Analyse / Gas is een nationaal belang geworden
Nog voordat ze hun tevredenheid uitten over de deal tussen hun gasgiganten, begon Poetin tegen Jan-Peter Balkenende over het geld dat de Nederlandse regering jaarlijks uittrekt voor de democratisering van Rusland. Hieruit blijkt weer eens hoe economie en politiek in elkaars verlengde liggen als regeringsleiders een deal beklinken. En hoe moeilijk het is mensenrechten en handelsbelangen van elkaar te scheiden. Tegelijk is het begrijpelijk dat Balkenende niet in morele termen over zijn ontmoeting met Poetin wil praten. Het Nederlandse gas raakt op en om te voorkomen dat het fijnmazige pijpleidingnetwerk van de Gasunie straks ligt weg te roesten, is het niet gek om afspraken te maken met de kip met de gouden eieren. Voor zevenhonderdvijftig miljoen euro krijgt de Gasunie een negenprocentsbelang in een nieuwe pijpleiding in de Oostzee. In ruil daarvoor krijgt Gazprom een optie op de koop van een minderheidsbelang in gasleveringen door de Noordzee.
Maar er is meer. Door zelf de deal te beklinken, maakt Balkenende een lange neus naar Brussel. Hij torpedeert de laatste hoop op een gemeenschappelijk Europees beleid door de Gasunie zo openlijk als het verlengstuk van het nationale belang te presenteren. Balkenende is niet zonder slag of stoot tot zijn deze politieke houding gekomen. Een paar maanden geleden leek het pleit beslecht. Een topambtenaar van BZ beweerde in een lezing dat Nederland er nu officieel voor pleitte dat regeringen ‘uit naam van de energieveiligheid zich moesten richten op de depolitisering van de energiepolitiek’.
Maar zij had buiten voormalig hoofddirecteur van de Gasunie George Verberg gerekend. In het meest recente jaarverslag van de Energieraad, waarvan hij het meest gezaghebbende lid is, staat: ‘De mogelijkheid van government to government-deals moet niet worden uitgesloten wanneer energieproducerende landen hieraan de voorkeur geven.’ Verberg heeft gewonnen. Tot zijn tevredenheid zonden Balkenende en Poetin afgelopen week een belangrijk signaal aan de wereld: onze staatsbedrijven doen zaken met elkaar, op het allerhoogste politieke niveau.
Maar de slag om de Nederlandse publieke opinie is nog niet binnen. Gazprom ‘versterkte zijn grip’ en Nederland ‘zet de deur open’ voor de Russische gasgigant, schreef NRC Handelsblad. Er werd vooral benadrukt dat Gazprom een verlengstuk is van het Kremlin, dat eenenvijftig procent van de aandelen bezit. Onvermeld bleef dat bij de Gasunie het meerderheidsbelang ook bij de staat ligt. Nu heeft de Nederlandse overheid niet de reputatie het gas als politiek wapen in te zetten, maar dat heeft vooral te maken met de groeiende energieafhankelijkheid.
De Russen zijn met de komende pijpleidingen overigens minstens zo afhankelijk van ons als afnemers als wij van hen als producenten. Meer dan de helft van alle Gazprom-inkomsten, waarmee een belangrijk deel van de overheidsbegroting wordt gedekt, komt uit West-Europa.
Het lijkt erop dat het gros van de Nederlandse commentatoren de woede over de groeiende eigen energieafhankelijkheid projecteert op het wispelturige gedrag van Rusland. En zelfs over dat wispelturige gedrag valt te twisten. Rusland draaide de gaskraan naar de Oekraïne dicht omdat het weigerde akkoord te gaan met een markconforme prijs. Schande, zo luidde het meeste commentaar. Maar na de enorme olieprijsstijging in de eerste oliecrisis van de jaren zeventig reisde een leger Nederlandse diplomaten naar Duitsland om een hogere prijs te bedingen, ondanks een vaste lage prijs in een langlopend contract. Anders dan Oekraïne ging Duitsland akkoord. Wat zou Nederland hebben gedaan als dat niet was gebeurd? Onderhandelen doe je altijd met een stok achter de deur. Daarin verschillen Nederlanders niet van Russen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.