Zelfs ík heb een ervaring met het Pauli-effect. In de winter van 2010 kreeg ik op een besneeuwde weg een lekke band. Ik wilde de auto van de weg manoeuvreren maar kwam klem te zitten op een hoge stoeprand die door de sneeuw niet zichtbaar was. Er ontstond een lange file. Om de wegenwacht te kunnen vertellen waar ik stond, moest ik achterhalen wat mijn locatie was. Tot mijn grote verontwaardiging kwam ik erachter dat het de Wolgang Pauliweg was. Welke idiote onwetende gemeenteambtenaar noemt een weg naar Wolfgang Pauli!!?
De wind uit het gekkenhuis
Wolfgang Pauli (1900-1958) was een van de grootste natuurkundigen van deze eeuw, maar een klein mannetje. Hij was 1 meter 62 lang, had donkere haren en roze allergievlekken in zijn gezicht. Toen hij 31 was, kampte hij met zware psychische problemen en bezocht hij Carl Jung, die bij hem in de buurt woonde. Jung herinnerde zich later nog levendig het moment dat hij Pauli voor het eerst zag. ‘Toen deze hardgekookte rationalist voor de eerste keer bij mij op consult kwam, was hij in zo’n staat van paniek dat niet alleen hij, maar ook ik de wind uit het gekkenhuis over me heen voelde waaien.’
Nu zou je het een ‘verwarde man’ noemen. En Jung was reuzeblij met hem. De dromen die Pauli aan Jung vertelde, vormen zo ongeveer de hele basis van Jungs dromenleer (zie het boek Deciphering the Cosmic Number. The Strange Friendship of Wolfgang Pauli and Carl Jung van Arthur I. Miller).
Dure meetapparatuur kraakte als Pauli de deur van het lab doorstapte. Buizen ploften en koperdraadjes brandden door.
Dat Pauli natuurkundigen angst aanjoeg, kwam niet door de glinstering van waanzin in zijn ogen, maar doordat hij zo onhandig was met apparaten dat ze al kapotgingen als hij in de buurt kwam. Dure meetapparatuur kraakte als Pauli de deur van het lab doorstapte. Buizen ploften en koperdraadjes brandden door. In Göttingen, waar Pauli werkte, explodeerde op een dag een ingewikkeld apparaat. James Franck, de directeur van het instituut, schreef Pauli, die toen in Zürich zat, dat het dit keer in ieder geval niet zijn schuld kon zijn. Maar later bleek dat Pauli op weg was naar Kopenhagen. En de trein waarin hij zat stond een paar minuten stil op het station van Göttingen, net op het moment dat het dure apparaat uit elkaar knalde. Beroemd is de foto van Pauli, te zien op de achtergrond, die met een duivelse grimas net een voetbal heeft weggetrapt. De voetbal is groot in beeld, een fractie van een seconde voor hij het kostbare fototoestel raakt. Het was een fenomeen dat bekend kwam te staan als het Pauli-effect.
‘Het is niet eens verkeerd!’
Weinig natuurkundigen geloofden waarschijnlijk écht dat Pauli paranormale krachten had, maar Nobelprijswinnaar Otto Stern verbood hem voor de zekerheid toch maar de toegang tot het laboratorium, in de geest van de legendarische fysicus Niels Bohr, die een hoefijzer aan de muur had hangen ‘omdat het ook scheen te werken als je er niet in geloofde’.
Niet alleen de natuurkundigen die werkten met dure apparaten vreesden Pauli. De ‘theoreten’ die alleen met potlood en krijt krabbelden, waren misschien nog wel banger voor hem. Niet vanwege het Pauli-effect, maar om zijn scherpe geest en bijtende sarcasme. Een natuurkundige die een betoog hield terwijl Pauli in het publiek zat, was niet op zijn gemak. Pauli was er een meester in om wankele argumenten te fileren. Een foutje of een weggemoffelde logische stap die te makkelijk genomen werd, niets ontging hem. En de uitroep die iedereen vreesde was: ‘Het is niet eens verkeerd!’ (‘Das ist nicht nur nicht richtig; es ist nicht einmal falsch!’)
