Fedja van Huêt en Karina Smulders

Twee aantrekkelijke mensen, een dertiger en een veertiger zo te zien, lopen door de lobby van een chic hotel. We horen de echo van haar hakken. En een vleugje muzak. De man gaat voorop en kijkt rond. De vrouw laat haar jas van haar schouders glijden en hangt hem in de knik van haar gebogen linkerarm. Als degene met wie ze hebben afgesproken – iets ouder, minder opvallend – is gevonden, worden er handen geschud. Gedrieën nemen ze plaats aan een tafeltje. Een ongemakkelijk zitje in de gang – iets beters is er niet. De receptioniste stelt hen gerust: straks gaat de bar open. Daar kunnen ze rustig praten over werk en privé – de aantrekkelijke mensen zijn acteur en al jaren een stel. Het gesprek zal worden opgenomen. De hoofdrollen zijn voor Karina Smulders en Fedja van Huêt.

Ze zijn jong begonnen. Van Huêt (Den Haag, 1973) debuteerde al op dertienjarige leeftijd in de speelfilm Terug naar Oegstgeest van Theo van Gogh, en Smulders (Utrecht, 1980) kreeg tijdens haar middelbareschooltijd een rol aangeboden in de soapserie Onderweg naar morgen. Hij vertolkte hoofdrollen in speelfilms zoals Karakter, Wilde mossels, Loft en Soof (die op 12 december in première ging), zij werd bekend door haar optredens in Bride Flight, Kom niet aan mijn kinderen en Alle tijd. Van Huêt is bovendien te zien in diverse tv-series, zoals Overspel en Penoza. Ze waren allebei geruime tijd verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Hij stopte vorig jaar, zij besloot onlangs het gezelschap te verlaten.

Dit interview is in zekere zin ook een toneelstuk; binnen een paar uur tijd probeert de vragensteller zoveel mogelijk over de levens van die twee mensen in het onhandige zitje te weten te komen. En zij moeten doen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is om te praten over alles wat mee- maar vooral ook tegenzit. Een alledaags gesprek. Zogenaamd.

Voor Fedja van Huêt en Karina Smulders was hun beider vertrek bij Toneelgroep Amsterdam de aanleiding om in te stemmen met dit dubbelinterview. Dat is toch iets anders dan roepen hoe goed de film is waarin je speelt. Volgens Van Huêt zou dit het onderwerp van hun gesprek kunnen zijn: ‘Het gaat nu over de wens om even níet meer mee te doen. Je hebt er geen idee van hoe zwaar het is om jezelf avond na avond te tonen, je kwetsbaar op te stellen, om er iedere keer weer voor honderd procent te zijn – ik heb er gewoon even geen zin meer in.’

Karina: ‘Voor mij speelt er nog iets anders. Ik ben zo’n beetje geboren bij Toneelgroep Amsterdam. Ik wilde gewoon…’

 

Het huis uit?

Karina: ‘Ja, dat is het. Ik heb een goede opvoeding gehad, alle kansen gekregen, mijn dromen zijn voor een deel verwezenlijkt maar… Het was de moeilijkste beslissing van mijn leven en ik moet je eerlijk zeggen dat ik er nog steeds een beetje wankel van ben. Zo gaat dat met uit huis gaan: je ligt eerst nog een tijd in je eentje in je eigen nieuwe kamertje te huilen.’

 

Wat maakte die beslissing zo moeilijk?

Karina: ‘Toneelgroep Amsterdam is niet zomaar een clubje. Ik zou mij nooit meer zo sterk aan een ander gezelschap kunnen binden. Tegelijkertijd móet ik mijn identiteit los van Toneelgroep Amsterdam verder ontwikkelen, anders ga ik gewoon zo door en kan ik je nu al vertellen hoe mijn leven er over tien jaar uitziet. Dat wil ik niet.’  

Hoe heb je het aangekondigd?

