De kledingfabriek van Utexrwa ligt aan de voet van een groene heuvel midden in Kigali. Verderop liggen een bananenboomgaard en een perfect onderhouden voetbalveld. Mannen in blauwe werkuniformen lopen door de ondergaande zon hun weekend tegemoet. Niets hier herinnert aan de bloedige genocide die Rwanda nog maar vijfentwintig jaar geleden aan stukken scheurde.
‘Rwanda wil een eigen kledingsector opbouwen. De stoffen die de kleermakers gebruiken, kopen ze natuurlijk van ons.’
Fabrieksdirecteur Ritesh Patel zit in een met hout beklede boardroom druk te bellen. Aan de wand hangt het gestileerde staatsieportret van president Paul Kagame dat zo’n beetje elk gebouw in de Rwandese hoofdstad siert. Utexrwa produceert lappen textiel, veiligheidskleding voor fabrieken en de uniformen voor het Rwandese leger. Het kledingbedrijf werkt daarom nauw samen met de overheid, vertelt Patel met een dik Indiaas accent: ‘Samen met de regering leiden wij jaarlijks vijfhonderd kleermakers op. We leren ze betere kwaliteit kleding te maken en zich als ondernemer staande te houden. Rwanda wil op die manier een eigen kledingsector opbouwen. De stoffen die de kleermakers gebruiken, kopen ze natuurlijk van ons.’
Een baken van vooruitgang
De wegen buiten de fabriekspoorten van Utexrwa zijn on-Afrikaans schoon. Alle gazons en stadsparken worden nauwkeurig bijgehouden en wegwerpplastic is al een decennium verboden in Rwanda.
Kagame durfde zich de woede van Donald Trump op de hals te halen door de import van Amerikaanse tweedehandskleding te verbieden.
Het contrast met vieze en notoir gevaarlijke steden als Nairobi of Luanda kan niet groter zijn. Kigali is veilig (ook ’s nachts) en zelfs de ontelbare mototaxi’s houden zich netjes aan de verkeersregels. Politici in rijke landen grijpen Rwanda dan ook gretig aan als schoolvoorbeeld van Afrikaanse ontwikkeling. Voormalig rebellenleider Kagame en zijn Rwandees Patriottisch Front (RPF) maakten in 1994 eigenhandig een einde aan de genocide die op dat moment al bijna een miljoen levens had gekost. Onder het daaropvolgende ijzeren RPF-bewind is Rwanda veranderd van een gefaalde staat in een baken van vooruitgang in Afrika.
Sinds 2000 is Kagame zelf president van Rwanda. Ondertussen mag hij mensen als Tony Blair en Bill Clinton tot zijn bewonderaars rekenen. Binnen de Verenigde Naties pleit hij onvermoeibaar voor meer Afrikaanse samenwerking. Hij durfde zich zelfs de woede van Donald Trump op de hals te halen door de import van Amerikaanse tweedehandskleding te verbieden.

Volgens Kagame absoluut noodzakelijk om een eigen kledingindustrie te ontwikkelen. Voor de VS een onacceptabele schending van handelsafspraken. Maar in elk geval een boude zet voor een klein land dat voor een aanzienlijk deel nog afhankelijk is van Europees en Amerikaans hulpgeld.
Furieus
Al jaren verschepen de VS jaarlijks voor zo’n 25 miljoen dollar aan ingezamelde en afgedankte kleding richting Oost-Afrika. Maar in de lente van 2016 waren de zes landen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC – Rwanda, Kenia, Oeganda, Tanzania, Burundi en Zuid-Soedan) het zat om opgescheept te worden met al die afdankertjes. Ze kondigden gezamenlijk aan importtarieven te gaan voeren aan de grens.
De Amerikaanse textielsector reageerde furieus. President Trump dreigde de EAC-landen uit de African Growth and Opportunity Act (AGOA) te gooien – een bijna twintig jaar oud verdrag dat Afrikaanse landen betere toegang geeft tot de Amerikaanse markt. Aan zee gelegen exportlanden als Kenia en Tanzania bogen al snel onder de Amerikaanse druk, maar Kagame hield voet bij stuk.