Als een natuurkundige iets zei wat niet weerlegd én niet geverifieerd kon worden, kwam er stoom uit zijn oren. Pauli vond uitspraken waarvan nooit duidelijk zou worden of ze waar of onwaar waren, erger dan foute uitspraken, die vroeg of laat rechtgezet konden worden. Echt boos werd hij van bullshit.
Bullshit is drijfzand
Het is in lijn met de filosoof Harry Frankfurt, die in 1986 het essay On Bullshit schreef. ‘Een van de meest opvallende kenmerken van onze cultuur is dat er zo veel bullshit is,’ schreef Frankfurt, ‘iedereen weet dit, en ieder van ons draagt zijn steentje bij.’
Een gezonde cultuur is afhankelijk van een grote hoeveelheid betrouwbare informatie. En een bullshitter heeft hier geen respect voor.
Het essay, in 2005 ook uitgegeven als boekje, werd een verrassende bestseller, die nu in de tijden van Trump en nepnieuws weer veel wordt aangehaald.
Een belangrijk kenmerk van bullshit is dat het de spreker niet heel veel uitmaakt of het waar is wat hij zegt. De ‘bullshitter’ lult maar wat, om zelf beter uit de verf te komen. Om zich waardig uit de situatie te redden. Zoals Gerard Joling, die de criminaliteitsexpert uit ging hangen bij Pauw, of de gewone man die op straat een microfoon onder zijn neus gedrukt krijgt. Alom aanwezig zijn de deskundigen die iets deskundigs moeten zeggen omdat ze anders niet deskundig overkomen. De meeste mensen hebben dit wel door, en vinden het ook weer niet zo erg. Als er maar wat te lachen of te mopperen valt. Maar Frankfurt betoogt dat al deze bullshit kwalijker is dan we ons realiseren. Een gezonde cultuur is afhankelijk van een grote hoeveelheid betrouwbare informatie. En een bullshitter heeft hier geen respect voor. Frankfurt vindt bullshit daarom een groter gevaar voor de waarheid dan leugens. Een leugen kun je rechtzetten, bullshit is drijfzand. Dat is ook de reden dat Pauli er zo’n hekel aan had: je komt niet verder met bullshit. Om te kunnen bouwen op uitspraken, hoeven ze niet waar te zijn, maar ze moeten wel falsifieerbaar zijn.
Bullshit leidt tot wat Richard Feynman in 1974 ‘cargo cult wetenschap’ noemde. De cargo cults zijn een antropologisch fenomeen op de eilanden in de Stille Zuidzee. Tijdens de tweede oorlog bouwde het Amerikaans leger een vliegveld op zo’n eiland. Er kwam een commandopost, er kwamen mannen met koptelefoons op, en andere mannen stonden met stokjes en bordjes te zwaaien om signalen te geven aan naderende vliegtuigen.
Toen de soldaten na het einde van de oorlog weer vertrokken, wilden de oorspronkelijke bewoners ook eens kijken of ze vliegtuigen konden lokken. Ze maakten van bamboestokjes koptelefoons en antennes en kopieerden het gedrag van de soldaten, maar tot hun grote verrassing landde er geen vliegtuig.
Disclaimer
Een groot verschil tussen de media en de exacte wetenschappen is de tolerantie voor bullshit van de media. En dat is verklaarbaar, zoals de sociale wetenschapper Philip Tetlock liet zien. In 1984 deed Tetlock een groot onderzoek naar deskundigen. Hij verzamelde 284 mannen en vrouwen die regelmatig optraden in de media en vroeg hen om voorspellingen te doen over dingen die toen speelden. Of Canada uiteen zou vallen in een Frans en een Engelssprekend deel, of Amerika een oorlog zou beginnen in de Perzische Golf; of Gorbachov afgezet zou worden door een staatsgreep. Tetlock kreeg zo 28.000 voorspellingen, die hij de jaren erna toetste op juistheid. De gemiddelde expert deed het niet beter dan ‘een chimpansee die pijltjes op een dartbord gooide’.
