Dit vignet kan alleen maar van de hand van Pieter Waterdrinker (1961) zijn: ‘Haar zweterige geur, de zweem van een reeds door de nacht gemarineerd en niet geheel gezond lichaam, met vers opgespoten parfum, was misschien wel het ergste geweest. Als een zeeanemoon had ze zich op de smalle matras aan hem vastgezogen.’
Deze hilarische (poging tot) paardans is tamelijk onbetekenend in het rijke scala aan erotische avonturen van Wessel Stols, de hoofdpersoon in Waterdrinkers grote roman Poubelle, maar wel illustratief voor zijn beeldende manier (‘gemarineerd’, ‘zeeanemoon’) van schrijven. Menige vrouw belichaamt in zijn barokke universum La Belle Dame sans Merci; in z’n zwartromantische weergave kun je er donder op zeggen dat er iets ‘verdorvens’ in haar ogen schuilt – nóg zo’n geliefde Waterdrinker-toop.
Zijn proza lezen is een feest. Niet alleen door zijn pen waaruit de ene na de andere mooie zin vloeit, maar ook door de dansante, subtiel boosaardige (‘niet geheel gezond lichaam’) wijze waarop hij de beschrijvingen van de in slapstick uitmondende avonturen van zijn (anti)held kruidt. De echo van Nabokov (vooral die van Pnin) is altijd hoorbaar, maar bovenal is Waterdrinkers schrijverschap literair gevormd door de 19de eeuw, door de Russische en Franse reuzen die hij op ontvankelijke leeftijd las en die hem gevormd hebben, als verteller in die dreunende traditie.
Eigenlijk schrijft hij almaar brede 19de-eeuwse geschiedenissen, getransponeerd naar de 20ste en vroeg 21ste eeuw. Soms geeft dat wat frictie. Zo struikelde ik, zeker in het begin van Poubelle, af en toe over de beleidsplanachtige taalconstructie ‘ondanks dat’, waarmee hij godbetert zelfs zinnen laat beginnen. In zijn vertalingen van Russische klassiekers koos Charles B. Timmer nog voor het welluidende ‘hoewel’ of ‘ofschoon’, woorden die zich naadloos voegen naar Waterdrinkers fraaie taalgebruik. Is dit mierenneukerij? Vast. Maar juist bij een roman waarvan ik zo genoot, stilistisch en in de wervelende verbeelding van een onweerstaanbare, grimmige, weerzinwekkende, diepkrankzinnige wereld, moet de lat zo hoog mogelijk gelegd.
Zonder idealen
Poubelle wil véél zijn: het wil onze prille eeuw vangen, in Nederland vanaf de opkomst van Pim Fortuyn, in het Oosten vanaf de eerste jaren dat Poetin na Jeltsin de ultieme staatsmacht kreeg. Het wil de parallellen tussen het Sovjet-politburo en de technocratische Europese Unie laten zien, en uiteindelijk de ‘ketting van schuld’ tonen die leidde tot de massamoord op de inzittenden van de MH17. Poubelle is dus een roman van nu, maar de tijd is niet de hoofdpersoon. Want vooral (het voorgaande is het reliëfrijk decor van Wessel Stols’ leven) wil het een leven boekstaven zonder idealen. ‘Al jaren zag hij zijn bestaan als een afgebrand stoppelveld voor zich.’
Het leven van een opportunist dus, verbeeld via Wessel Stols, die als dertiger rijk uit de reclamewereld stapte, kort zijn schrijversdroom najoeg, maar toen de financiële crisis zijn kapitaaltje deed slinken emplooi vond als kunstsmokkelaar in Rusland. Dat is wat er omgaat in het eerste van deze uit drie grote delen – die met oog voor traditie ‘boeken’ worden genoemd – bestaande roman, respectievelijk spelend in 2001/2002, 2013/2014 en in 2014. De neergang van een man van de 21ste eeuw dus, waarin zachtjes maatschappijkritiek weerklinkt.
