Burgemeester Ken Livingstone roemde zijn stad na de aanslagen van 7 juli als een verdraagzaam, multicultureel paradijs. Tien dagen lang waren twee VN-verslaggevers in de wijk Bloomsbury, waar 38 slachtoffers vielen. Ze rouwden mee, spraken met winkeliers en politici, rookten ’s nachts een jointje met de hangjeugd. Tolerantie blijkt ook in Londen vaak een ander woord voor onverschilligheid.

‘Als ik ergens bang voor ben,’ zegt Nassim ‘Nash’ Ali (36), voormalig stadsdeel-burgemeester, ‘dan is het voor rechts-extremisten die door onze straten marcheren.’ Die angst is niet ongegrond, benadrukt hij. ‘Ze hebben al een moskee met rode verf besmeurd. En vrouwen met hoofddoeken worden op straat uitgejouwd.’

‘Ik heb de afgelopen tien jaar veel over de islam geleerd,’ zegt Maggy Morgan (53), de enige witte maatschappelijk werkster in Bloomsbury. ‘Maar of de moslims iets hebben opgestoken van het christendom? Ik geloof het niet. In Bloomsbury leven de bevolkingsgroepen langs elkaar heen. De enige plaats waar ze elkaar tegenkomen is de krantenkiosk.’

‘Het Westen moet niet denken dat moslims ooit zullen integreren,’ meent fabrieksarbeider Abu Laila (27) van de radicaal-islamitische organisatie Hizb ut-Tahrir. ‘Wij willen onze broeders en zusters in Londen daarvan overtuigen. De bomaanslagen keur ik af, maar ik begrijp wel waarom de daders het hebben gedaan.’

Op 7 juli 2005 werd Londen getroffen door vier bommen. Twee daarvan ontploften in de wijk Bloomsbury. De eerste ’s ochtends om 8.50 uur op de metrolijn tussen King’s Cross en Russell Square, de tweede een uur later in een dubbeldekker op Tavistock Square. In totaal vielen in Londen tenminste vijfenvijftig slachtoffers, waarvan achtendertig in Bloomsbury. In de vele toespraken en persconferenties die volgden, liet burgemeester Ken Livingstone niet na te benadrukken dat ‘those terrorists’ er nooit in zouden slagen de Londenaren tegen elkaar uit te spelen. Hij roemde zijn stad als ‘lichtend baken’ waar de witte en de zwarte, de mohammedaan, de Hindoestaan, de christen en de ongelovige vreedzaam naast elkaar leefden.

Maar is dat wel zo?

Tien dagen lang liepen we rond in de wijk die op 7/7 zo zwaar werd getroffen. We spraken met winkeliers en lokale politici, rouwden mee op herdenkingsbijeenkomsten, rookten ’s nachts een jointje met de hangjeugd en bezochten de plaatselijke kerk en moskee. We vroegen de bewoners van Bloomsbury wat de effecten van de bomaanslagen op hun gemeenschap waren. Vertrouwden de witte Britten hun moslimburen nog wel? En waren de islamieten, op hun beurt, bereid radicalisme in eigen kring aan te pakken? Het multiculturele paradijs van Livingstone bleek er minder rooskleurig voor te staan dan hij ons in zijn toespraken had voorgespiegeld.

Bloomsbury, onderdeel van stadsdeel Camden, ligt tegen het centrum van Londen aan. In het noorden van de wijk arriveren dagelijks tienduizenden forenzen op de stations van Easton, King’s Cross en St. Pancras. In het zuiden trekken de kunstschatten van het British Museum jaarlijks zes miljoen toeristen. Aan de westkant van Bloomsbury woont de witte middenklasse. Begin twintigste eeuw resideerden aan Gordon Square beroemdheden als de schrijfster Virginia Woolf met haar Bloomsbury Group en de econoom John Keynes. Even verderop ligt het vermaarde London University College.

