Dit verhaal is ook te beluisteren.
In haar analyse De Kunst van Anders: 6 voorstellen voor culturele innovatie, die 10 januari verschijnt, probeert onderzoeksjournalist en kunsthistoricus Renée Steenbergen alternatieven te bieden voor het disfunctionerende kunstsysteem. Een voorpublicatie.
Nederland heeft de grootste museum- en theaterdichtheid ter wereld. Bestuurders houden van bouwen, ze laten daarmee iets blijvends achter na hun ambtsperiode. Maar te weinig wordt beseft dat een grotere behuizing aanzienlijke extra kosten met zich meebrengt en wordt er te weinig subsidie uitgetrokken voor het runnen ervan. En schaalvergroting leidt niet vanzelf tot meer publiek.
De kloof tussen kunstenaars en de instellingen die er zijn om hun werk te tonen, is het laatste decennium groter geworden. De makers, leveranciers van de inhoud van musea en podia, worden vaak het minst betaald en leiden een onzeker bestaan.
Matthëuseffect
Als we iets willen veranderen aan het cultuurstelsel, dan moeten we kijken hoe dat is gefinancierd. Globaal is de rolverdeling zo dat de overheid faciliteert (subsidiëring voor gebouwen, personeel, basisexploitatie) en particulieren die basis naar keuze aanvullen met bijdragen voor tijdelijke projecten en (extra) kunstaankopen.
Parallel aan de forse bezuinigingen die vanaf 2011 werden doorgevoerd, startte het ministerie van OCW de campagne ‘Cultuur, daar geef je om’. Bedoeling was particulieren te stimuleren om (meer) te geven aan de kunsten, ondersteund door een extra belastingsubsidie speciaal voor culturele giften. Tegelijk werd kunstinstellingen training aangeboden in fondsen werven.
Wanneer de overheid zelf bezuinigt op een sector, wordt die minder aantrekkelijk voor potentiële donateurs.
De verwachtingen waren hoog gespannen: net als in de Verenigde Staten zouden culturele instellingen ondernemender moeten worden en vermogenden vrijgeviger. De nogal opzichtige verwachting was dat zij de teruggeschroefde overheidssubsidies – in elk geval gedeeltelijk – zouden compenseren, mits kunstorganisaties maar hard genoeg hun best deden hen te vinden en te motiveren. Daarbij werd een reeks obstakels over het hoofd gezien. De voornaamste is dat wanneer de overheid zelf bezuinigt op een sector, die minder aantrekkelijk wordt voor potentiële donateurs. Een hoofdfinancier die zich (gedeeltelijk) terugtrekt, schaadt het vertrouwen in de stabiliteit en continuïteit van musea, podia, gezelschappen en orkesten. In feite werd mecenaat door de rijksoverheid openlijk ingezet als politiek instrument om haar eigen gedeeltelijke exit-policy te kunnen financieren.
Lang niet iedereen in de kunstwereld heeft evenveel toegang tot particuliere steun.
Belangrijk is ook, te beseffen dat geefgeld niet gratis is voor de samenleving: gevers kunnen tot 125 procent van hun gift verrekenen met hun belastingafdracht. Dit betekent dat Nederlandse burgers meebetalen aan individuele donaties, namelijk via belastingsubsidies uit publieke middelen. Bovendien onttrekken private giften zich aan het democratisch proces. Keuzes van particuliere donateurs kunnen niet gestuurd worden en dat moet ook niet: daarin zijn ze vrij. Feit is dat mecenaat doorgaans de grootste en meest succesvolle instellingen begunstigt, terwijl die ook al het leeuwendeel van de subsidies ontvangen: het zogenoemde Matthëuseffect.
Dit wijst op een wezenlijk probleem van private giften: lang niet iedereen in de kunstwereld heeft evenveel toegang tot particuliere steun. De kleinere instellingen en vooral de makers, kunstenaars en zzp’ers hebben vaak het nakijken. Geefgeld is dus niet neutraal: private bijdragen beïnvloeden mede het kunstbestel en -beleid.
De ‘filantropie-paradox’
Sinds 2011 is het meebrengen van sponsoring en donaties in toenemende mate een voorwaarde geworden om subsidiegeld te krijgen. Dit wordt matchfunding of cofinanciering genoemd. Dat kan tot zinvolle samenwerking leiden tussen publieke en private partijen, maar er kleven ook nadelen aan.