Karina: ‘Ik had eerst een jaar vrij gevraagd, en gekregen. Ik blijf wel in Romeinse Tragedies en Na de repetitie/Persona spelen, maar ik maak niks nieuws. Eerst wilde ik het einde van dit seizoen afwachten en dan mijn beslissing nemen, maar dat gaat niet. Toneelgroep Amsterdam is ook een bedrijf; er moet gepland en geprogrammeerd worden. Bovendien, ik houd te veel van al die mensen daar om het zo schimmig aan te pakken, dus heb ik mezelf een beetje geforceerd en de beslissing eerder genomen. Ik heb een afspraak met Ivo (van Hove, de huisregisseur, AV) gemaakt en tegenover hem gezeten, op van de zenuwen. Ik weet niet of hij me begreep, maar hij accepteerde mijn beslissing wel. Een beetje zoals een goede vader dat zou doen: ik begrijp er niets van, maar ik zie dat je het meent en mijn zegen heb je.’

Een deur in de gang gaat open. Het drietal verhuist naar een nis in de bar. Dit is het moment waarop hij zou moeten gaan vragen naar relaties met ouders, verhalen van vroeger. In de knipselmap waren over haar jeugd niet veel interviews te vinden, maar de beginjaren van de acteur zijn goed gedocumenteerd. Zijn ouders zijn gescheiden toen hij een jaar oud was. Het is niet moeilijk te bedenken dat hij in het theater vond waar hij thuis tevergeefs naar had gezocht, maar die psychologische benadering had in eerdere vraaggesprekken niet echt een dramatisch effect. Wie te lang doorvraagt, krijgt het deksel op zijn neus. Dan volgen er gemeenplaatsen, of zwijgt hij helemaal. ‘Ik ben op mijn hoede,’ zei hij ooit, ‘dat heet dan gesloten.’ Misschien ís er gewoon niets schokkends te melden. Paradoxaal genoeg levert de zwijgzaamheid hem nóg meer vragen op. En zijn ‘mysterieuze uitstraling’ – die fans er zelfs toe hebben gebracht om de website ‘fuckyeahfedjavanhuet.tumbler.com’ in het leven te roepen – helpt ook niet erg.

Noemde jij Johan Simons, de regisseur van Theatergroep Hollandia ook niet een ‘vader’, Fedja?

Fedja: ‘Ja.’

Klinkt een beetje klef.

Karina: ‘Nee, dat is helemaal niet klef. Ik denk dat een toneelvader zelfs dichterbij komt dan je eigen vader omdat je zó graag aan hem wil laten zien wat je kan. Het is een blindelings vertrouwen, artistiek gezien heb ik mij volstrekt aan Ivo overgegeven. Dat is dus ook niet de reden waarom ik wegga. Ik zou nog jaren met hem kunnen werken, hij is een onuitputtelijke bron. Die gedachten spoken nog steeds door mijn hoofd – je had nog zoveel van hem kunnen leren – maar er is iets in mij dat zegt: je móet het nu zelf gaan doen. Soms heb ik het gevoel dat ik niet alleen in een ander huis, maar zelfs in een ander land ben gaan wonen. Soms voel ik de energie door mijn aderen stromen en verheug ik me op wat er allemaal mogelijk is, maar dat gevoel wordt ook afgewisseld met een verlammende angst als ik bedenk dat Ivo misschien wel de enige is die ziet wat ik kan, snap je?’

Fedja: ‘Toen ik in 2005 besloot om van Theatergroep Hollandia naar Toneelgroep Amsterdam over te stappen, was het net alsof ik het met Johan uitmaakte. De band tussen ons was zó hecht, juist omdat ik ook op jonge leeftijd bij het gezelschap was begonnen. Hij had mij toch uitgekozen, uit vele anderen. Hoe kon ik hem nu in de steek laten? Je mag niet zomaar voor een andere club gaan spelen.’

 

Toch begrijp ik nog niet waarom het zo intens is.

Fedja: ‘Heb je wel eens een repetitie gezien? Mensen zoals Johan Simons en Ivo van Hove vragen alles van je. Je kunt niet voor de helft meedoen, je moet…’

Karina: ‘Kijk, een schilder heeft een tube rode verf en gaat daarmee aan de slag. Wij moeten die rode kleur uit onszelf halen. Samen met de regisseur ga je op zoek naar het rode, ergens diep van binnen. Wat je uiteindelijk op het toneel laat zien is ook persoonlijk, maar vormgegeven persoonlijk. Tijdens het repetitieproces is alles nog rauw en vaak heftig.’

