Pioniers in een probleembuurt
Het zijn drie kleine jongetjes – de jongste hooguit acht, de oudste misschien twaalf – met zwart haar en een uitdagende blik. Ze wandelen over het Kaapseplein in de Haagse Transvaalbuurt. Er is verder niemand in de buurt. Precies op het moment dat ze voorbij lopen, zijn de gefluisterde woorden duidelijk te horen: ‘Vuile kankerhomo’s.’
Het is een gure namiddag. Op de Hoefkade, levensader van de wijk, waarschuwt een handgeschreven bordje op een geblindeerde woning: ‘Geen fietsen aan deze raam’. De kapperszaak die te koop staat is ‘brijkbaar’ op een telefoonnummer dat op het raam is gekrabbeld. Even verderop heeft de familie Tielman besloten elke maatregel te nemen om onheil buiten de deur te houden, getuige een bordje op de voordeur: ‘Dit pand is eletronies beveilig tevens met camera bewaking. Moppy waak over haar domijn.’
Nee, uitnodigend is anders.
Aan het eind van de Hoefkade staat het woonzorgcomplex De Compaan, een bruin stenen gebouw waar oudere Marokkanen, Chinese bejaarden en geestelijk gehandicapten begeleid wonen. Het is gloednieuw, ziet eruit of het net uit de verpakking is gehaald. Binnen, in een vergaderruimte, zet Marijke Jensma kannen met koffie klaar. Ze werpt een blik op de agenda voor vanavond. Vanuit het raam kijk je uit over een verlaten plein waar de wind vrij spel heeft – het Stellenboschplein, hart van woningbouwproject Stellenbosch, dat 220 woningen omspant. De huizen aan het plein zijn koopwoningen die vorig jaar werden opgeleverd. Nog lang niet overal brandt licht. Achter sommige ramen staan ladders, gereedschap en potten verf. Veel huizen wachten zo te zien nog op een koper.
Marijke Jensma moet, namens de projectontwikkelaar, de overdracht van de nieuwe woningen in goede banen leiden. Doel van vanavond: de laatste obstakels wegnemen voor de oprichting van een vereniging van eigenaren voor de nieuwe bewoners van Stellenbosch, tevens medebezitters van een gezamenlijke, semi-automatische parkeergarage. Jensma is lang en blond – prototype Hollands welvaren. De mensen die ze deze avond ontvangt, zijn klein, donker en niet van Nederlandse oorsprong – en daar houdt hun overeenkomst zo’n beetje op.
Langzaam druppelen ze binnen. Satnam Singh en zijn echtgenote Sukhjiwan Kaur zijn Sikhs uit de Punjab, net als Jatinder en Rita Singh. Mahenderpersad Jagroep, het echtpaar Niamat en Radha Sewbarnsingh-Jagoe zijn Surinaamse hindoestanen. Abdelkader Chehlafi, Marokkaan. Mevrouw Döker-Mermi, een potige Turkse. Norma Karsowidjojo, Surinaams-Javaans. Mevrouw Kalidien, een kleine Surinaamse met een gouden brilletje. En, prominent aanwezig: meneer Sahin Ergul, Turks van origine.
Het is maar een vergaderingetje, maar je zou ook kunnen zeggen dat het een groot moment is. Want de hoop van veel beleidsmakers is gevestigd op dit veelkleurige gezelschap. Voor hen zijn het pioniers, deze eigenaren van de eerste nieuwbouwwoningen in Transvaal. In de komende jaren worden drieduizend van de 6700 oude huizen in de wijk gesloopt. Daarvoor komen er maar zestienhonderd in de plaats – ruimere woningen, omgeven door meer groen.
Het is de grootste binnenstedelijke herstructurering van Nederland. Er is een half miljard euro mee gemoeid, ongeveer een derde van het bedrag dat minister Dekker heeft uitgetrokken voor de grootschalige aanpak van de Haagse achterstandswijken. Zes van de tien armste stadswijken van Nederland liggen in Den Haag, en op de ‘achterstandsindex’ torent Transvaal samen met de Schilderswijk boven de andere uit.
Explosiepanden
Wat in Transvaal gebeurt, zal in de andere 55 Nederlandse ‘probleembuurten’ nauwlettend in de gaten worden gehouden. De ‘witte vlucht’ uit de achterstandswijken is een voldongen feit. Als ook de allochtone middenklasse massaal verhuist naar Vinex-lokaties, zo is de gedachte, dan is er niemand meer die de binnensteden voor verpaupering kan behoeden. Blijven de allochtonen die het goed doen wél, en voelen zij zich als huiseigenaren verantwoordelijk voor hun omgeving, dan heeft dat een positieve uitstraling op de wijk.
En een positieve uitstraling kan de Transvaalbuurt wel gebruiken. Als de wijk in het verleden in het nieuws kwam, dan was het vrijwel altijd slecht nieuws. De ‘metselmoorden’ in het winkelpand in de Boerenstraat bijvoorbeeld, waar de slachtoffers in een van de wanden werden verwerkt. De brandbom in de grote Noeroel Islam-moskee en de geruchtmakende moord op het Turkse meisje Kumral Bagci. Of de mishandelde zusjes uit de Kaapstraat, die zich redden door briefjes uit het raam te gooien. Bij de ‘Haagse Mart’ staan nog altijd de karkassen van de ‘explosiepanden’, waar drie jaar geleden moedwillig een gasexplosie werd veroorzaakt. Er zijn hele blokken waar de huizen zijn dichtgetimmerd, en vele panden die illegaal zijn volgestouwd met uitgeprocedeerde asielzoekers en Oost-Europese seizoenarbeiders.