Rwanda ligt immers diep in het Afrikaanse binnenland en exporteert veel minder. De belangrijkste exportproducten zijn koffie en thee: producten die niet onder AGOA-voorwaarden vallen. Rwanda verhoogde de importtarieven op tweedehands kleding van twintig dollarcent in 2016 tot vier hele dollars per kilo in 2018.
‘Dat we nu niet meer hoeven te concurreren met goedkope tweedehandskleding geeft ons de kans om te groeien. Dat kan Rwanda duizenden banen opleveren.’
De kleine maar langzaam ontluikende Rwandese kledingsector kon zijn geluk niet op, schreeuwt Ritesh Patel in mijn oor. In de grote fabriekshal van Utexrwa bulderen de weefmachines. Werknemers met mondkapjes slepen balen katoen rond die geweven en geverfd moeten worden. De facto komt de abrupte tariefverhoging neer op een importverbod, brult Patel tevreden: ‘Rwanda ligt zo ver van de kust dat we toch niet op export kunnen concurreren. Wijzelf zijn al jaren geleden gestopt met naar de VS exporteren en produceren nu primair voor de binnenlandse markt. Dat we nu niet meer hoeven te concurreren met goedkope tweedehandskleding geeft ons de kans om te groeien. Dat kan Rwanda duizenden banen opleveren.’
Het gezicht van een nieuw Afrika
Economisch gaat het Rwanda voor de wind. Al jaren noteert de Wereldbank economische groeicijfers van ruim zeven procent. Alle steden zijn goed bereikbaar en aangesloten op een redelijk functionerend elektriciteitsnet. Poetsploegen houden de straten non-stop schoon, er is betaalbare gezondheidszorg voor iedereen en door Kigali rijden moderne bussen van Chinese makelij (inclusief elektronisch in- en uitchecksysteem).
Kern van die pijlsnelle ontwikkeling is de ambitieuze Visie 2020: een economisch meesterplan dat Kagame bij zijn aantreden presenteerde. Daarin staat minutieus uitgewerkt hoe de transformatie van achtergebleven landbouweconomie naar een middeninkomensland tot stand moet komen.
Kigali wordt een zakelijke hub die voor internationale bedrijven als uitvalsbasis kan dienen richting heel Oost-Afrika. Maar dan zonder de gewoonlijke corruptie, en mét begaanbare wegen en veel aandacht voor duurzaamheid en milieu.
Rwanda is zo’n beetje het enige land ter wereld dat de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de VN tot officieel beleidsuitgangspunt heeft gemaakt.
Op dit moment wordt er vooral ingezet op de ontwikkeling van de ICT-sector, veiligheid, goed onderwijs, infrastructuur en een robuuste diensteneconomie om zo buitenlands kapitaal naar Rwanda toe te lokken. Maar op termijn wil Rwanda eigen kledingfabrieken, koffieproducenten en andere binnenlandse bedrijvigheid ontwikkelen om de economie aan te jagen.
Naar buiten toe profileert Rwanda zich bij voorkeur als het zelfverzekerde en doelgerichte gezicht van een nieuw Afrika. Rwanda is zo’n beetje het enige land ter wereld dat de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de VN tot officieel beleidsuitgangspunt heeft gemaakt. Het land is bezig met een omvangrijk herbebossingsprogramma en laat geen vervuilende auto’s meer binnen.
Het tien jaar geleden ingestelde verbod op wegwerpplastic heeft geleid tot een dramatische daling in het aantal malariagevallen omdat de riolen niet langer verstopt raken. In zijn jaar als voorzitter van de Afrikaanse Unie kreeg Kagame de andere lidstaten zover hun financiële bijdrage flink op te krikken en hij was een van de aanjagers van het intra-Afrikaanse vrijhandelsverdrag AfCFTA (African Continental Free Trade Area), dat in maart 2018 in Kigali werd ondertekend.

Iedereen in een uniform
Op het eerste gezicht lijken de meeste Rwandezen dan ook heel tevreden over hun regering. Ook in de rest van Afrika wordt met jaloezie gekeken naar het Rwandese succes.