De immigranten moeten het doen met het minder chique oostelijke deel van de wijk, waar eenvormige huizenblokken en galerijflats staan. Hier wonen kinderrijke Bengaalse families naast asielzoekers uit Afghanistan, Irak of Soedan. Of, zoals het politiek correcte stadsbestuur het liever zegt: ‘The hard to reach groups.’

Marchmont Street, het hart van Bloomsbury, heeft veel weg van een multiculturele dorpsstraat. De New Bloomsbury Halal Foodstore huist tegenover wasserette Bloomsbury Cleaners. De pub Lord John Russell bevindt zich aan de overkant van de straat. Wie twintig meter verderop naar rechts kijkt, ziet een zeven meter hoog plastic scherm dat over de breedte van de straat is gespannen. In de volle zon houdt een eenzame bobby de wacht.

Halverwege Marchmont Street ligt Gay’s World, volgens de van oorsprong Ierse Jim MacSweeney (45) ‘de eerste homoboekwinkel van Groot-Brittannië’. In de schappen staan boeken met titels als The Male Nude en How Homosexuals Saved Civilisation naast Oscar Wilde-koffiemokken. Op de dag van de aanslagen kwam MacSweeney om tien over tien bij zijn winkel. ‘De straten waren al afgeschermd. Ik heb mijn ouders in Dublin gebeld en ben weer naar huis gelopen. Wat moet je anders?’

Als Ier weet MacSweeney wat het is om aangesproken te worden op terrorisme. In de jaren tachtig en negentig, toen de IRA verschillende bommen in Londen plaatste, werkte hij bij een Ierse bank. ‘Als ik naar buiten kwam, kreeg ik verwensingen naar mijn hoofd geslingerd. En als vreemden in de pub mijn accent herkenden, begonnen ze meteen over de aanslagen.’ Hetzelfde dreigt nu de moslimgemeenschap te overkomen, vreest hij. Wie na 7/7 een baard heeft of een hoofddoekje draagt, wordt beoordeeld op de daden van een stelletje lone wolfs. ‘En dat mag niet gebeuren.’

Bloomsbury is een geweldige wijk om te wonen en te werken, vindt MacSweeney. Hij staat, zegt hij, op goede voet met de andere winkeliers, merendeels moslims uit Bangladesh. Afkeurende geluiden over zijn geaardheid heeft MacSweeney nooit vernomen. ‘Behalve misschien een sneer van een stelletje opgeschoten jongeren. Ik was blij dat bij de laatste Gay Pride een groep homoseksuele moslims meedeed.’ Als hij hoort dat Nederlandse homoseksuelen worden getreiterd door moslimtieners, trekt hij verbaasd zijn wenkbrauwen op. ‘Nee hoor,’ zegt hij dan. ‘Zoiets komt hier niet voor.’

In de New Bloomsbury Halal Supermarkt (‘specialist in Bangladeshi food, fish and vegetables’) staat eigenaar Abdulmir Miah een geheel in het zwart ingepakte vrouw te helpen. Zelf draagt hij een shirt met een afbeelding van de Taj Mahal. In de hoek staat een diepvrieskist met enorme tropische vissen. Op de schappen blikken gheeboter, zakken currykruiden, schoonmaakmiddelen, wc-papier en kokosnoten.

Als we Miah naar de aanslagen vragen, zegt hij hetzelfde als alle moslims in Groot-Brittannië. Dat terrorisme slecht is. Dat de daders geen goede islamieten zijn. Want de islam, my friend, is de godsdienst van de vrede. Miah en andere Bengalen die zich bij het gesprek voegen, roemen de buurt. ‘We hebben veel witte vrienden,’ zegt Abdul, ober in een belendend restaurant. Als we doorvragen blijkt hij te doelen op zijn klanten. Gaan ze na het werk weleens langs bij de Lord John Russell pub op de hoek? Het drietal schudt lachend het hoofd. Nee. Daar gaan ze niet naar toe. Mag niet van Allah. En de homoboekwinkel aan de overkant?