Arnie Caprino, projectleider van de operatie-Transvaal, heeft niet zoveel met problemen. Hij geeft de voorkeur aan oplossingen. Tijdens een fietstocht met tweedejaars studenten planologie en ruimtelijke ordening doet hij zijn uiterste best aan te tonen dat Transvaal een ‘wijk met een toekomst’ is. Zijn enthousiasme is aanstekelijk. Caprino, stevig dansend op de pedalen, lijkt in niets op het clichébeeld van de ambtenaar. Hij is zakelijk en betrokken, modieus gekleed. Hij groeide zelf op in de Transvaalbuurt en ging er naar school vlak vóór de grote verpaupering inzette, die ruim een kwarteeuw geleden werd beschreven in de Vrij Nederland-bijlage over de Smitstraat. ‘Al maak je hier paleizen, dan wil ik nog weg,’ heette die reportage over de teloorgang van Transvaal. ‘Die paleizen, die kwamen er toen niet,’ vertelt Caprino. ‘De boel werd zo opgeknapt of goedkoop herbouwd dat de bewoners er konden terugkeren. Maar iedereen die het kon betalen verdween naar betere – wittere – buurten.’ Nu komen die paleizen er wél, wil hij maar zeggen. Al zijn er geen autochtone Hagenezen meer die zelfs maar overwegen om er in te trekken.
Caprino houdt even stil in het gloednieuwe wijkpark dat hij bestempelt als ‘het Central Park van Transvaal’. Drie hectare open ruimte waar ooit vijfhonderd woningen stonden – en dat in de dichtstbebouwde stad van Nederland. Luidsprekers maken van deze koude winterdag een soort van voorjaar: ze laten de geluiden horen van vogels uit de meer dan honderd landen van herkomst van de buurtbewoners.
De Pijp
Volgens de officiële tellingen – dus afgezien van de vele illegalen – is nu nog ongeveer één van de acht Transvaal-bewoners autochtoon. Over een paar jaar zal het minder dan tien procent zijn. Van de geregistreerde 1352 baby’s, peuters en kleuters zijn er nog maar 83 ‘autochtoon’ – net zes procent. Transvaal is, kortom, een vrijwel zwarte wijk, en dat is ook volgens Arnie Caprino niet meer terug te draaien. ‘Wij sturen niet etnisch, dat kan ook niet, de woningmarkt is vrij. Wij moeten zorgen voor de veiligheid en de leefbaarheid, voor goeie woningen. Mensen met mogelijkheden en inkomen moeten behouden blijven voor deze wijk en voor deze stad. Anders raak je het sociale cement kwijt. De mensen die nu vertrekken, vinden de woningen te klein, te gehorig, te slecht. En ze vluchten voor de overlast van huisjesmelkers, van drugsdealers en junks.’ De operatie-Transvaal, naar een ontwerp van stedebouwkundige Jeroen Geurst, moet die groep overhalen te kiezen voor een ‘wooncarrière’ in hun eigen wijk. Caprino: ‘Het zou mooi zijn als er autochtonen terugkeren, maar het is geen doel. Er zal een bepaald type mens kiezen voor dit soort buurten. Transvaal is altijd levendig geweest, en niet iedereen kan dat aan.’
Via de ‘Haagse Mart’ naderen we de zuidkant van Transvaal. Hier verkochten de Marokkaanse jongens die eind vorig jaar gingen ‘winkelen’ in Azerbeidzjan – of waren ze toch geronseld voor de jihad? – aardappelen, vis en stoffen. De markt is een zegen en een vloek voor de buurt, zegt Caprino: ‘Het is met meer dan vijfhonderdvijftig kramen de grootste warenmarkt van Europa, maar zorgt ook voor onveiligheid, verkeersdrukte en rotzooi. We spiegelen ons aan De Pijp in Amsterdam. Veel Hagenaars gaan nooit naar deze markt, maar als ze in Amsterdam zijn, gaan ze wél naar de Albert Cuyp. En in Istanbul gaan ze rechtstreeks naar de Grand Bazaar van Sultanahmet. Wij zeggen: Den Haag is niet alleen Binnenhof of Madurodam, maar ook de Haagse Mart. Toeristisch kan dat heel interessant worden.’
De tocht door de wijk eindigt in Stellenbosch: zo fris en nieuw als dit buurtje moet straks héél Transvaal eruit gaan zien. Het ligt pal aan de markt en wordt aan de zuidkant begrensd door de Hoefkade. Architecte Marlies Rohmer had het al verteld, in haar Amsterdamse kantoor dat uitkijkt over het IJ: Stellenbosch is geen architectonisch hoogstandje, maar op het eerste gezicht een bescheiden project. ‘Crisisblokken’, noemt ze de bebouwing van een van de straatjes, vanwege de geringe afmetingen. En omdat er geen geld was voor beplanting in de tuintjes, en ook nauwelijks ruimte, zijn de tussenwanden en de bergingen uitgevoerd in oogverblindend groen. ‘Dat is een beetje uit de hand gelopen,’ zegt ze.
Hoe bescheiden de opzet ook mag zijn, de verwachtingen zijn hooggespannen. Door koopwoningen te bouwen in een verpauperde wijk moet hier een levendige multicultuur ontstaan, zegt Rohmer. ‘Jongeren, ouderen, dementen, alles door elkaar. Een soort stadse manier van wonen in opkomst. We hebben geprobeerd door middel van nissen een soort “terloops gebied” tussen de woning en de straat te laten ontstaan.’ Ze is zelf ook benieuwd of de praktijk zich zal voegen naar wat er op de tekentafel is bedacht. ‘Veel architecten denken dat ze God zijn, maar achteraf kijken ze niet meer om naar de bewoners van hun schepping. Zo wil ik niet werken.’
Het zijn voor het merendeel ‘grondontsloten’ woningen: geen portieken, geen galerijen. Rohmer: ‘Als iedereen vanuit de straat een eigen opgang heeft, krijg je meer levendigheid, meer straatcultuur. Belangrijk voor de sociale cohesie.’ Met het feit dat de meeste kopers allochtoon zullen zijn, is bij het ontwerp geen rekening gehouden. ‘Dat deden we in de jaren tachtig,’ zegt Rohmer. ‘Dan maakten we een bloedgootje op het balkon, voor de Marokkanen die graag thuis een geit wilden slachten. Dit zijn universele woningen, niet gebouwd voor doelgroepen.’ Misschien best raar, geeft ze toe. ‘Allochtone families gebruiken hun huizen inderdaad heel anders. Maar hier zit alles door elkaar. Antillianen, Marokkanen, Turken, Surinamers, Sikhs. En die wonen allemaal verschillend.’