Maar ver weg van de glanzende façades en brede avenues in het centrum van Kigali heerst de armoede. Overal in de hoofdstad wordt de grond tussen de gebouwen gebruikt om wat extra eten te verbouwen. Dagloners hangen op straathoeken in afwachting van werk en ondanks het importverbod zweren de meeste Rwandezen nog steeds bij goedkope tweedehandskleding uit het Westen.
De 27-jarige Aline runt een kleine kledingzaak in hartje Kigali. Ze draagt grote Afrikaanse oorbellen en heeft een hele rits felgekleurde armbanden om haar tengere polsen. Haar winkeltje ligt verborgen in een van de smalle steegjes rond het T2000-winkelcentrum. Het kleine hok meet niet meer dan twee vierkante meter en is tot aan het golfplaten dak tjokvol gestouwd met allerlei bloesjes en jurken.
‘De meeste klanten hier willen westerse kleding. De kwaliteit is beter en het is een coolere stijl.’
De wirwar van straatjes rondom het winkelcentrum zit vol met dit soort boetiekjes die nog steeds importkleren uit het Westen verkopen, vertelt Aline: ‘De meeste klanten hier willen westerse kleding. De kwaliteit daarvan is beter en het is een coolere stijl. Rwandese kleding ziet er zo saai uit dat het lijkt alsof iedereen in een uniform rondloopt.’
Voetbalshirts
Inderdaad lopen veel Rwandezen rond in kleding die overduidelijk niet in Rwanda is geproduceerd. Plattelandsvrouwen dragen shirts met het Amsterdamse stadslogo als opdruk. Jongens in de stad zweren bij voetbalshirts of stevige Amerikaanse houthakkersshirts als ze aan het werk zijn. De buurman van Aline probeert me een paar afzichtelijke goudkleurige Nikes aan te smeren.
‘Ik smokkel alles wat ik in Congo koop in een grote tas de grens over. De grenspolitie ziet toch het verschil niet tussen Afrikaanse en Europese kleren.’
De meeste straatverkopers en marktkooplui hier hebben jarenlang hun geld verdiend met handelen in tweedehandskleding. Nu de regering die tegenhoudt aan de grens moeten ze op andere manieren rondkomen. Aline neemt elke woensdag om vier uur de nachtbus richting Congo, vertelt ze: ‘Vanuit daar neem ik dan een mototaxi naar Goma. Ze hebben daar een heel grote kledingmarkt waar alle hier verboden importkleding nog gewoon verkrijgbaar is. Ik smokkel alles wat ik daar koop in een grote tas de grens over. De grenspolitie ziet toch het verschil niet tussen Afrikaanse en Europese kleren. Boetes delen ze meestal niet uit aan kleine handelaars als ik.’
Overal rondom het T2000-winkelcentrum worden telefoons, huishoudartikelen, Amerikaanse basketbalshirts (inclusief officieel NBA-logo) en vlekkerige voetbaloutfits van Europese topclubs verhandeld.
Een groep jonge straatverkopers komt schreeuwend op me toegelopen. Voor vijftienduizend Rwandese francs (omgerekend vijftien euro) proberen ze me een lelijk Amerikaans hemd te verkopen. ‘Ik geloof dat deze kleren via Congo of Oeganda binnengesmokkeld worden,’ vertelt een jongen met een petje. ‘Maar ik heb eerlijk gezegd geen idee waar ze precies vandaan komen. Dat maakt me ook niet zoveel uit. Wat denk je? Voor slechts twaalfduizend francs is dit shirt van jou.’
Goedkope pr-stunt
Ondanks de torenhoge ambities van de regering om een volwaardige, eigen kledingindustrie uit de grond te stampen, is Utexrwa vooralsnog een van de weinige textielfabrikanten van enige omvang in Rwanda. Grote concurrent is het Chinese bedrijf C&H dat opereert vanuit de speciale economische zone op een heuveltop aan de rand van Kigali.
Bij gebrek aan een levensvatbare kledingsector in Rwanda is het verbod op importkleding volgens critici niet veel meer dan een goedkope pr-stunt.
‘Waarom zouden Afrikanen in Amerikaanse afdankertjes moeten rondlopen?’