Wessel – van bescheiden komaf – heeft vanaf zijn studietijd kennis aan de beter gesitueerde Clemens van Dongen, een lid van ‘de partij’. Deze salonsocialist is agressief (‘kale nicht’) gekant tegen ‘bruinhemd’ Fortuyn en Wessel kletst daarin mee, ook al is hij het eigenlijk wel in hoge mate eens met Fortuyn en met de latere, geanonimiseerde ‘rattenvanger’, in wie we Geert Wilders mogen herkennen. Zeker na diverse aanvaringen met Marokkaanse straatrovers. Nochtans maakt hij carrière door de juiste, beschaafde geluiden te ventileren, in zijn chique zaterdagcolumn in de kwaliteitskrant. Dat werkt: in het tweede ‘boek’ blijkt hij Europarlementariër te zijn geworden, van het soort dat het eigen, materiële belang vooropstelt. Zoals het Wilde Oosten in het begin van de roman biedt deze moreel failliete wereld volop voer voor Waterdrinker. ‘Vanuit een ooghoek zag Wessel Stols hoe een mede-Europarlementariër, een Tsjech met een buik als een biervat, zich met een witblond fotomodel zedig nestelde in een hoek van de zaak.’
Poubelle volgt Wessels bestaan, hij geraakt in Oekraïne vanwege het naderende associatieverdrag en beleeft daar (naar hij ten onrechte denkt) zijn finest hour door een opzwepende toespraak te houden op het Maidanplein in Kiev. Dat zou al ruim genoeg zijn geweest voor een roman, maar Waterdrinker is een tegenwoordig zeldzame schrijver van het slag méér-méér-méér: hoger die schommel, breder het panorama, leger die fles. Dat blijkt al uit de titel, die almaar aan betekenissen wint naarmate de roman vordert. Eerst is ‘Poubelle’ de werktitel van een ‘non-fictie roman’ die Wessel beoogt te schrijven, daarna een célineske aanduiding van het leven zelf: ‘Vuilnisbak, poubelle… (…) Het bestaan is een poubelle! Een poubelle!’ Tegen het slot blijkt het de naam van de pro-Russische rebellenleider, een dreigende figuur van wie Wessel, modern gezegd, kutzwager is. Want de liefde kent voor hem verscheidene vrouwengezichten.
Er valt nog veel meer te vertellen over deze uitbundige roman. Zo speelt er rivaliteit tussen twee voormalige schoolgenoten: Wessel is de maatschappelijk succesvolle gemankeerde schrijver, Sander Brons de échte schrijver met een armoedig bestaan. Het heeft zeker buitenliterair betekenis dat de literatuur geen hun zegen brengt en dat de ware, idealistische verbeelding van de schone kunsten verbeeld wordt door een schilderij. Dat doek moet, bedenkt Wessel ten slotte, terug naar de rechtmatige eigenaar – ter compensatie van een verpest leven, vol verkeerde keuzes en voorbijzien aan dat wat echt belangrijk is.
Voorts, op microniveau, bevat Poubelle een eresaluut aan de gevierde, voormalige Rusland-correspondent Olaf Koens (‘dertiger met zijn hipsterbaard’) en een hommage aan de grote voorganger W.F. Hermans: ‘Maar wat mis ik een vent zoals hij. Iemand die de hypocriete vuiligheid van deze wereld door heeft. En dat nog eens meesterlijk weet op te schrijven ook.’ Daarmee betoont Waterdrinker affiniteit en verwantschap – en ja, Waterdrinker schrijft meesterlijk, buiten kijf. Maar het nihilisme van Hermans is de 19de-eeuwse romanticus Waterdrinker vreemd, getuige Poubelle. Daarvoor is de te verafschuwen wereld hem te onuitputtelijk. En te dierbaar.
Poubelle, Pieter Waterdrinker, Nijgh & Van Ditmar, 544 p., € 21,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.