Rare dingen
‘O God, het ruikt hier wel,’ lacht Norma Karsowidjojo, terwijl ze licht gegeneerd de sterke geur van versgefrituurde bakabana’s wegwuift. Haar woning in de Wesselsstraat is ruim, maar heeft ook een grote open keuken. ‘Surinaamse gerechten zijn vrij geurig, en we hebben altijd wel een paar potjes op het vuur die de hele dag staan te pruttelen. En dat geldt natuurlijk voor de meeste buitenlandse mensen. De geur trekt door het hele huis.’ Haar buurvrouw heeft om die reden de bouwkeuken al na een paar weken naar het tuinhuisje verplaatst, weet ze. En dat hebben wel meer nieuwe bewoners gedaan.
Karsowidjojo (45) werkt bij de gemeente Den Haag en spreekt accentloos Nederlands. De keuze voor Stellenbosch heeft ze bewust gemaakt, zegt ze. ‘Het leek me een uitdaging. Ik ga er vanuit dat de mensen die hier komen wonen banen hebben, anders kun je geen huis kopen. Dan verwacht je dat mensen zich verantwoordelijk voelen voor hun woonomgeving, dat ze denken aan waarden en normen. En dat er op die manier een goede leefomgeving ontstaat. Daar wil ik een bijdrage aan leveren.’
Aan de keukentafel zit haar dochter Sehmora (21) met haar vriend. De tweedejaars HBO-studente commerciële economie maakt er geen geheim van dat ze niet blij was met de beslissing van haar moeder. ‘Ik kan hier ’s avonds niet alleen over straat lopen,’ zegt ze. ‘Marokkaanse jongens hangen maar wat rond en roepen rare dingen naar je. In de buurt waar we vandaan komen, was dat niet zo.’
Haar moeder houdt de moed erin, al zijn er wel wat kleine dingetjes. De buren bijvoorbeeld, die met de afscheiding in de tuin een stuk van haar terrein afsnoepten. Daar had ze iets van gezegd. ‘We zijn er uiteindelijk wel uitgekomen.’ Ook zij twijfelt soms aan het vermogen van de nieuwe generaties Turken en Marokkanen – ‘ik kan ze niet zo uit elkaar houden’ – om zich te voegen naar de Nederlandse maatschappij. ‘Ik heb veel stagiaires van Turkse en Marokkaanse afkomst, en die voelen zich wel érg gauw gediscrimineerd. En als ik kinderen aan de deur krijg met kinderpostzegels – die zijn toch hier geboren en gaan hier naar school – dan denk ik: dat Nederlands van jullie stelt niet echt veel voor.’
Haar overbuurvrouw, Radha Sewbarnsingh-Jagoe (33), is nog steeds een beetje verbaasd dat zij en haar man Ram zich een koophuis konden veroorloven. ‘Maar als je koopt,’ zegt ze, ‘moet je wel bereid zijn harder te gaan werken.’ En dus is Ram nu ook in het weekend onderweg om snoepautomaten bij te vullen. Een gezellige buurt is het niet, vooral omdat er nog weinig buren zijn. Ze is tevreden met haar huis met tuin, waar haar hyperactieve zoontje veilig kan rondrennen. En haar dochter, in de tweede van de brugklas Havo/VWO, heeft eindelijk een eigen kamer. Alleen die keuken… Die gebruikt ze hoogstens om thee te zetten. Maaltijden staan te borrelen op een butagasstel in het tuinhuis.
De hindoestaanse hoopt dat de sfeer in Transvaal haar beter zal bevallen dan in de afbraakbuurt die ze een paar maanden geleden verliet. ‘Daar spuugden Turkse en Marokkaanse jongens naar je. Op een dag kregen er twee ruzie, en kwam er eentje aanzetten met een pistool. Er werd geschoten, terwijl mijn zoontje buiten speelde! Toen dacht ik: dat wordt me te veel zo. Hier wonen ook veel allochtonen – maar dat hoeft geen probleem te zijn. In Suriname waren we niet anders gewend. Daar wonen allerlei religies zonder problemen naast elkaar.’
Kansengrijpers
Mevrouw Aroma, uitbaatster van de pas geopende winkel ‘Frisse Voetjes’, is daar nog niet zo gerust op. ‘Als je tussen allochtonen woont, moet je je mond houden,’ heeft ze een Surinaamse buurvrouw aangeraden. Die kreeg mot met haar Marokkaanse buren omdat ze klaagde over een illegale schotel op hun schuurtje, en wordt nu genegeerd. ‘Ze gaat zich zeer eenzaam voelen,’ verwacht mevrouw Aroma. ‘Je moet in zo’n nieuwe buurt een beetje mixen.’
Smetteloos in het wit gekleed zit de Surinaamse er zelf ook nogal verlaten bij, middenin in haar verder vrijwel lege pedicure-opleidingsinstituut. Toch is mevrouw Aroma vol goede moed, net als de andere beginnende ondernemers in de Herman Costerstraat. ‘Kansengrijpers’, heeft makelaar Hamit Karakus ze gedoopt, de uitbaters van de nagelstudio, de belwinkel, de schoonheidssalon en de bruidswinkel. Deze panden, een atelier/studio met een woning van drie verdiepingen erboven, waren de meest gewilde van de nieuwe buurt. Ze werden als eersten verkocht – en vervolgens meteen gesplitst en onderverhuurd.
Besnijdenissen
Twee huizen verderop, in bruidswinkel Parelsposa, zit Ömer Uludag (40) te somberen achter een kop Nescafé. Hij produceert zijn op maat gemaakte bruidsjurken sneller dan de Nederlandse concurrentie, zegt hij, en nog goedkoper ook. Je kunt ook complete bruiloften en besnijdenissen bij hem bestellen. Maar met de klandizie wil het niet echt vlotten.