Maar volgens beleidsanalist Gatete Nyiringabo van het Institute of Policy Analysis and Research (IPAR) is het buitenhouden van tweedehands kleding wel degelijk een weloverwogen beleidskeuze: ‘Waarom zouden Afrikanen in Amerikaanse afdankertjes moeten rondlopen? Als de Rwandese kledingindustrie zich verder ontwikkelt, dalen de prijzen vanzelf en zullen ook consumenten de overstap maken.’
Nyiringabo is ondanks zijn blauwe diplomatenpak op een jongensachtige manier ontwapenend. Het is al laat als hij me op kantoor ontvangt. Zijn telefoon rinkelt voortdurend. Ook hier hangt het eenzame staatsieportret van de president tegen de wand. IPAR is binnen het complexe netwerk van lokale, provinciale en thematische overheidsafdelingen in Rwanda verantwoordelijk voor het controleren of lagere overheden de centraal opgelegde beleidsdoelstellingen wel goed uitvoeren.

In de toegenomen kledingsmokkel ziet de 36-jarige Nyiringabo geen probleem: ‘De grens met Congo is lang en poreus. Zolang tweedehands sportkleding uit het Westen goedkoper is dan een Rwandees hemd, zal er gesmokkeld blijven worden. Door de officiële import te verbieden, hebben we in elk geval de grote stroom weten in te dammen. Het gaat hier om mensen die voetbalshirts smokkelen, geen machinegeweren. Voor de overheid heeft dit geen hoge prioriteit.’
Baken van stabiliteit
Vooralsnog is het binnenhengelen van buitenlands kapitaal voor Rwanda belangrijker dan de binnenlandse industriële ontwikkeling, benadrukt Nyiringabo.
In 2011 gaf Kagame daarom het startschot voor de speciale economische zone – naar Chinees model, inclusief belastingvoordeeltjes voor multinationals. Naast kledingfabrikant C&H hebben ook de Nederlandse chemiemultinational DSM en autobouwer Volkswagen er fabrieken geopend.
‘Democratie is als een Ferrari. Zonder eerst mooie wegen aan te leggen heb je er niets aan. Het pad naar groei vereist sterk leiderschap, geen oeverloos overleg.’
Maar om de stroom van buitenlands kapitaal die Rwanda binnenvloeit op peil te houden, is het imago van Rwanda als baken van stabiliteit cruciaal. En om dat te garanderen, is de hand van de RPF-eenpartijstaat alomtegenwoordig. Bijna niemand durft in het openbaar kritiek te leveren en de meeste burgers spreken helemaal niet meer over politiek zonder eerst schichtig om zich heen te kijken of er misschien afluisteraars in de buurt zijn.
‘Democratie is als een Ferrari. Zonder eerst mooie wegen aan te leggen heb je er niets aan,’ wuift Nyiringabo de kritiek weg. ‘Rwanda is arm en heeft een geschiedenis van geweld. Een simpele recessie kan hier zomaar omslaan in nieuwe gewelddadigheden. Het pad naar groei vereist sterk leiderschap, geen oeverloos overleg.’
Een Afrikaanse interne markt
Ook de Europese Unie houdt Rwanda steeds beter in de smiezen. Een stabiel Afrika is van levensbelang voor Europa, dat kraakt onder het migratiedossier. Europese politici hebben Rwanda met veel aplomb gebombardeerd tot lichtend voorbeeld van ontwikkeling in Afrika.
In tegenstelling tot de VS heeft de EU dan ook geen enkel probleem met het importverbod op tweedehandskleding, zegt Nicola Belloso, EU-ambassadeur in Rwanda. ‘Europa verscheept niet zoveel tweedehands kleding naar Afrika. Zo’n verbod onderstreept vooral het beeld van een zelfbewuster Afrika en dat is alleen maar positief.’
Halverwege september presenteerde de Europese Commissie in tien vlammende voorstellen haar gloednieuwe visie op Afrika. Op termijn wil de EU dolgraag een handelsverdrag met de hele Afrikaanse Unie kunnen sluiten (in diplomatentaal: ‘een gelijkwaardig continentaal partnerschap voor ontwikkeling’).
