Het Nederlandse kabinet stelt voor om zo’n vijftig militairen naar de Noord-Afghaanse stad Mazar-e-Sharif te sturen om daar onder Duitse vlag op een van de paar NAVO-kampen die nog actief zijn Afghaanse speciale eenheden te trainen. Volgens de Artikel 100-brief die Defensie vrijdag naar de Kamer stuurde, zal deze missie helpen de terreurdreiging en de vluchtelingenstroom tegen te houden. Nederland wil op die manier via de NAVO de Afghaanse regering helpen om opstandelingen zoals de Taliban tot onderhandelen te dwingen. Eerder gebruikte president Donald Trump een soortgelijk argument.

Nederland stuurt ook troepen omdat het bondgenootschap met de NAVO, de Amerikanen en Duitsland belangrijk is. ‘Veiligheid is een gedeelde opgave van de internationale gemeenschap,’ zo stellen de briefschrijvers.

In plaats van diplomaten liepen de generaals het kantoor van president Bush binnen om de terreur in Afghanistan uit te roeien.

Deze argumenten voor het sturen van militairen naar Afghanistan worden al sinds 2001 gebruikt. Westerse regeringen, Amerika voorop, legitimeren zo al zeventien jaar hun wens om Afghanistan voornamelijk met wapens voor zich te winnen.

Lees ookHoe de Amerikanen in 2001 de vredesdeal met de taliban onder het vloerkleed veegden17 oktober 2016
De toon was gezet

Meteen na de aanval op de Twin Towers was al te zien hoe het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken (lees: de diplomatie) op een zijspoor werd gezet. In plaats van diplomaten liepen de generaals het kantoor van president Bush binnen om de terreur in Afghanistan uit te roeien. De toon werd gezet door Bush en zijn War on Terror.

President Barack Obama veranderde daar niet veel aan. Hij stuurde in 2009 juist de meeste troepen ooit sinds 9/11 naar Afghanistan. Met een grote schoonmaakoperatie zou hij zo binnen korte tijd voor eens en altijd de situatie onder controle krijgen.

Met president Donald Trump blijft de focus op het vechten liggen. Zijn moment of fame was toen hij vorig jaar Amerika’s krachtigste Mother of All Bombs inzette tegen de insurgency.

Maar na zeventien jaar is de vernietiging van de Taliban in Afghanistan nog steeds niet gelukt. Hun slagkracht is nu zelfs groter dan toen de westerse troepen arriveerden.

De Kamerbrief stelt dat er meer troepen moeten komen om zo het stijgende aantal burgerslachtoffers te voorkomen. Je kan het ook omdraaien: er waren nog nooit zoveel troepen in Afghanistan, en toch stijgt het aantal burgerslachtoffers.

Dat geldt ook voor het aantal Afghaanse vluchtelingen. Volgens Defensie moeten er extra troepen naar het land om deze stroom te stoppen. Maar draai het eens om: ondanks alle honderdduizenden troepen die in Afghanistan zijn geweest, neemt het aantal vluchtelingen alleen maar toe. Kabul was relatief veilig in de eerste helft van de War on Terror. Nu vluchten Afghanen en reizen Amerikaanse diplomaten in Kabul vooral nog per helikopter, ook al moeten ze bij een afspraak op loopafstand zijn.

Cruciale kennis ontbreekt

De reden dat vooral Amerika blijft voorstellen om met troepen het Afghaanse probleem aan te pakken, is hun vaste overtuiging dat de Taliban hun vijand zijn. Ik heb de afgelopen vijf jaar onderzoek gedaan voor mijn boek over de Taliban, en kwam tot de ontdekking dat het Westen – en de Amerikanen voorop – de vijand in Afghanistan niet kennen. Tijdens een lezing op het Pentagon merkte ik dat er cruciale kennis ontbrak.

Toen ze in 1996 aan de macht kwamen, waren de Taliban niet antiwesters, en wilden ze juist een Amerikaanse ambassade in Kabul. Ze wilden graag met de Verenigde Naties samenwerken. Amerika’s beeld (en dus dat van de NAVO, en dus dat van Nederland) was dat er een soort TalQaida was – een nauw verbond tussen Taliban en Al-Qaida – die samen het 9/11-plan tegen het Westen hadden gesmeed. Alle terroristen werden op één hoop gegooid. En dat legitimeert tot op de dag van vandaag de militaire interventie in Afghanistan.

Amerikaanse diplomaten in Kabul reizen vooral nog per helikopter, ook al moeten ze bij een afspraak op loopafstand zijn.

