De nazi’s probeerden hun moordpraktijken voor de buitenwereld enigszins verborgen te houden. Hoe anders is dat nu. IS is zo trots op de wreedheden dat iedereen er getuige van mag zijn. Niemand kan zich nog beroepen op onwetendheid.

De oude media waren er maar druk mee. Wat moet je wel, wat moet je niet laten zien? Directe aanleiding: het filmpje dat terreurorganisatie IS vorige week openbaarde met de onthoofding van de Amerikaanse fotojournalist James Foley. Redacties laveerden tussen hun weerzin om dit propagandamateriaal te gebruiken en de plicht om het publiek te informeren.

'De journalistieke plicht, kortom, om het publiek te informeren dient zwaarder te wegen. Zonder sensatiezucht, terughoudend, maar het moet wel.'
‘De journalistieke plicht, kortom, om het publiek te informeren dient zwaarder te wegen. Zonder sensatiezucht, terughoudend, maar het moet wel.’

De Vlaamse publieke omroep VRT besloot géén beelden uit te zenden; daar wilden ze ‘niet meedoen aan het verspreiden van haat en angst in de wereld’. De Nederlandse publieke omroep zat er minder mee. ‘Zo wordt oorlog uitgevochten,’ twitterde de hoofdredacteur van het NOS Journaal. Dus waren daar wel beelden te zien.

Volgens mij ligt de kwestie glashelder. Dat zo’n film propagandabedoelingen heeft, is evident. Maar de belangrijkste doelgroep laat zich door héél andere nieuwsbronnen inspireren dan door journaal of krant. En dan nog is het verband tussen het zien van abjecte beelden en het overgaan tot abjecte daden allerminst vanzelfsprekend. Iedere verkrachter heeft vermoedelijk weleens porno gekeken, maar niet iedere pornokijker slaat spoorslags aan het verkrachten. Zo zal menigeen vast genieten van zo’n gruwelijk onthoofdingsflimpje. Maar voor het wilsbesluit om zelf aan het halsafsnijden te slaan, is meer nodig. Veel meer.

De journalistieke plicht, kortom, om het publiek te informeren dient zwaarder te wegen. Zonder sensatiezucht, terughoudend, maar het moet wel.

Natuurlijk zijn er lieden die hun misdaden losjes relativeren, aan het jij-bakken slaan. Maar niemand kan zich beroepen op onwetendheid

Dat hedendaagse jihadstrijders verre van schimmig doen over hun praktijken zou je in zekere zin zelfs als een pre kunnen zien.

Niet toevallig moest ik dezer dagen denken aan Wij weten niets van hun lot, het bekroonde boek van de Leidse historicus Bart van der Boom uit 2012. Daarin komt hij, onder veel meer, tot de stelling dat buitenstaanders tijdens de Tweede Wereldoorlog veel doortastender zouden hebben gehandeld als ze werkelijk hadden geweten welk onheil de Joden in Oost-Europa te wachten stond. Maar ja. De nazi’s van het Derde Rijk trachtten hun moordpraktijken voor de buitenwereld nog enigszins verborgen te houden. Er circuleerden destijds alleen bange vermoedens en geruchten.

Hoe anders is dat nu. Dankzij de moderne media weet de buitenwereld precies wat er gebeurt met kafirs die in handen vallen van het kalifaat. De nazi’s van het Islamitische Rijk zijn immers zo trots op hun wreedheden dat iedereen er getuige van mag zijn. Natuurlijk zijn er nog genoeg lieden die hun misdaden losjes relativeren, complotten opperen of aan het jij-bakken slaan. Maar niemand kan zich beroepen op onwetendheid.

Of Van der Booms stelling klopt voor de jaren veertig van de vorige eeuw zal helaas altijd in het ongewisse blijven. Maar wat zou het een zegen zijn als ze klopt voor de jaren tien van deze eeuw.