Fedja: ‘Er zijn ook stukken waarbij je dat minder intens ervaart, maar je moet toch altijd over die drempel van gêne heen. Steeds maar weer jezelf oppeppen, angst overwinnen… ’

Karina: ‘Vooral gêne, ja. Ik schaam me vaak helemaal kapot als ik repeteer.’

Jullie wisten allebei al op jonge leeftijd dat jullie acteur wilden worden.

Karina: ‘Als ik naar een film keek, dacht ik: o, die rol wil ik zijn! Ik wil meedoen. Dat gevoel heb ik nog steeds, maar toen ik klein was speelde er nog iets anders: ik wou graag dat mensen naar mij keken. Als ik te veel aan het woord was, riepen mijn ouders: “Nu mag je zusje even!” Toen ik op mijn twaalfde zei dat ik later naar de toneelschool wilde gaan, zeiden ze: “Nou, we weten niet of dát lukt.” En: “Dat is misschien niet zo’n goed idee.” Oké, dacht ik, dan bedenk ik wel iets anders. Dierenarts! Een jaar lang was ik ervan overtuigd dat ik dierenarts zou worden. Tot we op een dag met Frits, onze poes, naar de dokter moesten en ik in één klap wist: dit wil ik helemaal niet. Zo’n leuke dierenarts, zulk prachtig werk – en niemand weet dat ze daar zit! Ik kon niet voor een beroep kiezen waarbij ik helemaal niet gezien zou worden.’

Maar waarom toneelspelen?

Fedja: ‘Dat is moeilijk uit te leggen. Kinderen leven in de verbeelding, ze spelen rollenspellen, en het ene kind gaat er gewoon meer in op dan het andere. Als ik een ridder speelde, dan wás ik het ook echt. Ik onderscheidde me van de anderen door er helemaal in op te gaan. En ik zag hoe het anderen niet lukte.’

Karina: ‘Had jij ook zo’n Kees de jongen-oog?’

Fedja: ‘Dat je jezelf steeds van een afstandje bekijkt en denkt: kijk nou toch eens waar die jongen mee bezig is? Ja! Of dat ik me voorstelde andere levens te leiden. Ik had een enorme fantasie. Jij ook, toch?’

Karina: ‘Ik zag mezelf soms de hele dag gaan. Toen ik wat ouder werd, zette ik er af en toe zelfs een muziekje onder: o, dit is een mooie scène, hier in de trein, starend uit het raam, daar hoort iets klassieks bij… Het was ook het verlangen om dat wat ik meemaakte met anderen te delen. In deze tijd wordt alles via Twitter en Facebook gedeeld, dus kennelijk hebben meer mensen last van dit defect.’

Het valt me op dat toneelspelers toch nét iets meer dan gemiddeld willen opvallen. Alsof ze altijd, ook in hun vrije tijd, een publiek moeten vermaken.

Karina: ‘Dat is waar. Halina (Reijn, haar collega bij Toneelgroep Amsterdam, AV) had daar een mooie verklaring voor. Ze zei dat acteurs zijn zoals de leden van een orkest die voor het concert begint hun instrumenten uitproberen. En na het optreden zijn ze uitgelaten, zeker als het een uitbundige toestand is geweest.’

Fedja: ‘Zo’n bus vol acteurs, dat lijkt soms wel op een schoolreisje… Maar goed, het ís natuurlijk ook te gek als mensen het goed vinden wat je doet, of om je moeten lachen. Je krijgt aandacht. Applaus.’

Karina: ‘Op school bleef ik lange tijd een beetje een grijze muis – de jongens werden bijvoorbeeld altijd verliefd op mijn vriendin, nooit op mij – tot ik merkte dat ik kon toneelspelen. Ineens had ik een wapen: toneel. Het werd mijn ding. Ik ging naar de Jeugdtheaterschool en ging al snel meespelen in een televisieserie (Onderweg naar morgen, in 1996, AV) waarmee ik nóg een zwaard in handen had en toen was ik niet meer zo’n…’

Muis.

Karina: ‘Precies. Dat wat ik zelf al heel lang dacht te kunnen, kon ik nu ergens laten zien.’