Maar dat nauwe verbond was eigenlijk fake news. Taliban-leider Mullah Omar bleek juist een Afghaanse agenda te hebben voor de opbouw van het land, die in gevaar kwam door de internationale terreurplannen van Osama bin Laden. Meerdere keren probeerde Mullah Omar Osama het land uit te zetten, onder andere door hem voor de rechter te slepen, zo beschrijf ik in mijn boek. Hij had niet veel op met Osama, iets wat het lokale CIA-kantoor in Islamabad wel wist, maar waar Washington geen boodschap aan had. Daar bleven ze Mullah Omar zien als iemand die Osama niet wilde uitleveren en dachten ze dat Omar daarom Osama inhoudelijk steunde.

Uit op wraak

Dat de Taliban niet serieus werden genomen in die tijd, heeft veel kwaad bloed gezet bij Mullah Omar. Waarom weten ze niet dat ik met hen wil samenwerken, zei hij vaak. Saoedi-Arabië was een bondgenoot van ‘de wereld’, waarom hij niet?

In Afghanistan verbaasden ze zich niet toen de Taliban zich na 2001 probeerden over te geven. Mullah Omar had toestemming gegeven aan zijn kabinet om de wapens neer te leggen en mee te doen met de nieuwe toekomst die werd ingezet door de Amerikanen. Toen de nieuwe president Karzai toestemming gaf voor deze overgave, greep Donald Rumsfeld – met zijn sterke maar slecht geïnformeerde ideeën over de Taliban en Al-Qaida – in en hield het tegen.

Het ging Amerika op dat moment vooral om wraak. Zij waren aangevallen op hun grondgebied, en daarom moest er ingegrepen worden. Met militairen.

Zo werd de overgave door de Taliban tegengehouden, en werd Nederland (als onderdeel van de NAVO) in deze militaire missie naar Afghanistan meegesleept, of ze het nou wilden of niet.

Een heilloze weg

Terwijl de Taliban waren verdwenen, stuurde dit nieuwe bondgenootschap elk jaar meer troepen. Tegen wie vochten ze dan? De westerse troepen – vooral Special Forces in het begin – steunden gouverneurs die tegelijkertijd warlords waren en hun eigen rivalen aanwezen als Taliban. Elke dag kwam het voor dat de westerlingen met Bushmasters en F16’s in familieruzies belandden in plaats van dat ze de echte Taliban doodden.

Sinds 2005/2006 zijn de Taliban zich weer gaan herorganiseren, maar vooral omdat de westerse soldaten en hun Afghaanse corrupte overheidspartners zoveel onrust veroorzaakten.

En zo zijn we gekomen waar we nu zijn.

Het is duidelijk dat de militaire weg een heilloze weg is. Zonder te praten met de Taliban komt er geen oplossing in Afghanistan. Ze waren niet de vijand, en de vraag is: zijn ze dat na zeventien jaar oorlog wel? Het conflict heeft diepe wonden geslagen in het land en het is moeilijker dan ooit om pratend vrede te bereiken.

De reactie op 9/11 heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is voor de wereldvrede om generaals op de stoel van diplomaten te zetten. Het Tweede Kamerdebat zou daarover moeten gaan, in plaats van te soebatten over vijftig commando’s. Waarom is Defensie in the lead op dit dossier? Waarom is Buitenlandse Zaken niet prominenter? En moet de Tweede Kamer ook niet een keertje goed in de spiegel kijken, als ze direct om troepeninzet vragen als het mis gaat in deze landen?

Nu meer dan ooit heeft Nederland de kans om het onderwerp ‘vrede’ op de kaart te zetten.

Verder kan Nederland in plaats van Afghaanse commando’s te trainen ook onderzoeken wat er al aan lokale Afghaanse vredesinitiatieven is ondernomen en daar internationale steun voor organiseren door het voortouw te nemen.

Reden tot hoop

Dit weekend werd het staakt het vuren ineens reden tot hoop in Afghanistan, waar de Taliban en de Afghaanse regering elkaar na jaren van vechten weer ontmoetten. In hoeverre kan Nederland daar op een fijngevoelige manier aan bijdragen?

Nu meer dan ooit heeft Nederland de kans om het onderwerp ‘vrede’ op de kaart te zetten. Nederland is penvoerder voor Afghanistan bij de Verenigde Naties en zou daarom de efficiëntie van de huidige militaire strategie aan kunnen kaarten, en de aanhoudende War on Terror in Afghanistan openlijk kunnen bespreken. Ook zou de Kamer erop aan kunnen dringen het kabinet te vragen de overgave van 2001 op VN-niveau te bespreken (in een hoorzitting?) om zo de Taliban beter te begrijpen. Het zijn onconventionele voorstellen maar na zeventien jaar wordt het hoog tijd dat het Westen weet wie zijn vijand is in Afghanistan om zo in staat te zijn met een passende strategie te komen.

Bette Dam schrijft over Afghanistan voor Vrij Nederland en doceert op Sciences Po in Parijs over het land. Haar boek over de Taliban en Mullah Omar komt begin 2019 uit.