Karin Amatmoekrim schreef over verzetsstrijder Anton de Kom. Maar niet alle Surinamers vonden dat zij zich met de geschiedenis mocht bemoeien.
Op de Nacht van de Geschiedenis houdt Amatmoekrim een voordracht getiteld ‘Literatuur zonder grenzen’.

De volgende dag stuurt ze een mail waarin ze terugkomt op ons eerdere gesprek: ‘Ik dacht toen ik gistermiddag bij je vandaan kwam aan wat je zei. Dat je het idee hebt dat ik gewoon met rust gelaten wil worden. Ik besefte dat het in die redelijk verschillende boeken een terugkerend element is dat mijn hoofdpersonen altijd net buiten de groep vallen, net niet helemaal meedoen. Dat definieert me als schrijver en als mens misschien nog het meest; niet meedoen, met rust gelaten willen worden.’

Dat was inderdaad de slotsom van ons gesprek, dat ik nogal prozaïsch had ingezet met een verzoek om biografische verheldering. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig gaf ik Nederlands op het rustieke categorale gymnasium te Driehuis. Karin Amatmoekrim (Paramaribo, 1977) kende ik daar onder de niet-exotische naam Karin Boersma. Een rustige, ambitieuze leerling was ze, bij wie ik nooit de heftige, volkse achtergrond had vermoed waar ze als Karin Amatmoekrim in haar semi-autobiografische roman Het gym (2011) over schreef.

Verscheurd

‘Ik praat hier niet graag over,’ begint ze. ‘Zelf beschouw ik dit als een afgesloten hoofdstuk.’ Omdat we elkaar van lang geleden kennen, vertelt ze het uiteindelijk toch. Staccato: ‘Het zit zo: Boersma was niet mijn vader. Mijn echte vader woont in Suriname. Na de breuk met hem is mijn moeder getrouwd met een Nederlander die toen in Suriname woonde; Boersma. Ik kreeg van hem een broertje en een zusje, daarna zijn we naar Nederland gegaan en is mijn moeder van hem gescheiden. Ik heb een ruwe jeugd gehad, grotendeels door hem: hij was alcoholist. Een nare man. Laatst hoorde ik dat hij Nederland niet meer in mag en in de bak zit in een Zuid-Amerikaans land. Het zij zo.

Tot mijn elfde heb ik gedacht dat hij mijn vader was. Maar omdat het zo escaleerde tussen mijn moeder en hem en zij zag dat ik verscheurd werd in mijn loyaliteit, vertelde ze me dat hij niet mijn vader is. Ik herinner me hoe opgelucht ik was; ik hoefde me niet meer aan hem te verbinden, ik was hem niets meer verschuldigd. Ik zei toen al tegen mijn moeder: ik wil uw naam aannemen, Amatmoekrim. Maar dat vond ze niet handig. We waren vrij vers in Nederland, dus we hadden al gemerkt dat een Surinaams accent gecombineerd met een lastige achternaam enorm tegen je kan werken. Dus ze zei: houd die naam Boersma maar.
Het is nu eenmaal een realiteit dat als je hier een buitenlandse naam hebt en je iets wilt van een instantie, dat je anders benaderd wordt.’

Het inzicht dat haar achternaam niet strookte met wie ze is, overviel haar verscherpt tijdens de eindexamenceremonie. ‘Natuurlijk was ik trots. Ik kreeg een gymnasiumdiploma, ik zou de eerste in mijn familie zijn die nu zou gaan studeren. Maar toen ik naar voren werd geroepen en ik mijn handtekening onder dat document moest zetten, zag ik staan: Karin Boersma. Het voelde zo verkéérd, zo afschuwelijk… fout. Ik besefte: ik ga naar de universiteit en dan komt ook dát op zijn naam. Plus alles wat ik nog meer in mijn leven van plan ben te doen. Het was niet dankzij Boersma dat ik deze dingen zou bereiken, maar ondanks hem. Dus ik wilde van zijn naam af.’

