Bij het verschijnen van zijn twaalfde roman begint Oscar van den Boogaard in te zien dat hij niet langer in zijn verhalen kan vluchten

Onder de brandende zon slenterden de schrijver en de octopusvisser naar de oceaan in de kom van Napels, met hun harpoen en zwemvliezen in de hand. Het was de perfecte dag om op octopussen te jagen.

Met een geoefend oog kon je een oogje of armpje tussen de gaten in de rotsen ontwaren. De visser gaf zijn vreemdeling aanwijzingen voor de vangst. ‘Je lokt de octopus met je witte handpalm,’ vertelt Oscar van den Boogaard hem geestdriftig na. ‘Als hij tevoorschijn komt, steek je een mes tussen de ogen in een zwarte wolk van inkt. Daarna keer je boven water zijn kop binnenstebuiten en snijd je zijn ingewanden eruit.’

De eerste octopusjacht was een belevenis. Drie vingen ze er. In de hitte liepen ze naar huis – met in een schoudertas de lillende buit – voor een feestmaal van spaghetti en een toost op hun kameraadschap. ‘Ik kreeg zo’n...