‘Ik ken hem wel.’

Spreken jullie elkaar weleens?

‘Nee, nooit.’

Vind je het niet vervelend dat die winkel daar zit?

‘Waarom? We zijn allemaal Londenaren.’

De koran verbiedt homoseksualiteit.

‘De katholieken en de protestanten zeggen ook dat homoseksualiteit haram is, slecht. Niet alleen de islam.’

Er onstaat enige consternatie. De drie mannen overleggen in het Bengaals. Dan zegt Abdul: ‘Eigenlijk is het beter als die homowinkel weggaat.’

Natuurlijk. Ook al zijn de Bengalen niet gelukkig met het uitzicht op zoenende mannen, ze zullen er niet over peinzen de boekwinkel in de hens zetten. Een stad met tien miljoen inwoners die vrijwel alle rassen, nationaliteiten en culturen ter wereld in zich verenigt, kan alleen voortbestaan als de inwoners elkaar gedogen. Wie in zo’n mengelmoes de lieve vrede wil bewaren, moet zich maar beter niet al te veel met zijn andersdenkende buren bemoeien. De door Livingstone zo geroemde tolerantie van Londenaren komt in feite neer op onverschilligheid. ‘Live and let live.’

Terwijl Nederlandse politici en intellectuelen sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh alleen nog maar llijken te praten over ‘het multiculturele drama’ of ‘de achterlijkheid van de islam’, verklaarde politiek correct Groot-Brittannië deze onderwerpen twee weken geleden nog taboe.

Neem bijvoorbeeld de nasleep van de rassenrellen tussen Pakistanen en witte Engelsen in Bradford en Yorkshire in 2001. Twee overheidscommissies die de gebeurtenissen onderzochten, toonden zich ‘geschokt door de ernst van de polarisatie’. Ze spraken van ‘parallelle levens’, ‘virtuele apartheid’ en gemeenschappen die elkaar ‘op geen enkele manier raken, laat staan overlappen en waar geen moeite wordt gedaan tot interculturele contacten’. Na wat plichtmatige discussies verdwenen hun conclusies in een stoffige archiefkast.

Maggy Morgan ontvangt ons aan een formicatafel in het Community Center aan Marchmont Street, waar de laatste bejaarden zojuist zijn vertrokken na een middagje bingo. ‘Allemaal wit,’ zegt Morgan, een struise vijftiger met een brede glimlach en blond haar. ‘De Bengaalse zestigplussers zien we hier nooit. De meesten spreken niet eens Engels.’ Morgan woont al haar hele leven in Bloomsbury. Haar vader werkte als taxichauffeur en haar moeder was boekhouder. Ze herinnert zich haar jeugd als gemoedelijk. Buurtbewoners kwamen nog bij elkaar over de vloer. Als er al een scheidslijn was, dan liep die tussen de Britten die overwegend kerkten bij de Church of England en de katholieke Ieren en Italianen.

Van de islam had ze nog nooit gehoord. Pas in de jaren zeventig kwamen de eerste moslims. De bloedige oorlog tussen Pakistan en Bangladesh deed de Bengalen met duizenden tegelijk hun land ontvluchtten. ‘We zagen ze niet graag komen,’ herinnert Morgan zich. ‘Ze schreeuwden over het balkon en gooiden hun vuilnis naar beneden. De nieuwkomers wisten niet beter. Mijn vader was ernstig ziek. ’s Ochtends om vijf uur zaten onze buren luidkeels te bidden. Rather irritating. Pas tien jaar later, toen mijn kinderen op school in contact kwamen met islamitische klasgenootjes, begon ik iets van die religie te begrijpen.’