Daarvoor is eerst een Afrikaanse interne markt nodig. Om die reden heeft de Europese Commissie de afgelopen jaren 7 miljoen euro overgemaakt aan de Afrikaanse Unie als ondersteuning voor het AfCFTA-verdrag dat eerder dit jaar in Kigali is gepresenteerd. Tot aan 2020 is die Europese bijdrage nog eens verhoogd tot 50 miljoen.
‘Als we de importtarieven verlagen, kunnen Europese machinebouwers veel geld verdienen.’
‘Handel in en met Afrika kan Europese bedrijven veel opleveren,’ vertelt Belloso in zijn werkkamer met prachtig uitzicht op de heuvels rond Kigali. ‘Op dit moment is het bijvoorbeeld loeiduur om zware machines vanuit Europa naar Afrika te exporteren. Dat maakt het inefficiënt om hier een fabriek te beginnen. Als we de importtarieven verlagen, kunnen Europese machinebouwers veel geld verdienen.’
Kwetsbare landen
De status als Afrikaans voorbeeldland komt Rwanda, maar ook veel westerse leiders, erg goed uit. Met de op het internationale toneel alom gerespecteerde Paul Kagame aan het roer en een groeiende diensteneconomie kan Rwanda zich een handelsconflict met Donald Trump veroorloven. Ook heeft het land belang bij handelsliberalisering in Afrika.
Maar niet elk Afrikaans land verkeert in die positie. De VN-handelsdivisie UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) waarschuwt juist voor de negatieve gevolgen van een Afrikaans vrijhandelsverdrag voor kwetsbare landen. Verder vreest UNCTAD dat het afschaffen van importtarieven aan de grens een financiële strop gaat opleveren voor veel toch al lege Afrikaanse schatkisten.
‘Politici in onze buurlanden bekijken het Rwandese succes met argusogen,’ reageert Gatete Nyiringabo. ‘Stel je voor dat Kenianen of Congolezen ook opeens eisen gaan stellen aan hun leiders? Rwanda is geen voorbeeld voor heel Afrika. Het Rwandese leiderschap ontwikkelt Rwanda om het leven van Rwandezen te verbeteren en niemand anders.’

Liever westerse kleding
Maar het blijft de vraag of de autocratische regering rond president Kagame zijn hand niet overspeelt. De hallucinante vooruitgang in het land is tegelijkertijd bijzonder fragiel. Het onvermogen om kritiek te absorberen heeft nu al de kledingsmokkel in de hand gewerkt en het is de vraag hoelang inwoners het gebrek aan inspraak blijven pikken.
Voor winkelierster Aline is het leven sinds de verhoging van de importtarieven op kleding alleen maar duurder geworden, vertelt ze. We zitten inmiddels aan een tafel vol drankjes in de Bamboo Club. In de ondergaande avondzon schitteren de duizenden lichtjes van Kigali op de heuvels om ons heen. Ze neemt een slok water met limoen en zucht diep: ‘De Rwandese overheid moet geld binnenkrijgen om al die mooie straten te bekostigen. Ik betaal me blauw aan belastingen. Vorige week is het dak ingestort door de regen. Dan zit je niet alleen met reparatiekosten, maar is ook nog eens je kledingvoorraad onverkoopbaar.’
‘Zolang Rwandese kleren niet goedkoper worden, moet ik wel smokkelen om het hoofd boven water te houden.’
Een roofvogel scheert laag over de bananenbomen. Rwanda groei en bloeit, maar tussen de heuvels hangt een gespannen stilte. Trucks met zwaarbewapende RPF-soldaten rijden af en aan om een oogje in het zeil te houden. ‘Rwanda ontwikkelt zich snel en dat is goed. Ik hoop echt dat het lukt om een eigen kledingindustrie te ontwikkelen,’ zegt Aline wijzend op de vrouwen met naaimachines tegenover haar winkeltje. ‘Tot die tijd heb ik een winkel draaiende te houden. Ik ga ook liever niet elke woensdag naar een smerige stad in Congo als ik in het veilige Kigali kan blijven. Maar mijn klanten kopen nou eenmaal liever westerse kleding. Zolang Rwandese kleren niet goedkoper worden, moet ik wel smokkelen om het hoofd boven water te houden.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.