Lang traject

Het verlangen de vleugels uit te slaan was er al vroeg: ‘Als kind was ik al zo gefocust en ambitieus, ik wist wat ik wilde: weg, ergens heen waar het beter was.’
Ze verhuisde naar Amsterdam, ging psychologie studeren én vroeg officieel een naamsverandering aan. Dat bleek een lang traject: het eerste jaar van haar studie heette ze nog Boersma, daarna mocht ze zich eindelijk Amatmoekrim noemen. Ze herinnert zich: ‘Ik heb al die brieven nog waarin ik de bank en andere instanties inlichtte over het Besluit der Koningin. Daarna heb ik er geen gedachte meer aan gewijd, tot Het gym verscheen en ik op Facebook las wat vroegere medescholieren en buurtgenoten opmerkten: nou, ik ken haar gewoon als Boersma. Toen realiseerde ik me: ze denken natuurlijk dat ik een andere naam gebruik om mezelf als schrijver beter in de markt te zetten.’ De vraag is of dat met een naam als Amatmoekrim een handige zet was geweest, merk ik op. Ze schiet in de lach: ‘Precies. En maar spellen en spellen.’

Ze veranderde in die tijd ook van studie; het werd Nederlands, omdat ze in de gaten had gekregen wat haar voorland bij psychologie was: mensen helpen, hun problemen aanhoren – dát niet.

Karin Amatmoekrim heeft inmiddels vijf romans op haar naam staan, waarvan de laatste drie – Titus (2009), Het gym (2011), De man van veel (2013) – in het teken staan van de identiteitsvraag, de hoofdpersonen zijn buitenstaanders. Amatmoekrim wil daar niet gelijk aan. Ik vraag haar daarom waaruit De man van veel voortkomt, haar roman over de Surinaamse icoon, antikoloniale schrijver, nationalist en communistisch verzetsstrijder Anton de Kom (1898-1945).

‘Ik hoorde van jongs af aan dat Anton de Kom een van onze grootste helden is,’ zegt ze. ‘Een vrijheidsstrijder. Punt. Maar wanneer je hem zo nadrukkelijk als volksheld op een voetstuk zet, kijk je over zijn menselijkheid heen. Wat mij juist zo aan hem fascineerde, is dat hij telkens neergeslagen werd en met al zijn tekortkomingen terugkwam en maar door bleef gaan vanuit een hardnekkig geloof in een ideaal. Hij was met een witte vrouw, hij voelde zich miskend als schrijver, Anton de Kom was helemaal niet eendimensionaal, maar juist uiterst complex. De man van veel komt voort uit wat ik mezelf afvraag, namelijk wie je bent – losgezongen van de altijd oppervlakkige blik van buitenaf. Surinamers vinden nu eenmaal dat Anton de Kom niets dan lof verdient, hij is de eerste die de geschiedenis van het land vanuit eigen perspectief heeft geschreven. Er zit een bepaalde emancipatiegedachte en een gevoel van zwarte eigenwaarde in zijn werk. Maar hij was meer dan dat, als mens.’

Er kwam in Surinaamse kring heibel van Karin Amatmoekrims fictionalisering van De Koms leven. Die kritiek heeft haar geraakt, vertelt ze. ‘Heel veel mensen vonden het al respectloos dat ik een roman over hem had geschreven. Terwijl in sommige Nederlandse kritieken juist gezegd werd: het is wel erg braaf. Maar in Suriname klonk het: dat krijg je ervan als die Nederlanders zich met onze geschiedenis gaan bemoeien. Want ik word daar niet per se gezien als een Surinaamse schrijver. Het hielp ook niet dat de familie De Kom nadrukkelijk afstand heeft genomen van mijn boek, ze hebben daartoe een advertentie geplaatst in het Surinaamse dagblad De Ware Tijd.’ Had ze dat niet kunnen zien aankomen? ‘Ik was daar naïef in,’ klinkt het zacht. ‘In mijn omgeving was al gezegd dat ik ermee moest oppassen, De Kom is een van onze grootste helden, daar ga je gedoe mee krijgen… Maar dat zag ik niet zo. Waarom niet, dacht ik. Want ik zet nooit in op kwetsen.’