Het oostelijke deel van Bloomsbury verkleurde langzaam maar gestaag. Telkens als er een ouder wit echtpaar naar een kleinere woning elders vertrok, werd hun plaats ingenomen door een Bengaalse familie, vaak afkomstig uit de noordelijke theeprovincie Silet. Om het de bewoners zo gemakkelijk mogelijk te maken, bracht de deelgemeente Camden tweetalige bewegwijzering aan. Morgan: ‘De lokale overheid stopt bevolkingsgroepen bij elkaar. Bengalen bij Bengalen, Somaliërs bij Somaliërs. Mensen zouden zich comfortabeler voelen als ze bij soortgenoten zitten. Op de scholen is het niet anders. Ik vind het raar. Het lijkt hier wel een getto.’

Op woensdag 13 juli vraagt heel Groot-Brittannië zich af hoe het toch mogelijk is. De daders van de aanslagen blijken geen fanatieke Al Qaeda-strijders uit Syrië, Saoedi- Arabië of Jemen te zijn, maar utterly British boys uit Leeds en Luton, die cricket speelden en genoten van fish and chips. The Sun munt meteen het begrip The Brit Bombers. Maar wie beter naar de televisiebeelden kijkt, ziet dat hun geboortewijk in Leeds net zo goed een buitenwijk van Karachi had kunnen zijn. De Pakistaanse gemeenschap leeft er in splendid isolation.

De vraag ligt voor de hand: hoe goed kennen de veelal ontkerkelijkte Britten hun mohammedaanse medemens?

In Gordon Square Park genieten universitair medewerkers, studenten en werknemers van omliggende bedrijven van hun lunch in de zomerzon. De meesten zitten in groepjes op het gras met elkaar te praten. Ze zijn, op een enkeling na, allemaal opvallend wit. Moslims komen hier kennelijk niet op dit uur van de dag.

Malcolm en Kenneth, ingenieurs van een groot computerbedrijf, zitten op een bankje in de schaduw. Of ze moslims kennen? Lange stilte. Een aantal collega’s passeert de revue. Ze komen er niet uit. Malcolm: ‘Daar spreken we nooit over. Ze vragen mij ook niet of ik katholiek ben.’ Dat hun islamitische stadsgenoten zelden in de pub, van oudsher de hoeksteen van de Britse samenleving, gesignaleerd worden, is hen nog nooit opgevallen. Kenneth: ‘Mogen moslims niet drinken van hun geloof? Dat wist ik niet.’

Ook de twintigers John, Valery en George hebben geen islamieten in hun vriendenkring. ‘Verschillende etnische groepen wonen op verschillende plekken in de stad,’ legt George geduldig uit. Hij schetst de etnische indeling: de zwarte Afrikanen in Brixton, de Indiërs rondom Brick Lane, de moslims in Noord-Londen en de joden in de wijk daarnaast. John: ‘Bij het uitgaan kom je elkaar ook niet tegen. Ik hou van rockconcerten. Aziaten en zwarten luisteren liever naar R&B.’ Valery: ‘Dat is toch geen probleem? Zolang mensen zich maar netjes gedragen en de wet niet overtreden, is alles goed.’

Vijftigers Steve en Carol kijken elkaar verliefd in de ogen, maar maken toch even tijd voor een gesprek over de aanslagen. De frustratie zit hoog. Carol werkt achter de counter van een groot cosmeticamerk in een warenhuis. ‘Op mijn werk ben ik de enige witte. Ik voel me vreemdeling in mijn eigen stad. Sommige collega’s spreken nauwelijks Engels. Dat vind ik niet goed. Soms zie ik vrouwen in een niqaab, daar schrik ik van. Met de moslimmeisjes spreek ik nooit over hun geloof, dat geeft alleen maar problemen. Misschien moet dit land de deuren een tijdje dichtdoen en niemand meer binnenlaten.’ Steve maakt een wegwerpend gebaar. ‘Dat kan toch helemaal niet. Daar is het veel te laat voor.’ Carol, bijna verontschuldigend: ‘Ik ben geen racist, ik was jarenlang getrouwd met een zwarte man.’