De meeste deskundigen die je op televisie ziet, zijn ‘egels’ noemt. Egels zijn welbespraakt, overtuigend en weten goed over te brengen waarom hun grote alomvattende idee klopt en zo verschrikkelijk veel verklaart.
Eigenlijk zou er een disclaimer in beeld moeten komen bij actualiteitenprogramma’s: ‘De wetenschap wijst uit dat deskundigen niet weten waar ze over praten. Dit gelul is er puur voor entertainment.’ Niels Bohr zei het al: ‘Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat.’
De meeste deskundigen die je op televisie ziet, zijn wat Tetlock ‘egels’ noemt. Egels hebben vaak een groot samenhangend idee van hoe de zaak in elkaar steekt, een idee dat ze graag opblazen. Ze zijn welbespraakt, overtuigend en weten goed over te brengen waarom hun idee klopt en zo verschrikkelijk veel verklaart.
Tetlock vond ook deskundigen die duidelijk beter scoorden dan het gemiddelde. Deze voorspellers noemde hij vossen. De vossen waren niet hoger opgeleid of beter belezen dan de egels. Ook hun politieke kleur was niet van belang. Wel hadden vossen een duidelijk andere manier van denken: vossen zijn zelfkritische, eclectische denkers die bereid zijn om hun denkbeelden aan te passen als ze met nieuw bewijs geconfronteerd worden. Ze twijfelen vaak aan grote overkoepelende ideeën en zijn heel bescheiden over hun eigen voorspellende kwaliteit. Vossen wantrouwen zichzelf.
Studiogasten from hell
‘Het eerste beginsel is om niet jezelf voor de gek te houden – en je bent de makkelijkste persoon om voor de gek te houden,’ zei Feynman in zijn cargo-cultspeech. ‘We hebben uit ervaring geleerd dat de waarheid naar buiten zal komen. Anderen zullen jouw experiment herhalen en ontdekken of je gelijk had of niet. Natuurfenomenen zullen in overeenstemming zijn met je theorie of niet. En hoewel je tijdelijke faam zult hebben, zul je geen goede reputatie verwerven als wetenschapper als je niet geprobeerd hebt om heel erg zorgvuldig te zijn. En het is deze integriteit, dit soort zorgvuldigheid om jezelf niet voor de gek te houden, die veelal mist in cargo cult wetenschap.’
Richard Feynman – die zelf zeker ook wel wat stekels op zijn rug had staan – zet vossen op een voetstuk. Zij zorgen ervoor dat het bouwwerk van de wetenschap stevig is, zodat de natuurkundigen op elkaars schouders durven te gaan staan om verder te kijken.
Televisieredacteuren willen iemand die met een uitgestreken smoelwerk kan vertellen dat de wereld minder chaotisch is dan die lijkt, en niet iemand die nog meer chaotische kanten van de werkelijkheid openbaart.