Naarmate private financiers belangrijker worden in publieke sectoren, groeit de kritiek en ook het wantrouwen uit de samenleving.
Dat filantropische organisaties steeds belangrijker worden, ook in andere Europese landen, als gevolg van overheden die bezuinigen en taken afstoten, wekt ook groeiende maatschappelijke weerstand. Die weerstand is vooral gericht tegen individuele rijken die opzichtig ‘goed doen’. Dat wordt wel de ‘filantropie-paradox’ genoemd: naarmate private financiers belangrijker worden in publieke sectoren, groeit de kritiek en ook het wantrouwen uit de samenleving.
Al langere tijd is een beweging in de kunstwereld gaande die kritische vragen stelt over de manieren waarop gevers hun geld verdienen of verdiend hebben. In eerste instantie richtten actievoeders zich vooral op sponsorende bedrijven. Het begon in de jaren tachtig met het publiekelijk ter verantwoording roepen van de tabaksindustrie. Grote tabaksmerken sponsorden in die tijd vooral musea, mede omdat ze soms zelf ook een kunstcollectie hadden. Daarna volgden fellere acties tegen vervuilende olieproducenten, ook ditmaal begonnen in de VS en Engeland. Tate Britain, dat BP als hoofdsponsor had, zag zijn expositiewanden besmeurd met zwarte olie. Het Van Goghmuseum en het Concertgebouw hadden Shell als sponsor. Inmiddels is die relatie bij beiden afgebouwd.
Andere discutabele sponsors zijn banken en financiële instellingen vanwege fraudeschandalen. Duurzaamheid is ook een probleem bij het Van Goghmusuem dat onlangs het sponsorcontract met KLM verlengde, en het Groninger Museum en het Drents Museum, die gesteund worden door de Nederlandse Aardolie Maatschappij die gas wint in de noordelijke provincies.
Onder vuur
Het publiekelijke naming and shaming van particuliere gevers die rijk zijn geworden met afkeurenswaardige handel begon niet toevallig in de VS, waar kunstorganisaties voor 90% afhankelijk zijn van particuliere bijdragen. Het protest werd geleid door kunstenaars: onder leiding van de bekende fotografe Nan Goldin werd het Guggenheim Museum bezet vanwege zijn grootste donor: de familie Sackler. Hun bedrijf Purdue Pharma produceert zeer verslavende pijnstillers die ruim een half miljoen doden in de VS veroorzaakten. Ook het Metropolitan Museum zag zich onder druk van veel media-aandacht hierover genoodzaakt tot beëindiging van de relatie met deze grote mecenas. Daarna volgden Amerikaanse universiteiten, het Louvre in Parijs en de Tate musea in Londen.
Joop van den Ende werd een ‘sjoemelfilantroop’ genoemd vanwege de manier waarop hij met belastingvoordeel zijn DelaMar Theater financiert.
Kritiek is er ook op de herkomst van het vermogen van fondsen. Recent protesteerden kunstenaars bij kunstopleidingen zoals de Rijksakademie tegen de rol van vermogensfonds Ammodo: het geld komt uit de pensioenpot van Rotterdamse havenarbeiders en zou volgens critici daarom aan hen ten goede moeten komen. Ook de VandenEndeFoundation lag onder vuur, stichter Joop van den Ende werd een ‘sjoemelfilantroop’ genoemd vanwege de manier waarop hij met belastingvoordeel zijn DelaMar Theater financiert en omdat het bestuur niet onafhankelijk was.
Vraagtekens worden ook gezet bij het geefgeld van de zogenaamde goededoelenloterijen, kansspelen dus. Musea en erfgoedorganisaties die bijdragen ontvangen van de Vriendenloterij (voorheen van de BankGiroLoterij) propageren het kopen van loten waarmee gedrag wordt gestimuleerd dat gokverslaving in de hand kan werken.
De voormalige directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, Beatrix Ruf, werd er mede binnengehaald omdat ze nauwe banden onderhield met internationale verzamelaar-ondernemers – immers vaak de belangrijkste groep schenkers aan musea. Om diezelfde contacten moest ze een paar jaar later opstappen: ze stond op de pay roll van een grote Zwitserse verzamelaar die een tentoonstelling zou krijgen in het Stedelijk en in ruil daarvoor een schenking zou doen.