Uludag heeft wel een idee hoe dat komt. De gloednieuwe winkelruimten zijn vanaf de markt niet zichtbaar, verscholen achter de stalen wand van de marktkramen. En de marktkooplui zorgen regelmatig voor verkeerschaos in de tussenliggende straat. Als het ook maar een beetje warm is, zorgt de gigantische viskraam bovendien voor een penetrante stank, die niet goed samengaat met gedachten over een bruiloft. Vanuit de winkel ziet Uludag regelmatig mensen tegen de muur aan plassen. ‘Hoezo dan klant?’ vraagt hij zich af. ‘Als Berlijnse muur weg, straat netjes, dan gezellig en dan winst.’
Uludag kwam in 1999 uit Turkije naar Nederland. Zijn vrouw was hier al eerder. ‘Ik ben bezig voor geld,’ zegt hij. ‘Als er geld is onder de grond, ik ga onder de grond, als geld in Amerika, ik ga naar Amerika.’ Maar juist dat geld is lastig te vinden. Uludag heeft moeite de maandelijkse lasten op te brengen van de winkel en de erboven gelegen woonruimte. ‘Beetje kans nodig,’ zegt hij. ‘Soms mensen hebben kans, soms niet.’
Als er iemand geschikt lijkt als ‘sociaal cement’, is het Sahin Ergul (43). Een vrolijke man, bepaald niet op zijn mondje gevallen. Als een van de eersten betrok hij met zijn vrouw, dochter en twee zoons een nieuwe woning in de Fischerstraat. Ferhat van acht voetbalt op het plein voor de deur – ‘een soort Koeman’, zegt zijn trotse vader. Student bedrijfseconomie Murat (18) en gymnasiaste Ozlem (15) maken hun huiswerk. Sahin Ergul kent Transvaal op zijn duimpje. Nadat hij op zijn twaalfde met zijn moeder en vier zussen uit Turkije kwam om zich bij zijn vader te voegen – ‘we moesten zijn gokschulden komen aflossen’ – kwam hij eerst in de Schilderswijk terecht. Later woonde hij vijftien jaar ‘hierzo, om de hoek’ vlakbij zijn huidige nieuwe huis. En sinds kort werkt hij ook in de buurt, als buitengewoon opsporingsambtenaar.
‘Dat beroep moet in je zitten,’ zegt hij, terwijl hij de deur achter zich dicht trekt om naar zijn werk te gaan. ‘Ook toen ik nog “Melkert” was en als stadswacht werkte, zei ik er altijd iets van wanneer ik zag dat iemand dingen kapot maakte.’
Ergul let vooral op huisvuilzakken, grofvuil, hondenpoep. ‘Ik moet bekeuringen geven en bij mensen aanbellen als ik illegale vuilniszakken aantref.’ Best lastig, geeft hij toe, wanneer je de overtreder hoogstwaarschijnlijk persoonlijk kent. Aan de andere kant: in de wittere buurt waar hij eerst controleerde, werd hij voortdurend aangekeken op zijn uiterlijk. ‘Je zag de mensen kijken: wat móét jij? Maar ze moesten wel naar me luisteren, want ik droeg het pak.’
Terwijl hij naar zijn werk wandelt, kijkt hij spiedend om zich heen, ook al heeft hij strikt genomen nog geen dienst. Van de enorme hondendrol die precies voor zijn nieuwe huis op het Stellenboschplein ligt, wordt vandaag geen werk gemaakt. De hondenbezitters in de buurt vind je vooral onder de spaarzame autochtone huurders, weet Ergul. ‘Ik heb de overburen al eens betrapt, maar ik was niet in uniform. Dan krijg je agressief gedrag.’
De pineut
Meneer Ergul gelooft niet erg in de idealistische motieven achter de stadsvernieuwing in Transvaal. De woningcorporatie wil gewoon geld verdienen, meent hij. De krotten van Stellenbosch moesten sowieso gesloopt worden. En met de keuze voor koopwoningen zou de gemeente zich weleens deerlijk kunnen vergissen. Want dat hier de allochtone middenklasse komt wonen, dat is volgens hem een mythe. ‘Dit blijft een achterstandswijk,’ zegt hij. ‘De mensen zijn arm. Toen ik hier kwam, waren er pas twee huizen verkocht.’
Zelf kreeg hij met alleen zijn salaris geen hypotheek. ‘Dus doe ik elke dag twee uurtjes extra schoonmaakwerk, samen met mijn vrouw. En ’s ochtends help ik mijn zoon met zijn krantenwijk.’ Zo kan hij het bolwerken, maar nét. ‘En dat geldt voor de meeste mensen. Ze doen allemáál extra schoonmaakwerk. En ze zijn bangerig, weten niet waar ze aan toe zijn. De huizenverkopers hebben het slim gespeeld: eerst lenen de mensen maximaal, en dan horen ze achteraf dat er nog veel kosten bijkomen. Zoals voor de parkeergarage, waar mijn auto steeds in blijft steken. Dan kom ik niet op tijd op mijn werk, en dat kan ik me niet veroorloven.’ Nee, vermoedt meneer Ergul: ‘Straks zitten we met zijn allen in de pineut.’
Abdelkader Chehlafi (40) zit daar nu al in. Hij hangt onderuitgezakt op de bank van zijn maisonnette, recht tegenover het huis van meneer Ergul. Naast hem slaapt zijn dochter Sara (2), een verdieping lager huilt baby Myriam. De televisie staat op hoog volume afgesteld op een Arabische zender. Enthousiast geraakt door de prospectus kocht hij de woning aan de Wesselsstraat al in 2001. In betere tijden, verzucht hij. Het was nog voor 11 september. ‘Daarna is alles kapot gegaan in Nederland,’ zegt Chehlafi. ‘Als je hoort wat ze tegenwoordig allemaal over moslims zeggen. Eén verrotte appel, en ze doen of we allemaal rot zijn. Je ziet het misschien niet aan me, maar aan de binnenkant is er veel stress.’
Onlangs verloor hij zijn baan als automonteur. ‘Ik werd daar vaak uitgescholden,’ zegt hij. ‘Ze zeiden dingen als: ga terug naar je eigen land. Terwijl ik hier al vijfendertig jaar woon. Ik ben zelfs mishandeld door een collega.’ Toen hij daarvan aangifte deed, werd hij door de ‘grote baas’ ontslagen.
