Heel terecht verlangt de Volkskrant de laatste tijd nadrukkelijk de aandacht van de Nederlandse regering voor het fenomeen dat Iran op vreemde bodem tegenstanders van het ayatollah-regime om zeep helpt.
Dat gebeurde in eerder augustus en nog eens een week of twee geleden via de opiniepagina, vorige week via een hoofdredactionele oproep, en afgelopen dinsdag andermaal middels een interview met de Iraanse publicist Keyvan Shahbazi.
De moord in Istanbul op de journalist Mohammed Khashoggi door (waarschijnlijk) een Saoedisch regeringscommando en de onthulling dat in Kopenhagen een Iraans moordcomplot werd verijdeld deden het vuur en de boosheid telkens oplaaien. Waarom laten wij dit in Europa gebeuren zonder er al te veel ophef over te maken?
Dat was de boodschap aan Den Haag: wij wezen na een Iraanse moord in een keurige Haagse wijk twee diplomaten geruisloos uit, terwijl Denemarken gekozen had voor stennis (’totaal onaanvaardbaar’) en haar ambassadeur terugriep uit Teheran. Frankrijk had een soortgelijke ervaring en – op een slappe straf na – ook al weinig lef getoond. Zijn de Europeanen misschien een beetje gegijzeld door het grotere belang van een goede verstandhouding met de geestelijken aan de Golf? Zakelijke belangen? Geopolitiek? Overeind houden van de nucleaire deal met Iran, door Trump in mei van tafel geveegd?
De gifparaplu
Volkomen terecht om deze vraag op te werpen, maar je kunt het verschijnsel ook breder aan de orde stellen. Saoedi-Arabië hielp Khashoggi om zeep. Rusland vergiftigde in 2006 in Londen ex-KGB-agent Aleksandr Litvinenko met polonium en probeerde – zegt iedereen, al zullen we de smoking gun nooit zien – dit jaar vader en dochter Skripal in Groot-Brittannië met het zenuwgas novitsjok naar de andere wereld te helpen. Drie kritische Russische journalisten werden in augustus in de Centraal Afrikaanse Republiek direct na aankomst op een kruispunt vermoord in de buurt van een verdacht Russisch trainingskampje.
Waarom laten wij dit in Europa gebeuren zonder er al te veel ophef over te maken?
Noord-Koreaanse agenten lieten lokale huurlingen de halfbroer van de grote leider Kim Jong-Un op het vliegveld van Kuala Lumpur vergiftigen met zenuwgas, Chileense agenten van dictator Pinochet doodden in 1976 Orlando Letelier. In 1978 vermoordde de Bulgaarse geheime dienst dissident Georgi Markov met de beruchte gifparaplu. In 2015 pleegde een openbaar aanklager in een proces tegen Iraniërs die in Buenos Aires een aanslag hadden gepleegd op een joods centrum onder uiterst verdachte omstandigheden ineens ‘zelfmoord’. Kortom, what’s new? Maar natuurlijk ook: wat is er aan de hand?
Zijn buitenwettelijke executies binnen of over de grenzen een standaardinstrument van buitenlands beleid voor landen – niet alleen Iran – geworden?
Een routinekwestie
Voor de volledigheid: onlangs heeft Amerika volgens het Bureau of Investigative Journalism zijn vijfduizendste drone-aanval gelanceerd in het buitenland. Daarbij zijn in totaal gemiddeld naar schatting tienduizend ‘terroristen’ gedood op vreemde bodem, zo’n zevenhonderdvijftig tot zestienhonderd burgers waarvan tweehonderdvijftig à driehonderdzestig kinderen. Hoewel de officiële cijfers lager zijn, kan men wel veilig stellen dat deze targeted killings die tegenwoordig op last van Trump niet langer stuk voor stuk aan de president voorgelegd worden, maar aan de CIA of plaatselijke commandanten worden overgelaten, ook onschuldige personen treffen.
Dan Israël. Begin dit jaar verscheen Rise and Kill First: the Secret History of Israel’s Targeted Assasinations, van de Israëlische onderzoeksjournalist Ronen Bergman. Geen prettige, maar wel instructieve literatuur.
Bergman documenteert na duizend interviews uit de inlichtingenwereld en meticuleus onderzoek in archieven hoe de buitenlandse, doorgaans clandestiene kill kon uitgroeien tot vast bestanddeel van het buitenlands beleid. In de historische context valt deze extreme versie van zelfverdediging nog wel uit te leggen, maar er zijn in de 753 pagina’s zeker ook tientallen operaties beschreven die de aanduiding van ‘interceptie’ of ‘negative treatment’ als eufemisme voor buitenlandse moord niet verdienen.
En zeker niet, als het om geheime liquidaties in het buitenland gaat. Ami Ayalon, hoofd van de Sjien Beet (de Israëlische veiligheidsdienst) in de jaren negentig, vertrouwde Bergman toe dat de methode-TK (targeted killing in de wandelgangen) een routinekwestie werd: ‘you get used to killing; human life becomes something plain. Easy to dispose of’. Dat is alsof je Hannah Arendt de zaak-Eichmann hoort duiden, en inderdaad zegt Ayalon: ‘ik noem het banaliteit van het kwaad’.
Intussen mag het clandestiene moorden absoluut geen banale standaardvorm van zelfverdediging worden, en dat geldt niet alleen de Iraanse of Saoedische praktijk.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.