Art washing
Protest tegen ‘fout’ geld en art washing raakt ook aan raden van toezicht van kunstorganisaties. Terwijl tot in de jaren negentig vertegenwoordigers van ‘het grootkapitaal’ werden geschuwd, veranderde dat drastisch na de verzelfstandiging van met name musea vanaf de jaren tachtig.
De toezichthouders dragen nu de financiële verantwoordelijkheid, met als gevolg de aanstelling van (veelal) mannen uit het bedrijfsleven, de financiële sector, juristen en consultants. Inmiddels is sprake van oververtegenwoordiging van ‘de Zuidas’ – ten koste van professionals uit de culturele sector met kunstinhoudelijke kennis en ervaring. Maar deze ceo’s en cfo’s zijn nogal eens (te) weinig bekend met het functioneren van culturele organisaties – immers non profits, geen bedrijven – en hebben weinig netwerk in de cultuur.
Het merendeel van het geefgeld gaat naar de grotere kunstinstellingen die het relatief het minst nodig hebben.
Het meeste mecenaat in zijn huidige vormen bevestigt de status quo in de cultuursector. Het merendeel van het geefgeld gaat naar de grotere kunstinstellingen die het relatief het minst nodig hebben. Terwijl de groeiende ongelijkheid in de sector zorgwekkend is: tussen grotere en kleine organisaties, tussen Randstedelijke en die in minder centraal gelegen regio’s, tussen professionals in vaste dienst en hun vele noodgedwongen flexwerkende collega’s.
De druk vanuit de overheid om geld te zoeken bij private partijen, schept een groeiend spanningsveld nu ethische vragen rond geefgeld steeds dringender worden gesteld. Als privaat geld dient ter legitimering van subsidie, is het risico dat de kunst zijn autonomie verliest en de kritische positie van kunstorganisaties verder onder druk komt.
De subsidie-eis om giften binnen te halen mag niet verworden tot een politiek instrument waarmee de overheid de eigen verantwoordelijkheid deels afschuift.
De kunsten moeten telkens hun ‘verdienvermogen’ en ‘legitimatie’ bewijzen in economische termen.
De normalisering van het vinden van privaat geld om publieke financiering te rechtvaardigen, wijst daarnaast op een sluipende vertrouwenscrisis tussen overheid en het culturele veld: de kunsten moeten telkens hun ‘verdienvermogen’ en ‘legitimatie’ bewijzen in economische termen. In plaats van gefaciliteerd te worden omwille van hun maatschappelijke belang.
Ook moeten we goed beseffen dat mecenaat indirect wordt meegefinancierd uit algemene middelen: dat schept verantwoordingsplicht jegens burgers. Het is daarom zaak dat goed toezicht wordt gehouden op de besteding van geefgeld en dat daar openheid over wordt gegeven door publieke instellingen zelf: waaraan worden welke geldstromen precies besteed? Welke afspraken zijn daarover gemaakt, wat krijgen sponsoren en gevers maar ook overheden daarvoor terug? En hoeveel houden ontvangende organisaties er uiteindelijk netto aan over?
Wat de herkomst van geef- en sponsorgelden betreft: er wordt gepleit voor een check op de bron van die gelden. Activisten pleiten ook voor een gedragscode of morele code, waarbij ook duurzaamheid en fair practicebelangrijke factoren zijn, net als bij verantwoord beleggen.
Cultuuromslag
Het cultuurstelsel leunt zwaar op ruim 165.000 makers en flexwerkers die van project naar project gaan en in tijden van crisis nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Zo’n systeem kent geen continuïteit en is kwetsbaar.
Er is in de bredere maatschappij, en ook in de kunst, sprake van een systeem-paradox. Systemen zijn nodig om met hulp van een (organisatie)structuur gestelde doelen te realiseren. In de cultuur is het hoofddoel: kunst onder de aandacht brengen van publiek en zo maatschappelijke waarde creëren. De paradox ontstaat wanneer systemen zo zwaar worden opgetuigd met regelgeving en eisen, dat controle en bureaucratie overheersen. Dan verstart zo’n systeem en krijgt vernieuwing weinig kans. Mensen gaan zich dan steeds meer aanpassen aan het rigide systeem: ze hebben het gevoel dat het onveranderbaar is. Gevolg is dat niemand zich meer verantwoordelijk voelt voor de negatieve gevolgen ervan, maar die wijt aan ‘het stelsel’ of ‘het beleid’.