En is dat al een probleem, hij raakt ook nog eens zijn vorige koophuis maar niet kwijt. ‘Ik betaal nu twee keer achthonderdvijftig euro aan hypotheken, terwijl ik van het UWV negenhonderd euro per maand krijg.’ Hij probeert nu beide huizen te verkopen, maar dat is lastig. Bovenwoningen als de zijne staan er nog genoeg te koop in Stellenbosch. ‘De mensen vinden het te hoog, te veel steile trappen.’
In de war
Veel Stellenbosch-pioniers zijn dertigers en veertigers. Ze zijn geboren in India, Turkije of Marokko, maar opgegroeid en opgeleid in Nederland. En autochtone stadbewoners mogen vaak klagen dat ze hun omgeving zo snel hebben zien verkleuren, dat geldt net zo goed voor hen. Abdelkader Chehlafi kwam over uit Marokko toen hij vijf was, en groeide op in de aanpalende Schilderswijk, die toen nog merendeels blank was. Echt geaccepteerd heeft hij zich nooit gevoeld, er waren altijd ‘veel lelijke woorden’. Maar dat een buurt als Transvaal een eiland wordt waar de Nederlandse cultuur volledig is verdwenen, is volgens hem geen goede ontwikkeling. ‘Ik ben een Hagenees,’ zegt hij. ‘En Nederland is ook mijn land. Blanke Hagenezen blijven allemaal weg uit deze wijk. Dat is niet leuk. Als onze kinderen opgroeien zonder contact met Nederlandse kinderen, krijg je achterstallige taal. Wanneer ze straks groot zijn, zullen zich verlaten voelen. Zullen ze zeggen: Nederland wil ons niet hebben.’
Sahin Ergul denkt er net zo over. Zijn huidige buren zijn Hindoestanen, Turken, een enkele Marokkaan. Ze groeten elkaar, maken een praatje, helpen elkaar – daar niet van. ‘Maar,’ zegt hij, ‘ooit woonden hier een heleboel Nederlanders. Wij hebben daartussen geleefd. Dat waren mooie tijden. We zaten buiten op de stoep, we babbelden, de buren pasten op je kinderen. Zo was het vroeger. Waar was de discriminatie? Nergens!’ Ergul schudt zijn hoofd. ‘Maar nu… Op de Hoefkade zie ik geen een Nederlander. Ze zijn zelfs bang om hier langs te rijden. Als je hoort hoe ze praten, denk je: godverdomme, worden er hier mensen afgeslacht of zo? Op de school waar mijn vrouw Nederlands kwam leren, zei een lerares: ik ben bang om door de Schilderswijk te fietsen. Waarom? Hebben ze haar ooit iets gedaan?’
Ook volgens meneer Ergul was 11 september een keerpunt. ‘Als ik tegenwoordig de krant lees, raak ik af en toe helemaal in de war. Het gaat niet meer om de cultuur – want we hebben ons écht wel aangepast – maar het heeft met je godsdienst te maken, met de islam. Ik merk het op de televisie, op straat. Ik heb mooie tijden meegemaakt in Nederland, maar dat Nederland is er niet meer.’
Woordenboek
In elk geval niet meer in de Transvaalbuurt, moet ook Idris Baser (35) erkennen. ‘Het zou beter zijn als er hier meer Nederlanders zouden wonen. Dan zouden de straten er ook mooier uitzien. Allochtonen letten niet veel op de buitenkant. Ze doen niet hun best om de wijk er beter uit te laten zien.’
Baser drijft met zijn broer en vader een Turkse supermarkt aan het Kaapseplein. Onlangs betrok hij met zijn gezin een nieuwe woning in de Wolmaransstraat, net als zijn broer. Het is de straat waar hij voor de stadsvernieuwing ook al woonde, en waar hij zijn vrouw Esma leerde kennen. Zijn oudste zoon gaat zit in Rijswijk in de brugklas havo-vwo. Baser zit in het koffiehuis De Ster aan de Hoefkade, en wijst op de overige klandizie. Ooit zaten hier vrijwel alleen maar Turken, nu worden de tafeltjes steeds meer bevolkt door Oost-Europeanen – Bulgaren, Polen, Roemenen. Zij komen hier een halfjaar werken, meestal zwart, in de bouw en in de kassen waar vroeger Antillianen, Marokkanen en Turken hun geld verdienden. En ze geven vrijwel niks uit, zegt Baser – hij merkt het aan de dalende omzet van de winkel.
Werken in een Turkse supermarkt, dat was niet het doel van Idris Baser, toen hij vijftien jaar geleden naar Nederland kwam. Hij had hoge verwachtingen. Wilde studeren, en Nederland écht leren kennen. ‘Ik wilde een gevende mens worden, meer dan een nemende,’ zegt hij plechtig. Om een studie mogelijk te maken, werkte hij als schoonmaker en als vuilnisman. ‘Maar ik had altijd een Turks-Nederlands woordenboek bij me – alle collega’s verbaasden zich.’ Na een paar jaar kon hij aan de Haagse Hogeschool een opleiding maatschappelijk werk en dienstverlening beginnen. Hij haalde zijn propedeuse en ging Nederlands recht studeren aan de Erasmus Universiteit.
Inmiddels had zijn familie de winkel geopend, en het bleek niet te combineren. De studie maakte hij niet af. Langzaamaan, zegt Baser, werd zijn beheersing van het Nederlands slechter. ‘Ik had een grote woordenschat. Maar in de buurt zie je geen enkele Nederlander meer. In de winkel praat ik alleen maar Turks.’ Zijn verlangen om zich aan te passen, om echt Nederlander te worden, is afgenomen. Hij verdiept zich in het soefisme, de mystieke kant van de islam. ‘Ik voel me geen Turk, geen Nederlander, maar gewoon een wereldmens.’