Ken je jezelf inmiddels een beetje?

Karina: ‘Ja. Ik vóel mezelf in ieder geval extreem veel beter dan tien jaar geleden. Ik heb er steeds minder behoefte aan om de hele tijd te denken wat een ander van mij verlangt en me daar aan aan te passen. Wat ik op het toneel deed – luisteren naar de regisseur, iets meer zus spelen, of toch liever iets meer zo – paste ik in het gewone leven ook vaak toe. Tot ik erachter kwam dat het leuker, of fijner was om iets op mijn eigen manier te doen. Dat heeft mij rustiger gemaakt. Volgens mij ben ik ook voor mijn medemens een stuk prettiger in de omgang geworden.’

 

Was je zulk slecht gezelschap dan?

Karina: ‘Dat kan ik niet zo goed beoordelen, maar ik weet wel dat ik op een bepaalde manier ongrijpbaar was. Misschien wel een beetje het type van: zoals de wind waait, waait haar rokje… Fedja doet dat veel beter. Of hij nou theedrinkt met de koning of met de buurman; er is altijd een basis. Fedja is Fedja, waar en met wie dan ook. Ik zou waarschijnlijk heel erg mijn best gaan doen om ervoor te zorgen dat de buurman niet zal denken dat ik hem minder aardig vind dan de koning of pfff… snap je?’

Fedja: ‘Het is een ogenschijnlijke rust. Van binnen ben ik met van alles bezig, maar het is wel zo dat ik niet ineens jolig mee ga doen of iets anders zal gaan zeggen dan wat ik bedoel.’

Leer je, naarmate je ouder wordt, ook beter acteren?

Karina: ‘Er zijn rollen die je nog niet kunt voelen als je ze speelt. Toen ik Scènes uit een huwelijk deed, was ik begin twintig, nog veel te jong. Bepaalde dingen kon ik gewoon niet zeggen. Ik had wel een relatie maar ik verzette me tegen de clichés; zo tragisch zou het bij ons in ieder geval nooit aflopen. Ik moest al die zinnen keren, nog eens van een andere kant benaderen, om me een heel klein beetje in te kunnen leven.’

En inmiddels weet je dat Ingmar Bergman gelijk had?

Karina: ‘Ehm… ja, hij had toch ergens wel een puntje. Als ik het stuk nu weer moest spelen, zou ik er niet bang meer voor zijn. Ik heb inmiddels meer zelf doorleefd, en het is allemaal niet zo erg als ik toen dacht. Weet je wat ik ook een mooie ontdekking vond? Ik dacht altijd dat er een muur tussen verbeelding en werkelijkheid in stond, tot ik tijdens mijn zwangerschap de rol moest spelen van een zwangere vrouw die aan borstkanker zou overlijden (Alle tijd, 2011, AV). Het lukte me niet om die rol achter me te laten als ik het repetitielokaal verliet; het was alsof mijn lichaam die rol eigenlijk niet wilde spelen.’

Waarom heb je het dan toch gedaan?

Karina: ‘Omdat ik het nu eenmaal had afgesproken, omdat ik het ook wel kan maar… ik zie nu ook wel hoe toen het zaadje is geplant: je moet niet zo rücksichtslos met jezelf blijven omgaan. Je kunt geestelijk en lichamelijk alles geven, maar je moet je er wel van bewust blijven dát je het doet. Er moet een afscheiding blijven bestaan. Anders is de prijs te hoog.’

Denk je dat tegenslag in het dagelijks leven een betere acteur van je maakt?

‘Ik weet het niet. Als je in een heel donker stuk staat, kun je het gevoel krijgen dat je je emoties wat makkelijker naar boven kunt halen, maar dat zorgt er niet per se voor dat je beter speelt. Die emoties kunnen je namelijk net zo goed in de weg zitten.’

 

Helpt het jullie dat je hetzelfde vak beoefent?

Fedja: ‘Het is wel fijn dat je dingen niet hoeft uit te leggen. Voor iemand die niets met het toneel te maken heeft, zijn al die begrippen over het artistieke proces al heel gauw vaag.’