Van Gordon Square naar Sydmouth Mews is nog geen tien minuten lopen, maar een wereld van verschil. Op de daken van het woonblok hangen gehoofddoekte vrouwen hun was te drogen. ‘Sorry, not speak English,’ zegt een bejaarde man met een lange baard in jalabah voordat hij zijn auto instapt. Zeven van de tien mensen die we aanspreken – jonge moeders, een vader met kind, oudere vrouwen – geven hetzelfde antwoord. De Uruguyaan Pablo, kok in de chique straat Knightsbridge, woont al drieëntwintig jaar in Londen. ‘Mijn buurman op nummer zes is wit. Die zegt me nooit gedag. Met de Bengali en de Arabieren praat ik al helemaal nooit.’ Mohammed Iqbal, Bengaal van geboorte, woont al zeven jaar in Londen en werkt als keukenhulp in het Imperial Hotel. Hij spreekt niet meer dan rudimentair Engels. ‘Ik moet zo hard werken dat ik geen tijd heb om een cursus te volgen,’ zegt hij verontschuldigend. ‘Sorry, very very sorry.’

Langs elkaar heen levende bevolkingsgroepen worden in Groot-Brittannië, over het algemeen, niet als probleem gezien. Wat de Britse staatsburger achter zijn of haar voordeur doet, moet hij/zij zelf weten. Zolang iedereen maar hard werkt, op tijd belasting betaalt en elkaar niet de hersens inslaat. Als 7/7 íéts heeft aangetoond, dan is het wel dat sommige landgenoten deze vrijheid op een wel heel desastreuze manier invullen. Premier Tony Blair richt zich vooralsnog op het verbieden van radicale imams en het opsporen van terreurcellen. Het onderwerp ‘falende integratie’ wordt – op een enkeling na – door zowel Labour, Tory als Liberal Democrats genegeerd.

Over een multicultureel drama zal je ook Frank Dobson niet horen. ‘Op het buurtfestival voor de bomaanslagen stonden alle bevolkingsgroepen door elkaar en ze vermaakten zich prima.’

Sinds 1979 is Dobson de Labour-parlementariër voor het district Holborn and Saint Pancras, waarvan Bloomsbury deel uitmaakt. Gevraagd naar het grootste probleem van de wijk noemt Dobson zonder aarzeling: de huizenprijzen. ‘Projectontwikkelaars wilden woningen in kantoren veranderen. Daardoor schoten de prijzen omhoog. Maar daar heb ik een stokje voor gestoken.’ De laatste jaren is er nog een prangende kwestie bij gekomen: drugshandel op straat. Overal in de wijk zijn bewakingscamera’s opgehangen om het probleem de kop in te drukken.

‘Maar ik wil benadrukken,’ zegt Dobson, ‘dat de komst van de Bengalen daar niets, maar dan ook niets mee te maken heeft.’

Zijn partijgenoot Nassim Ali is de voormalige burgemeester van de deelgemeente Camden. Bij zijn aantreden was de Bengaal de eerste islamitische burgemeester van Camden en tevens de jongste burgemeester van Groot-Brittannië. We ontmoeten hem tijdens een sobere buurtherdenkingsbijeenkomst in Russell Square Park. Nadat predikant Paul Hawkins van de Saint Pancras Church het laatste gebed heeft uitgesproken, snelt Ali op hem af. ‘Fijn gesproken,’ bedankt hij de geestelijke. ‘Een goede opkomst. En zo multicultureel.’

We kijken om ons heen. Multicultureel? Tussen de driehonderd blanke buurtbewoners en wat verdwaalde toeristen, is Ali de enige Bengaal. Waar is de rest van zijn gemeenschap? Heel even valt er een pijnlijke stilte. Dit is niet het soort vragen dat hier gesteld dient te worden. Dan: ‘Ze waren gisteren op de nationale herdenking. Vandaag is het vrijdag. De mannen zitten in de moskee om te bidden.’ Waar de Bengaalse vrouwen zich ophouden, laat hij in het midden.