Basers vriend Karim Dönmez (42), eigenaar van De Ster, mengt zich in het gesprek. Ook hij weet niet goed te bepalen wat zijn identiteit nou is. Niet Turks in elk geval, die taal heeft hij nooit echt goed geleerd. ‘Ik voel me nog het meest een Hagenees, maar ook dat wordt minder,’ zegt hij. Weemoedig dist hij anekdoten op over zijn jeugd in de Schilderswijk. Dat iedereen touwtjes uit de brievenbus had hangen, je kon overal binnen lopen. Over zijn oudere buurvrouw, ‘oma’, die zich over het nieuw aangekomen gezin ontfermde en hielp bij de geboorte van zijn jongste broer. ‘Oma zei: en hij heet Jan. Dus noemden mijn ouders hem Jan. Jan Dönmez.’
Een paar jaar geleden kocht hij zelf een huis aan de rand van Transvaal, waar een park zou worden aangelegd. Buren hadden hem gewaarschuwd: een park, dat betekent drugs en criminaliteit. En ze kregen gelijk. Dönmez vond de omgeving niet geschikt voor zijn jongste zoon. Hij haalde hem ook van de basisschool in de buurt, omdat hij steeds meer straattaal sprak. ‘Dat is niet goed, mensen weten niet meer wat ze zijn of waar ze bijhoren als ze in plaats van Nederlands een mengelmoes van Marokkaans, Turks, Surinaams leren.’ Zijn oudste zoon studeert aan de Erasmus-universiteit.
In de Vinex-wijk Wateringseveld, waar hij nu woont, vindt Karim Dönmez de mengeling van bevolkingsgroepen terug die hij zich herinnert uit zijn jeugd. In het Stellenbosch-project, dat recht tegenover zijn koffiehuis ligt, ziet Dönmez niet veel. ‘Met vier marktdagen, en de grote Lidl die ook zondags open is, is het hier veel te druk. En er wonen alleen maar allochtonen.’
Uitsluiting
‘Een evenwichtige verdeling van Turks, Marokkaans en Surinaams is het maximaal haalbare,’ zegt Rob van Eijkeren. ‘Die groepen beginnen nu pas hun weg te vinden naar koopwoningen.’ Van Eijkeren (51), directeur van woningbedrijf Vestia, ontvangt in een nieuw, fraai vormgegeven kantoorgebouw vlakbij station Hollands Spoor. Vanaf hier kan hij Transvaal zien liggen, de wijk waar Vestia het Stellenbosch-project bouwde, en waar hij zelf opgroeide. ‘Het was er heel anders dan nu, je kon nog op straat spelen. Mijn ouders vertrokken er in 1973, dus voordat de verkrotting begon en de oorspronkelijke Hagenezen er massaal weggingen.’
Het gevoel van uitsluiting, waartegen de jeugd in de Parijse buitensteden eind vorig jaar in opstand kwam, kent Van Eijkeren nog van vroeger. ‘Mijn oudere zussen kwamen met het verhaal thuis: als wij solliciteren, worden we afgewezen omdat we uit Transvaal komen.’ Stigmatisering is een rode draad in de geschiedenis van de wijk. Zo deed het verhaal de ronde dat mensen zuiver op grond van postcode 2572 geen hypotheek konden krijgen. ‘En 2572, precies, dat is Transvaal. Ik wil bijdragen aan het wegpoetsen van dat stempel. Het mengen van huur- en koopwoningen is daarvoor één methode.’
Voor investeerders én voor de nieuwe huiseigenaren is de wijk voorlopig ‘een zure appel om doorheen te bijten’, volgens Van Eijkeren. ‘Wie er nu gaat wonen, is een echte pionier.’
Dat bleek al uit het aanvankelijk geringe animo bij kopers. Toen het project vorig jaar uit de steigers kwam, was nog maar tien procent van de woningen verkocht – een ongekend laag percentage. Vestia besloot na die valse start de hulp in te roepen van Hamit Karakus van makelaarskantoor Atta. Karakus had tenslotte, zoals hij zelf zegt, ook in de Millinxbuurt en de Afrikaanderwijk in Rotterdam ‘de Turkse markt aangeslingerd’.
Hij organiseerde bijeenkomsten (‘een soort van tupperwareparty’s’) in moskeeën en in huiskamers waar het over voordelen van een eigen huis moest gaan. ‘Ik schrok van de verhalen die ik daar hoorde,’ zegt hij. ‘Mensen gaan het schip in doordat ze zaken doen ergens achterin een koffiehuis. Ik dacht, dat laat ik niet gebeuren, dat mijn gemeenschap zo belazerd wordt.’
De makelaar – in zijn vrije tijd is hij vice-voorzitter van de Rotterdamse PvdA – ziet met ongerustheid hoe ‘het wij/zij-gevoel’ steeds sterker wordt. ‘Vergeleken met enige tijd terug stromen de moskeeën vol, het ziet er letterlijk zwart van de mensen.’ Hij heeft niet de illusie dat het bouwen van koopwoningen de segregatie zal terugdraaien. Het verbeteren van de samenhang in kansloze wijken is het hoogst haalbare. ‘Je moet de mensen die het kunnen betalen, vasthouden in de buurt. Ze hebben er hun roots, zijn gebonden aan moskee, familie, kennissen. Wijken als deze moeten herkenbaar zijn voor de bewoners. Ze zijn nu van niemand meer en dus voelt niemand zich verantwoordelijk.’ Allochtone kopers hebben sowieso nog te veel een huurdersmentaliteit, is zijn ervaring. ‘Zoiets als een vereniging van eigenaren, daar hebben de meesten nog nooit van gehoord.’
Twee huizen
Jatinder Singh (52) weet inmiddels wél wat het is, een VVE, en de kennismaking is hem maar matig bevallen. Singh, naar Sikh-gewoonte met tulband, zit aan de keukentafel en zoekt driftig naar woorden. Soms helpt zijn vrouw Rita (46), soms schakelt hij over op Engels. Op een van de drie bovenverdiepingen – de Singhs kochten een van de weinige eengezinswoningen met vier verdiepingen – kijken de kinderen Kanwal, Prabdeep en Angad naar de Engelse televisie. ‘Ik zeg tegen mijn kinderen: onze voorvaderen komen uit de Punjab, maar jullie zijn híér geboren, jullie zijn Néderlandse Sikhs.’ Toch spreken ze thuis vooral Punjabi en Engels.