Wanneer je Anton de Kom zo nadrukkelijk als volksheld op een voetstuk zet, kijk je over zijn menselijkheid heen. 

Niet laf zijn

De boosheid was nochtans groot in Suriname, overigens meestal zonder dat De man van veel gelezen was. Stellig: ‘Ik heb van meet af aan gezegd: eerst mijn boek lezen, anders ga ik daar niet over in gesprek.’ Met iets van de onthutsing van toen in haar stem: ‘Ook dát werd me niet in dank afgenomen. Opeens was ik die arrogante Hollander die zich te goed voelde om met de mensen te praten.’

Een van de verwijten is dat Karin Amatmoekrim in overleg had moeten treden met de familie De Kom voor ze haar roman ging schrijven. ‘Mijn boek begint ermee dat er ziekenbroeders komen die hem naar het gesticht brengen. Een aantal van zijn nazaten heeft dat nog meegemaakt en dat was natuurlijk heel traumatiserend. Als romanschrijver hoef ik geen toestemming te vragen om daarover te schrijven en juist die vrijheid die ik nam is mij kwalijk genomen.’ Nadrukkelijk: ‘Het klinkt wreed, maar voor een schrijver telt alleen dat wat het boek nodig heeft.’ Dan: ‘Maar zo gauw ik uit het boek stap, ben ik veel zachtaardiger. De gedachte dat een kind van Anton de Kom nu verdriet heeft om mijn boek vind ik niet prettig. Ik wil niet laf zijn, dus voor ik mijn roman feestelijk zou presenteren in Suriname heb ik een bezoek gebracht aan een van zijn kinderen. Hij zei: “Ik ga uw boek niet lezen, want dan ben ik weer in die situatie terug en ik wil daar niet over nadenken.” Tja, dan stopt het gesprek. Ik riposteerde: het is echt geen respectloos boek, u zou het moeten lezen. Vergeefse moeite, het leidde tot niets.’

Toegeschreven identiteit

Tegen het eind van ons gesprek verklaart ze: ‘Het gaat mij alleen om mijn boeken. Ik zou het liefst niets anders doen dan schrijven. Ik ben helemaal niet bezig met een publiek. Waarschijnlijk doe ik dat helemaal fout.’ Ze grinnikt: ‘Omdat Het gym succesvol was, zeggen ze bij de uitgeverij: moet je niet eens een vervolg schrijven? Dat Sandra naar de universiteit gaat?’ Ze schudt afwijzend haar hoofd.

Weer serieus: ‘Ik ben achtendertig, veel ouder dan die schrijvende hipsterkinderen van nu en dus geen jonge schrijver meer. Tot een groep voel ik me niet behoren. Ik heb moeite met zo’n vorm van mij toegeschreven identiteit, omdat niets van wat ik doe of van hoe ik leef ooit vanzelfsprekend is geweest. Het schrijverschap ook niet. Helemaal niet zelfs.
Als je op een plek bent beland die niet vanzelfsprekend voor je is, voel je je enerzijds superieur, omdat je weet hebt van een rauwere realiteit. Anderzijds ken je gevoelens van minderwaardigheid. Omdat je nog steeds dingen aan het ontdekken bent die anderen van huis uit hebben meegekregen.

Een standaardvraag in interviews is: heb je altijd schrijver willen worden? Kennelijk zeggen alle schrijvers daarop ja. Maar ik kom van zo’n andere plek. Ik heb alles zelf moeten uitvinden. Dus het schrijven blijft me verrassen. Ik zoek misschien nog, maar als ik schrijf voel ik mij het echtst. Het is vast ongepast om te zeggen, maar ik merkte dat vooral toen ik kinderen kreeg. Omdat die mij in de weg zitten bij het schrijven doordat zij van een echtheid zijn die ik niet kan of wil negeren. Toen besefte ik dat ik het meest mezelf ben als ik schrijf.’