Bent u bang voor radicalisering van de Bengaalse jeugd?

‘Nee. In het geheel niet. Islam gaat over vrede, over het verbinden van gemeenschappen. Mensen die dit soort aanslagen plegen zijn geen moslims.’

Moet de islamitische gemeenschap niet over extremisme gaan discussiëren?

‘We moeten nu niet de beschuldigende vinger wijzen. Het gaat niet om islamieten. Het gaat om de hele samenleving. In Camden zeggen we: het gaat ons allemaal aan.’

Maar het gaat de moslims toch aan? Er zijn geen christenen die zelfmoordaanslagen plegen in Mekka.

‘Het gáát niet om de islam. De aanslagen zijn een direct gevolg van de situatie in Palestina en Irak. Blair had Irak nooit moeten binnenvallen.’

Moeten ouders zich geen zorgen maken als hun zoon een baard laat groeien en op korancursus wil in Pakistan?

‘Je mag niet generaliseren. Waarom zouden ouders hun kinderen moeten bespieden? Als je zoon langzaam maar zeker meer naar de moskee gaat, is dat niets om je zorgen over te maken. Je moet onderscheid maken tussen de orthodoxe islam en politiek fundamentalisme.’

In weerwil van het rooskleurige beeld dat de parlementariër en de ex-burgemeester schetsen, zijn de verhoudingen fragiel. Dat bewezen de heftige reacties op de vechtpartij op metrostation King’s Cross in augustus 1994. Hierbij kwam de vijftienjarige Richard Everitt om het leven, neergestoken door een bende van Bengaalse tieners. Jongerenwerker Ash Rahman (24) zat destijds op de middelbare school. Hij herinnert zich nog hoe witte hooligans uit andere buurten in Bloomsbury wraak kwamen nemen. ‘Ze wachtten ons op als we uit school kwamen en vielen ons aan als we voetbalden.’

Naar aanleiding van de raciale spanningen besloot het gemeentebestuur geld uit te trekken voor de multiculturele voetbalvereniging Camden United. Ash – ooit zelf sterspeler – werkte zich op tot ‘manager’ van de club. In een vitrinekast op zijn werkkamer prijken tientallen bekers en medailles. ‘Door voetbal leren jongeren van verschillende achtergronden elkaar op een natuurlijke manier kennen. Als zwarten op het veld worden uitgescholden, komen hun witte teamgenoten voor ze op.’

Zelf heeft Ash aan Camden United een gevarieerde vriendenkring overgehouden. ‘Ik ben weggebroken uit het Bengaalse wereldje. Mijn moeder wil graag dat ik met een Bengaals meisje ga trouwen. Als ik eraan denk, word ik al zenuwachtig.’ Hij somt zijn veroveringen op: Jamaicaans, Iers, wit Brits. ‘Dat is meer my way of life.’

Vergeleken met veel van zijn werkloze buurtgenoten heeft Rahman het ‘gemaakt’. Sinds kort heeft hij zelfs een bedrijfje dat hippe dansfeesten organiseert in Londense discotheken. Van de drijfveren van zijn generatiegenoten, die zichzelf op nog geen honderd meter van zijn huis opbliezen, begrijpt hij niets. ‘Bij Palestijnse of Irakese zelfmoordenaars kan ik me nog iets voorstellen. Die hebben een familielid verloren en hebben vaak geen enkel uitzicht op een fatsoenlijk bestaan. Maar deze jongens uit Leeds?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee. Ik snap het niet.’