Meneer Singh is ‘huishoudelijk medewerker’ van een groot hotel, zijn vrouw heeft een wasserette. Het Nederlands is een chronisch probleem voor de universitair opgeleide Singhs. ‘Die taal, hè. Anders zouden we niet laag blijven werken, want verder hebben wij geen zwakke punten.’ In de twintig jaar dat ze nu in Transvaal wonen, bleven ze geïsoleerd van de Nederlandse samenleving. Dat ligt ook aan onszelf, zegt Jatinder Singh verontschuldigend. ‘Wij allochtonen moeten beter laten zien dat we niet hier zijn om schade toe te brengen aan Nederland.’
Het hielp niet echt dat Sikhs na 11 september wereldwijd – en ook in Transvaal – werden verward met de eveneens tulbands dragende Taliban. ‘Terwijl de moslims tegen mijn kinderen zeggen: jullie verbranden doden, dus jullie zijn ongelovigen, jullie naar de hel.’
De Haagse Mart is ‘heel veel voordelig’ en de hindoebasisschool is vlak om de hoek, maar echt blij is Jatinder Singh niet met deze stap in zijn ‘wooncarrière’. ‘De architect heeft die nissen mooi bedacht, maar nu komt een zwerver elke week plassen en poepen in de nis van het lege buurhuis.’
Erger is dat Singh zijn oude huis aan de straatstenen niet kwijtraakt. ‘Dus nu twee huizen, ja. Financieel moeilijk, met de extra kosten.’ Neem de parkeergarage, die hem dertienduizend euro kostte, en die niet werkt. Al was het idee goed, zeker vanwege de vele auto-inbraken in de buurt. ‘Mijn vraag is: waarom hebben wij politie? Mijn auto is niet één keer, niet twee keer, misschien vijftig keer opengemaakt. Meestal door junkiemensen. Ik heb een keer zo’n man gepakt, en toen hij in de cel zat, gaf hij me het vingertje.’
Schoonmaakwoorden
Schuin tegenover Jatinder Singh woont het gezin van Satnam Singh – geen familie. Al het meubilair in de woning – tafel, stoelen, dressoir, bijzettafel, wandmeubel – is roze en verpakt in beschermend plastic. Aan de muur hangen religieuze taferelen met Sikh-heiligen, uit de stereo klinkt zangerig gepreek. Het is vandaag de geboortedag van Nanek, de eerste goeroe uit het Sikh-geloof.
Meneer Singh is voor de tweede maal op rij niet aanwezig op het afgesproken tijdstip. Hij kan overuren maken op zijn werk, een boekbinderij, en die kans wil hij niet laten schieten. Echtgenote Sukhjiwan Kaur serveert een kop thee met zes suikerklontjes, en begint druk te bellen. Haar moeder, gisteren overgekomen uit de Punjab, werpt vriendelijke blikken terwijl ze een mand met bonen dopt.
Even later arriveert Narinder Singh, broer van Sukhjiwan, om namens de familie verhaal te doen. Narinder en Satnam kwamen hier veertien jaar geleden aan uit India. Narinder was daar docent aan een polytechnische universiteit. Nu werkt hij bij het ministerie van Vrom, en zus Sukhjiwan bij Buitenlandse Zaken. Het duurt enige tijd voordat duidelijk wordt dat ze schoonmaakwerk doen in de gebouwen van die ministeries.
Net als de Singhs aan de overkant van de straat, geeft Narinder Singh toe dat hij en zijn zwager zwaar onder hun kunnen werken. De taal bleek ook voor hen een onoverkomelijke hindernis. ‘Techniekwoorden zijn moeilijk,’ zegt hij. ‘Schoonmaakwoorden niet.’ Nu is het vooral belangrijk dat de kinderen goed Nederlands leren en een degelijke opleiding krijgen. ‘Wij allemaal hard werken voor kind.’
Ontslag
De grootste sta in de weg bij al dat harde werken, zo blijkt telkens weer, is de parkeergarage van het Stellenbosch-project. Het leek een aanwinst, in een overvolle buurt met een chronisch gebrek aan parkeerplaatsen: een semi-automatische garage met drieënnegentig plaatsen die huizenkopers van Stellenbosch verplicht moeten afnemen. Ook als ze geen auto of zelfs helemaal geen rijbewijs hebben.
Het idee is dat je auto, nadat je hem hebt geparkeerd, naar boven wordt getransporteerd om ruimte te maken voor een andere. Als je hem weer nodig hebt, zorgt hetzelfde ingenieuze systeem ervoor dat je auto weer voorgaats komt. Helaas is het eerder regel dan uitzondering dat hij dan semi-automatisch vastzit.
Als Satnam Singh aan het eind van de middag eindelijk arriveert, barst hij onmiddellijk los. Afgelopen week gebeurde het voor de derde keer in een maand tijd. De monteur moet uit Delft komen. Voordat die er überhaupt is, is er al een halve werkdag verstreken. Dus moet Singh met de trein naar zijn werk, waarna hij nog een heel stuk moet lopen. ‘Deze systeem heel slecht,’ zegt hij woedend. ‘Ik wil gewoon normaal garage.’
Veel van de buurtbewoners, met banen als schoonmaker, bijvuller van koffie- en snoepautomaten of verpleeghuishulpkok, hebben van hun baas te verstaan gekregen dat het zo niet langer kan. Een enkeling is al met ontslag bedreigd.
Het is dat mengsel van angst, woede en het eenvoudige gevoel te worden belazerd, dat van de oprichtingsvergadering van de VVE een weinig feestelijke bijeenkomst maakt. De sfeer in het kale zaaltje van het Compaan-complex is gespannen. Vanuit de ernaast gelegen ruimte kijkt een aantal Chinese ouderen nieuwsgierig hoe de Stellenbosch-bewoners – een stuk of twintig zijn er komen opdagen – gelaten in hun koffie roeren.