Toch zijn het de mensen die de systemen maken- en niet andersom. Dus kunnen wij die systemen ook veranderen.
Daarvoor zijn maatregelen nodig die elkaar versterken en gericht zijn op verandering van gedrag en sociale normen – allereerst in de kunstwereld zelf. Een cultuuromslag dus. Dat begint met handelen naar de kernwaarden van kunst: mensen schoonheid en troost bieden, andere manieren van leven laten zien, hen verdieping en verbondenheid laten ervaren.
De sector zal allereerst zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor een eerlijker en gezonder systeem en het goede voorbeeld geven.
De rol van de overheid zal in zo’n gewijzigde structuur veranderen van regisseur en controleur naar faciliterend, voorwaardenscheppend.
Als kunstorganisaties zelf de problemen willen aanpakken, impliceert dat ook een herverdeling van middelen. Op dit moment is er een overfinanciering van de canon van klassieke kunsten. Eerlijke betaling zal tot gevolg hebben dat er minder geproduceerd kan worden, omdat de kosten van overproductie niet meer afgewenteld kunnen worden op freelancers. Een transitie gaat dus pijn doen. Maar er zal ook met meer tijd en aandacht kunst gemaakt kunnen worden die leidt tot meer reflectie en meer plezier en solidariteit.
De rol van de overheid zal in zo’n gewijzigde structuur veranderen van regisseur en controleur naar faciliterend, voorwaardenscheppend. Dat betekent minder regelgeving en meer vertrouwen in zelforganisatie en kundigheid van de mensen in de culturele sector zelf. Het zal ook tot gevolg moete hebben dat niet langer het meeste geld gaat naar ‘de kleilaag van bureaucraten en managers’, maar naar de makers en vernieuwers.
Het is ook de taak van de overheid om fatsoenlijke betaling te verankeren in een aangepaste arbeidswet met een cao voor zzp’ers en flexwerkers, voor en achter de schermen.
Gemeenten dienen wettelijk verplicht te worden om cultuurgelden daadwerkelijk aan de kunsten te besteden. Dan moet er niet almaar meer geld in gebouwen gepompt worden, maar in de mensen die de kunst maken, faciliteren en willen bezoeken.
Musea en podia zijn er om als intermediairs te fungeren tussen kunstenaars en publiek. Zij profiteren mede van subsidies als werkbeurzen en stipendia die kunstenaars meenemen. Zeker de grotere musea en podia kunnen meer verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld door een gedegen opdrachtenbeleid te ontwikkelen.
Donaties aan instellingen gebeuren veelal op grond van de getoonde kunst. Dan is het niet meer dan logisch die te delen met makers en kunstenaars, auteurs en freelance curatoren die die inhoud leveren.
Instellingen zijn ook in staat de tweedeling te verkleinen tussen medewerkers in vaste dienst en flexwerkers. Vast dient minder vast te worden en freelance minder onzeker. Dat kan lukken als je vaste medewerkers baangarantie biedt doordat ze in een andere organisatie binnen de sector aan het werk kunnen blijven. Deze ‘banencarrousel’ zorgt ook voor meer doorstroming onder leidinggevenden. Zo ontstaat niet alleen ruimte voor jonge en diverse aanwas, maar ook voor oudere zijinstromers en zzp’ers. Een maximale zittingstermijn zou nuttig zijn om de diversiteit van bestuurders en toezichthouders van culturele instellingen te bevorderen.
We kunnen er vandaag nog mee beginnen. Het zijn immers de mensen die de systemen maken, en niet andersom.
Dit is een bewerkte voorpublicatie uit ‘De Kunst van Anders: 6 voorstellen voor culturele innovatie’, dat 10 januari verschijnt. Te bestellen via www.ReneeSteenbergen.com. Met dank aan: Mondriaan Fonds, Stichting für Elise, Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.