Ash Rahman maakt zich zorgen over de ouders in de buurt die zich nauwelijks bekommeren om wat hun kinderen uitspoken. Voor ze het weten lopen ze, net als de jongens uit Leeds, in de armen van radicalinski’s met duistere plannen. Binnenkort vertrekt Camden United met twintig jongens naar Denemarken voor een zevendaags voetbaltoernooi. Ash: ‘Vijf ouders hebben gebeld om te vragen wat we precies gaan doen. Die andere vijftien hebben nooit iets laten weten. Dat vind ik vreemd.’ Inmiddels heeft hij alle ouders een brief gestuurd waarin ze worden gesommeerd een voorlichtingsavond bij te wonen. ‘Als ze niet komen, mag hun zoon niet mee. Daarin ben ik heel streng.’

De welgestelde twintigers uit Bloomsbury trekken op mooie zomeravonden naar de clubs en discotheken in Soho of West-End. De moslimjongeren blijven tussen de woonblokken bij het metrostation van King’s Cross hangen. Ze rijden rond in auto’s met bonkende hip-hop, roken een jointje of drinken vruchtensap. Althans: de jongens. De meisjes vertonen zich zelden op straat.

Om één uur ’s nachts zitten twee Bengalen, een Marokkaan, een Soedanees en een Somaliër op een bankje in Sydmouth Mews. Stoned als een garnaal. Hun ouders, zeggen ze, willen sinds de aanslagen dat ze binnenshuis blijven. Maar daar trekken ze zich weinig van aan. ‘Ik weet zeker dat de IRA achter de bomaanslagen zit,’ zegt een van de Bengalen. ‘Waarom zouden de metro’s anders zijn ontploft in buurten met veel moslims?’

Een dag later ontmoeten we een soortgelijke groep twintigers, eveneens stevige weedrokers, op de hoek van Harrison Street en Grays Inn Road. Ook zij weten het zeker. Moslims kunnen dit niet gedaan hebben. ‘Het waren de joden, het waren de joden,’ zegt Silan. Hij haalt de in Arabische kringen populaire theorie aan dat de aanslagen van 11 september eveneens een zionistisch complot waren. ‘Waarom dacht je anders dat alle joden al uit het World Trade Center waren vertrokken toen de vliegtuigen binnenvlogen?’

Suda weet het zeker: niet de vermeende daders, maar anderen moeten de bommen in de metro hebben meegenomen. ‘De geheime dienst heeft hun creditcards en identiteitspapieren later neergelegd. Allemaal om moslims in een hoek te krijgen.’

Ze zijn niet de enigen die een diep wantrouwen koesteren ten opzichte van de Britse overheid. Veel moslims die we spreken twijfelen, ondanks het overstelpende bewijs, of de vier mannen uit Leeds en Luton wel écht achter de bomaanslagen zitten.

Het is halftwee en het vrijdagmiddaggebed is net afgelopen. Cromer Street vult zich met mannen in lange gewaden met baarden. Aan de poort van de moskee, die is gevestigd in de kelder van een flatgebouw, deelt ‘Abu Kashim’ (zijn schuilnaam) pamfletten uit. Hij behoort tot de Hizb ut-Tahrir (HUT), een omstreden internationale organisatie die streeft naar de vestiging van een islamitisch wereldrijk. Twee van de bommenleggers zouden volgens The Observer banden hebben onderhouden met de HUT die ook actief was in Leeds. Overigens wijst de organisatie het gebruik van geweld af.

Abu Kashim wil de Bengaalse moslimbroeders waarschuwen voor de snode plannen van westerse regeringen na de aanslagen van 9/11, 11/3 en 7/7. ‘Het Westen probeert een verschil te maken tussen goede en slechte moslims. Maar dat is onmogelijk. Er is maar één islam, en die zal nooit integreren in het Westen. Wij vinden het Westen fout.’ Niet alle moskeegangers zijn gecharmeerd van de Hizb ut-Tahrir, zo blijkt. Vooral de oudere mannen weigeren het pamflet aan te nemen. ‘I don’t like it.’ Abu Kashim nodigt de jongeren uit om naar een bijeenkomst van zijn organisatie te komen. Vanavond om acht uur. Grays Inn Road. Op het trottoir.