Karina: ‘Je weet bijvoorbeeld dat een repetitieproces zakken en pieken heeft; je hebt een tijd lang samen het idee dat alles goed zit, je gelooft er helemaal in, maar dan komt de eerste doorloop en die is dan zó slecht dat je collectieve zelfmoord overweegt. Als je partner zoiets ook wel eens heeft meegemaakt, scheelt dat zeker, maar uiteindelijk ben je toch alleen. Net zoals in het echte leven. Je moet het zelf doen.

Fedja is een erg goede acteur – daarom speel ik graag met hem – maar het is niet iets wat je te vaak moet doen, omdat je voor degene die je zo goed kent en die je liefhebt, op het toneel ook een soort verantwoordelijkheid gaat voelen. Terwijl je al genoeg aan je hoofd hebt. Bovendien wil ik als ik thuiskom graag kunnen vragen: hoe was jouw dag? Als je in dezelfde bus hebt gezeten ken je alle antwoorden al.’

Heb je nooit het gevoel dat hij thuis doorspeelt?

Karina: ‘Weet je wat Fedja heel erg doet?’

Fedja: ‘O jee…’

Karina: ‘Hij neemt accenten over. Als we in de auto zitten met iemand die een Marokkaans accent heeft, begint hij ineens óók zo te praten.’

Fedja: ‘Behoorlijk sick. Maar veel acteurs hebben dat.’

Karina: ‘Op een goede dag kan ik er hard om lachen, maar op een slechte word ik er behoorlijk chagrijnig van.’

Fedja: ‘Ik ook, hoor! Het is sterker dan mezelf, ik weet ook niet waarom ik het doe.’

Karina: ‘Maar om terug te komen op jouw vraag: het is niet zo dat ik mij bij het ontbijt zit af te vragen wie er tegenover mij zit.’

Het lijkt me wel vervelend om samen te repeteren, samen te spelen en dan óók nog eens ’s avonds met z’n tweetjes thuis op de bank te moeten zitten.

Fedja: ‘O, maar als je zo intensief werkt, zit je vaak volkomen leeg voor die televisie, hoor.’

Karina: ‘Laatst hadden wij mensen te eten. Gewoon: mensen, kennissen. Kom eten, zeiden we. Zomaar. Dat is in geen jaren voorgekomen! Toen ze weggingen, dacht ik: waarom was dit nou zo bijzonder? Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we niet langer deel uitmaken van die ene groep, dat het nu eens een keer niet ging over voorstellingen of carrières, over hoe je overkomt, of over jezelf in het openbaar vertonen… nee, gewoon een etentje thuis en vragen: hoe gaat het eigenlijk met jou?’ 

Fedja: ‘Als je zo lang ergens bij hoort – ik zeven jaar, Karina zelfs dertien – dan wordt die groep een soort gezin. Je weet precies wie wanneer hoe waarop reageert. Soms weet je dan ook dat het beter is om even uit elkaars buurt te blijven.’

Het is een kleine stap naar nog meer privédetails, zoals: de driejarige dochter Chavah, de mogelijkheid van een broertje of een zusje in de toekomst, of hoe een kind in feite alles in gang heeft gezet. De behoefte om vaker thuis te zijn. De vrijheid zoeken om de tijd iets meer naar je hand te zetten: weg dus bij Toneelgroep Amsterdam. Daar praten ze nog wat langer over, die drie mensen in de nis. Ze lijken wel vrienden, maar dat zijn ze natuurlijk niet. Er wordt gewerkt. Geven en nemen. Na een afgemeten dosis persoonlijk, volgt een shotje zakelijk. Zij gaat de komende tijd met Wil Koopman samenwerken aan een nieuwe televisieserie voor RTL4. Hij begint volgend jaar met de opnames van Erik de Bruyns speelfilm Kessels (naar het boek J. Kessels: The Novel, van P.F. Thomése).

Dan lijkt alles wel zo’n beetje gezegd. Wie goed oplet, ziet dat de acteurs enigszins opgelucht vertrekken. De interviewer blijft achter om de rekening te betalen. Hij denkt na over de vorm waarin hij zijn verhaal zal gieten – dat is nu eenmaal zíjn vak. Hij denkt aan de overeenkomsten tussen een interview en een toneelstuk en overweegt het artikel af te sluiten met het woordje einde.

Nee