De media daarentegen houden veel meer van egels. En dat is ook logisch. Dat iets duidelijk, helder en onmiddellijk begrijpelijk is, is bijna per definitie belangrijk voor de media. En egels komen daarbij goed van pas. Een egel heeft een duidelijke overtuiging, een groot idee dat alles verklaart, en kan dat goed onder woorden brengen. Als een redacteur van – ik noem maar een dwarsstraat – Pauw of De Wereld Draait Door daarentegen een ‘vos’ aan de lijn krijgt, breekt het zweet hem of haar uit. Vossen zijn de studiogasten from hell. Zeker als ze ook nog eens slissen en er niet appetijtelijk uitzien. Beter een bekende Nederlander die met een guitige blik in de ogen duidelijke, heldere standpunten de ether ingooit dan een hakkelende twijfelaar die acht jaar naar een grafiek heeft zitten kijken en die nog niet helemaal begrijpt. Televisieredacteuren willen iemand die met een uitgestreken smoelwerk kan vertellen dat de wereld minder chaotisch is dan die lijkt, en niet iemand die nog meer chaotische kanten van de werkelijkheid openbaart, en vervolgens waarschuwt voor problemen zonder precies te kunnen zeggen wat die problemen zullen zijn en hoe groot die problemen zullen worden.
Dit heeft natuurlijk te maken met het feit dat de belangrijkste cijfers in het mediapark de kijkcijfers zijn. In de news rooms van kranten hangen schermen waarop de data van sociale media in real time worden getoond, niet om te kijken wat er in de wereld gebeurt, maar om te kijken welke artikel het meest gelezen wordt. En om veel gelezen te worden en trending te zijn, heb je niet veel aan mensen die veel respect hebben voor betrouwbare informatie. Journalistiek houdt van helderheid. ‘En duidelijkheid en waarheid zijn complementair,’ zei Niels Bohr al.
Zo veel mogelijk opwinding
In deze tijden van sociale media is er nog een andere component bij gekomen. Omdat ‘egels’ uitgesprokener zijn, wekken ze meer irritatie en dus polarisatie op en doen ze het dus ook veel beter op Twitter, een platform dat profiteert van het feit dat negativiteit zich veel sneller verspreidt dan positiviteit, en de algoritmes dit effect nog eens laat uitvergroten om zo veel mogelijk opwinding te krijgen.
Een zekere mate van bullshit hoort bij journalistiek. Omdat journalistiek nu eenmaal ook voor een groot deel entertainment is.
Een zekere mate van opwinding en dus bullshit hoort bij journalistiek. Omdat journalistiek nu eenmaal ook voor een groot deel entertainment is. Goede bullshitters moeten daarom misschien zelfs wel gekoesterd worden. Of om met Gerard Reve te spreken: ‘Er is niets tegen geouwehoer zolang er maar Gods zegen op rust.’ Bovendien is een saillant detail uit het onderzoek van Tetlock dat als er dingen gebeuren die heel verrassend zijn, het eerder een egel dan een vos is die het voorspelt.
Waar Frankfurt vooral tegen ageert, is wat hij ‘antirealisme’ noemt. De antirealist ontkent dat er zoiets bestaat als objectieve waarheid en hecht meer waarde aan oprechtheid. ‘Ervan overtuigd dat de realiteit geen inherente aard heeft, die hij zou kunnen identificeren als de waarheid over de dingen, wijdt hij zichzelf aan het trouw zijn aan zijn eigen natuur.’
We moeten voorkomen dat onze hele samenleving een cargo cult wordt, waarin feiten over klimaatverandering, vaccinatie en de evolutie niet serieus worden genomen.
Maar om te voorkomen dat onze hele samenleving een cargo cult wordt, waarin feiten over klimaatverandering, vaccinatie en de evolutie niet serieus worden genomen, zou het de vossen misschien wat meer naar de zin gemaakt moeten worden en zouden er (weer) meer rustige saaie vleugels in de mediaparken en op de krantenredacties moeten komen, waar realtime trends en kijkcijfers verboden zijn, en waar de vossen het voor zeggen hebben. Waar het draait om verifieerbare uitspraken waarop voortgeborduurd kan worden, in de geest van Wolfgang Pauli.
Het is overigens wel belangrijk om zo’n afdeling nooit naar Wolfgang Pauli te noemen.
Dit is het tweede deel uit een tweedelige serie over nepnieuws. Je kunt hier deel 1 lezen van Frits van Exter over lulkoek in de journalistiek.




Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.