Mohammed Abdul Gofur, bestuursvoorzitter van de moskee, schrikt als hij hoort dat bij de ingang pamfletten worden verspreid. ‘Als ik had geweten dat er radicalen bij het hek stonden, had ik ze weggestuurd. Ze zijn hier niet welkom.’

Die avond komen zo’n veertig jonge Bengaalse buurtbewoners af op de hagenpreek van de Hizb ut-Tahrir. ‘Deze mensen steunen ons, nu de moslims worden aangevallen,’ zegt een van hen. Wij mogen de bijeenkomst niet bijwonen. ‘Sommige broeders stellen jullie aanwezigheid niet op prijs.’ Als we na een halfuur terugkomen, nemen drie vertegenwoordigers alle tijd hun standpunt toe te lichten. Het zijn rappe praters, gewend om anderen te overtuigen van hun standpunten. Osama Bin Laden noemen ze ‘een moslim die strijdt tegen de onderdrukker’. ‘Ik heb hem nooit horen zeggen dat hij onschuldige mensen wil vermoorden,’ zegt de uit Jemen afkomstige ‘Abu Leena’. Zijn collega ‘Abu Laila’ – hij draagt een Arsenal-shirt – noemt oudere moslims die zich verontschuldigen voor de aanslagen ‘slappelingen’. ‘Groot-Brittannië is een grote kolonisator. De hele wereld zucht onder het westerse kapitalisme. Als islamiet moet je de waarheid zeggen. Ben ik dan een extremist?’

De manager van Camden United, de oud-burgemeester, het Labour-parlementslid, de maatschappelijk werkster. Niemand die ons kon vertellen dat radicale moslims op driehonderd meter van de ontplofte bus zieltjes wierven. Wisten ze het niet? Wilden ze het niet weten? Of waren de inwoners van Bloomsbury domweg niet geïnteresseerd in elkaar? Het lijkt onontkoombaar: het Verenigd Koninkrijk staat aan de vooravond van een pittig debat over de manier waarop de witte en de zwarte, de mohammedaan, de Hindoestaan, de christen en de ongelovige met elkaar samenleven.

Op onze laatste avond bezoeken we gastro-pub Harrison op nog geen honderd meter van de moskee in Cromer Street. De dj zet een zomers plaatje op en de barman tapt nog een goed glas bitter. Buiten, aan een houten tafel, sjort Corine enigszins beschonken aan haar pikante topje. ‘Zit het nog een beetje?’ roept ze tegen haar collega Laura van het callcenter. Over de aanslagen hebben ze een stevige mening. ‘Ik vertrouw geen moslim meer,’ zegt Mary. ‘Ik ga niet meer naast ze zitten. Zeker niet als ze een tas bij zich hebben.’

Corine is het niet met haar eens. ‘Je moet niet alle moslims over één kam scheren.’ Maar, zegt ze op dreigende toon, ‘ik ga mijn manier van leven niet veranderen. Als ik er sexy bij wil lopen is dat mijn zaak, ook als die moslimmannen dat niet pikken.’

Ook aan hun tafel: Falkland-veteraan David (47). Hij heeft het, zegt hij, helemaal gehad met de moslims in de buurt waar hij al zijn hele leven woont. ‘Het is hier niet veilig meer. Die jongeren zijn totaal ontspoord. Ze doen wat ze willen. Ik ben geen racist, maar ik maak me wel zorgen. Het probleem is dat politici, of ze nu van Labour of Tory zijn, niet luisteren naar de mensen in de oude wijken. De rechtsradicale British National Party heb ik nooit zien zitten. Maar zo langzamerhand geloof ik dat ze mijn stem verdienen.’