Mark Rutte pleitte in een open brief in de kranten voor ‘normaal doen’. Simone van Saarloos schrijft een brief terug: ‘Elke keer dat jij pleur op roept, zetten wij stappen.’

Mark,

Een tijdje geleden droomde ik over jou. Fred Teeven was er ook even, maar hij verdween algauw. We verhuisden van de picknicktafel waar we buiten op een zonnig terras zaten naar binnen. We waren in een soort museumhal en moesten allebei een praatje houden. Jij vouwde het programmaboekje open en klaagde dat je nog uren had voor je op moest. Je vreesde dat je je vliegtuig naar Wales die avond ging missen. Ik leefde met je mee en in jouw bijzijn vergat ik mijn eigen praatje, vergat ik te kijken hoe laat ik zelf moest, vergat ik waarover ik zou praten en vergat ik zenuwachtig te zijn. We zaten naast elkaar op de grond, onze benen voor ons uitgestrekt als kinderen in een gymzaal, wachtend tot we mochten. We spraken over dit en dat en je vertelde over Zomergasten, hoe ontevreden je was over je optreden daar. Je vreesde dat je bij elk getoonde fragment hetzelfde had gezegd, namelijk: ‘Maak er wat van. Je moet zelf iets van je leven maken.’

Invechten is synoniem aan vieren. Slingers ophangen. Invechten, juist als je ongenodigd op het feestje bent.

Je gaf presentator Thomas Erdbrink de schuld: het lag aan zijn vragen. Ik keek naar je licht droevige gezicht en vroeg me af hoe jij zometeen breed glimlachend het podium op moest stappen.

Ik werd wakker van een slijptol buiten, van de bouwvakkers op de hoek van de straat, helaas voor ik jou zacht kon kussen.

Ik herinner me die Zomergasten-uitzending. Hoe je aangaf dat de homoseksualiteit van je broer er niet toe deed. Hij overleed aan aids – en was dus één van velen, onderdeel van een maatschappelijk fenomeen, zijn ziekte politiek – maar zijn homoseksualiteit was geen onderwerp, niet van belang, er hoefde niet over te worden gepraat.

Kun jij je voorstellen dat er mensen zijn die hun verschillen belangrijk achten? Mensen die juist om hun verschillen willen worden gewaardeerd? Dat voor sommigen juist het verschil doet leven?

Kun jij je voorstellen dat er mensen zijn die hun verschillen belangrijk achten? Mensen die juist om hun verschillen willen worden gewaardeerd?Na de Gay Pride circuleerde er een prachtige foto op internet. Een dansende vrouw had op haar knalronde, zwangere buik geschreven: I don’t care what she is. Het maakt me niet uit wat zij is. Het was een prachtige, liberale foto. Het maakt me niet uit. Wel wist ze het geslacht van haar kind: ‘zij’. Dat geslacht zal in de wereld waarin het kind wordt geboren het een en ander uitmaken. Onder meer wat ze verdient. Ook haar seksualiteit zal iets uitmaken: of ze uit de kast moet, of ze 364 dagen per jaar Straight Pride viert of maar één Pride dag danst, of haar seksualiteit wordt ingezet om een anti-moslimsentiment te genereren.

De liberale danseres vierde kleurenblindheid. Jij viert dat eveneens, jij vindt dat normaal. Terwijl deze aandoening slechts 8 procent van de bevolking treft. Meestal mannen en meestal hebben ze alleen moeite met het onderscheiden van nuances, volledige kleurenblindheid bestaat nauwelijks. Er zijn in Nederland meer homo’s dan kleurenblinden.

You don’t care, als het maar normaal is.

I care, lieve Mark, en ik weet daarom nooit wat normaal is, maar het stempel ‘normaal’ is niet nodig om mij veilig te voelen. Ik voel mij veilig, omdat I care. In mijn erkenning, mijn geboeid zijn, mijn zorg, in mijn aandacht en interesse en verwarring en frustratie is geen plaats voor superioriteit.

Jouw normaal is nooit het mijne geweest en wat jij ook ‘normaal’ zult vinden (de invulling afhankelijk van waar jij denkt dat er stemmen te halen zijn) het zal nooit mijn normaal zijn, omdat normaal voor mij geen begrip van werkelijke betekenis is.

Staatsrechtelijk is jouw normaal een dwaling, omdat je premier bent van alle Nederlanders. Artikel 2 van de grondwet stelt: de wet regelt wie Nederlander is. Het paspoort bepaalt. Niet je vlog, niet je klootzakkengedrag, niet je gespuug naar conducteurs, niet je bankrekening, niet je uren vrijwilligerswerk of je uitkeringsafhankelijkheid, niet je seksualiteit, niet je geloof, niet hoeveel uur je slaapt, niet of je van shoppen houdt, je afval wilt scheiden of geen auto wilt rijden, niet of je wel een stropdas draagt (m/v), of je een kort rokje draagt (m/v) of een baard (m/v), niet of je God vertrouwt of jezelf of allebei of allebei maar half, niet of God’s wil stuurt of the power of now, niet of je voorover of liever achterover leunt, niet of je naar wiet geurt of naar Chanel, niet of je Speltbrood eet of Kapsalon, niet of je werk hebt of thuiszit, niet of je kinderen baart of achterlaat, niet of je in een bubbel leeft of iedereen kent, niet of je haat of liefhebt.

Dat alles bepaalt niet of je Nederlander bent. Dat alles bepaalt niet of je normaal bent.

Iedere keer dat jij pleur op roept, vertrek ik.

Ik trek naar mijn vrienden – in queerclubs, op broedplekken voor linkse hobbyisten, tussen de ‘Zwarte Piet = Racisme’-shirts, in verliesdraaiende boekhandels, in huizen waar het gebruikelijk is om je schoenen uit te doen en waar soms een taal wordt gesproken die ik niet begrijp, op demonstratiepleinen en op het sportveld (het halve veld, het vrouwenteam deelt met de jeugd), naar plekken waar de dingen die je doet of verlangt niet minder zijn alleen omdat niet iedereen ze doet of verlangt.

Ik trek naar vreemden – om te zeggen dat ik ze niet ken of begrijp en daarom graag wil praten, kijken, luisteren.

Elke keer dat jij pleur op roept, schreeuwt mijn lijf en fluisteren mijn lippen: I care.

Elke keer dat jij pleur op roept, zetten wij stappen. Je laat ons marcheren. Je traint ons sterk. Ons uithoudingsvermogen is niet om over op te scheppen. Ons uithoudingsvermogen zit niet in een winnaarsmentaliteit. Ons uithoudingsvermogen is het dagelijkse I care.

Ik blijf vertrekken. Jij verlaat jezelf om te blijven.

Hier,
Simone