Marijke Jensma, die de vergadering leidt, lijkt geheel onkundig van de onvrede onder het gezelschap. ‘Ik ben hier namens jullie,’ zegt ze monter, en ze begint te vertellen dat het vanavond gaat over de hoogte van de maandelijkse bijdrage die de bewoners moeten betalen voor de garage. Dat is tegen het zere been.
De eigenaren barsten los: ‘De kosten lopen steeds maar op. Dat is ons niet verteld. Wij zijn gelokt met mooie verhalen, straks kunnen we ons huis niet meer betalen.’
Jensma, verzoenend: ‘Wij hebben besloten de eerste vijf jaar het onderhoud te betalen. Dat is een meevaller, zou ik zeggen.’
De eigenaren: ‘Die garages zijn gemaakt als business; drieënnegentig maal dertienduizend euro. Dat is ruim een miljoen!’
Jensma: ‘Er zijn bepaalde gevoelens vanuit de verkoop, dat is heel vervelend.’
De eigenaren: ‘Het is een arme wijk, Transvaal. Als we overal apart voor moeten betalen, hoe moeten we dan eten?’
Jensma: ‘Ik wil graag een advies geven, een toelichting op wat belangrijk is.’
De eigenaren: ‘Wie geeft ons een garantie dat hij werkt? Jij wilt geld van ons hebben, maar wij willen garantie.’
Jensma tikt op de suikerpot: ‘Ik zit hier namens jullie en ik heb het gevoel dat jullie allemaal dingen tegen mij zeggen. Ik wil iemand aan het woord laten en ik ben aan het woord.’
De eigenaren: ‘De deuren zijn niet beveiligd. En als we naar ons werk gaan kunnen we onze auto niet naar beneden krijgen.’
Jensma: ‘De storingen die er zijn – mij bereiken ze niet. Ik zal daar namens de VVE actie op ondernemen.’
De eigenaren: ‘Alles was hier leeg, niemand wilde hier wonen. Wij zijn geen rijke mensen, hoor.’
Jensma: ‘Ik vind het belangrijk dat de VVE tot besluiten komt. Als er niet wordt besloten, verpaupert het hier.’
De eigenaren: ‘Kan ons niet schelen. Steek maar in de fik.’
Jensma: ‘Goed, ik ga richting degene van wie jullie dit gekocht hebben.’
De eigenaren: ‘Die kankergarage werkt niet en omdat we die garage hebben kunnen we geen parkeervergunning krijgen. De baas zegt: nog een keer te laat en je bent ontslagen. Wij willen niet werkloos worden.’
Jensma: ‘En nu is het afgelopen. Ik wil geen kleuterjuf spelen. Ik leid hier de vergadering. We moeten oplossingen bedenken met het oog op de toekomst.’
De eigenaren: ‘We willen grotere mensen hier hebben.’
Jensma herneemt: ‘Wij hebben de VVE opgericht…’
De eigenaren: ‘Wij wíllen dit systeem niet.’
Jensma: ‘U maakt uw probleem heel helder, met veel emoties. Dat is op zich helemaal niet erg, maar we willen ergens komen vanavond.’
Er valt een moment stilte. Automonteur Abdelkader Chehlafi verrijkt de discussie met wat technische informatie. ‘Er zitten te veel relais’tjes in dat systeem, en die gaan altijd kapot. Ik heb er veel mee gewerkt in de bandenbranche. Resetten helpt niet.’
Daar haakt Jensma op in door een afspraak voor te stellen tussen de makelaar, de monteur en Abdelkader Chehlafi namens de bewoners. Maar dit voorstel vermag de Babylonische spraakverwarring niet te stoppen.
De eigenaren: ‘Het zijn rotte mensen bij jullie. Rassenhaters.’
Mevrouw Kalidien is de eerste die, giechelend, besluit de vergadering te verlaten. In haar kielzog volgen anderen, onder wie Jatinder Singh en zijn vrouw, zichtbaar ontdaan over zoveel onbeschaafdheid.
Marijke Jensma zegt dreigend dat de woningcoöperatie een meerderheid vertegenwoordigt – mede namens de veertig parkeerplaatsen die nog niet verkocht zijn. ‘Maar we zullen daar nu nog geen gebruik van maken.’
De eigenaren: ‘Wij willen garantie! Het is een soort Russische roulette, dat ding.’
Jensma: ‘Ik ga nu het voorstel in stemming brengen.’
En dat doet ze. Maar het blijft doodstil aan de vergadertafel. De enige die haar vinger opsteekt, is Norma Karsowidjojo.
Jensma, bits: ‘Okay. Dan staan jullie er alleen voor.’
De vergadering gaat in verwarring uiteen. Norma Karsowidjojo heeft, dat mag duidelijk zijn, nog heel wat zendingswerk te verrichten. En Marijke Jensma zal haar werkgever moeten gaan vertellen wie er nu eigenlijk wónen, in dat kleine, pas opgeleverde nieuwbouwbuurtje in Zuid-Transvaal.
Spanje
Omstreeks 2012 moet de extreme makeover van de hele Transvaalbuurt voltooid zijn. Dan zal duidelijk worden of miljardeninvesteringen in achterstandswijken ook zorgen voor een nieuwe samenhang in de oude wijken. Wat de pioniers van Stellenbosch betreft, veel van hen verwachten niet dat ze er tegen die tijd nog zullen wonen. Bij ‘Frisse Voetjes’ vormt de post inmiddels al stapels op de deurmat. Mevrouw Aroma neemt de telefoon niet meer op. Radha Sewbarnsingh-Jagoe verlangt nu al naar een ander huis, met een echte, dichte keuken. Jatinder en Rita Singh denken dat ze binnen drie jaar zijn vertrokken. ‘We gaan naar een Vinex. Of misschien naar Almere.’ Sahin Ergul zegt: ‘Als het zo doorgaat, kan ik het straks niet meer betalen. En dan moeten we er uit.’ Voor Norma Karsowidjojo was de keuze voor Stellenbosch sowieso een tijdelijke. ‘Over een jaar of zes, zeven heb ik mijn bijdrage wel geleverd, vind je ook niet?’ En Abdelkader Chehlafi overweegt om Nederland helemaal te verlaten. Spanje, dat lijkt hem wel wat.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.