere kant zou leunen. Dat was haar natuur, ze zocht geen ideologie maar tegenwicht, en in de jaren zeventig bood ze die als geen ander. Met het boek over haar echtscheiding als hoogtepunt. Getrouwde vrouwen vonden vaak nog dat het niet hoorde, scheiden, en gescheiden vrouwen dat je het niet zo publiek hoorde te maken. Feministische vrouwen vonden dat ze er juist blij mee moest zijn, dan kon ze lesbisch worden, en dan had je nog de tegenstrijdige gevoelens bij de mannen. Zij waren nu eenmaal vaak de daders in een scheiding en moesten nu voor zichzelf besluiten of zij schoften waren, of Renate het verdriet der vrouwen overdreef en of, je vroeg het je als man toch even af, een vrijgevallene van het model Renate een bedreiging voor hun eigen huwelijk zou zijn.
Dat was het soort spanning dat Renate losmaakte met haar persoonlijke, al te persoonlijke genre. Niet alleen als vrouw, gescheiden of niet, maar ook als kind van een gedeporteerde Jood en dus als iemand die de schaamte opriep over het recordaantal vervolgde Joden in ons land in de bezettingsjaren. Of als dochter van een niet-Joodse moeder, officieel dus niet Joods, die zich toch met Joodse kwesties inliet en daar met bravoure het recht toe claimde. (‘Halfjoden, dat zijn pas Joden. Die horen echt nergens bij.’) Allemaal spanningen ontstaan uit het persoonlijk leven, die ze kon benutten in de openbaarheid van haar column.
En waardoor kon ze dat zo goed? Misschien is dat waar de speech van Karel van het Reve over ging, nadat de bandrecorder afsloeg. Het is in elk geval waar hij iets over zei toen hij in 1990 een in memoriam over Renate schreef. Hij kwam toen met een argument dat niet alleen hem maar vast veel mannen van zijn generatie tekende, ontleend aan een gesprek met een vriend, over het verschil tussen acteurs en actrices: ‘Een actrice, zei hij ongeveer, heeft het gemakkelijk: ze hoeft alleen maar zichzelf over het voetlicht te gooien. Dat moet een acteur toch ook, wierp ik tegen. Ja, zei hij, maar voor een man is dat veel moeilijker. Aan vrouwen wordt van kindsbeen af geleerd zichzelf over het voetlicht te gooien. Renate Rubinstein heeft zich haar hele schrijvende leven lang zonder schromen over het voetlicht gegooid.’
Provocatieve ik-schrijver
Renate Rubinstein (1929-1990) was een van de eerste columnisten in Nederland. Zij schreef onder de naam Tamar van 1961 tot 1990 wekelijks in VN over politiek en cultuur, maar ook over haar persoonlijke leven. Zij voerde vele polemieken, waaronder meerdere met een andere VN-columnist: Hugo Brandt Corstius (Piet Grijs). Na haar dood verscheen het boek Mijn beter ik, waarin zij haar geheime verhouding met Simon Carmiggelt onthulde.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.