Je kunt dit verhaal van Amade M’charek ook beluisteren.
In The Trouble with Harry, een zwarte komedie van Alfred Hitchcock, bevinden we ons in een idyllisch dorpje bij Vermont. Harry is een lijk en verschillende personen denken zijn dood op hun geweten te hebben. Maar het echte probleem met Harry is dat zijn lichaam maar niet begraven wil blijven. Zodra de omstandigheden veranderen, wordt hij weer opgegraven. Zo roept het lijk steeds nieuwe vragen op en zorgt voor nieuwe problemen.
Het lijk van Harry is een goede metafoor voor een flink aantal kwesties die we weg neigen te wensen en die ons in de samenleving achtervolgen. Ik heb het vaak aangehaald om de kwestie ‘ras’ te overdenken, maar hetzelfde geldt voor het thema genen en gedrag, in het bijzonder genen en intelligentie. Een thema dat natuurlijk niet zelden aan raciale verschillen wordt gekoppeld.
Zo werd de Nobelprijslaureaat James Watson in 2007 naar huis gestuurd voor hij in Londen een belangrijke lezing kon geven. In het weekend voor zijn lezing publiceerde The Sunday Times een interview met Watson waarin hij zijn sombere gedachten over de toekomst van Afrika uiteenzette: ‘All our social policies are based on the fact that their intelligence is the same as ours – whereas all the testing says not really.’ Wij willen graag dat iedereen gelijk is, redeneerde hij verder, maar, ‘people who have to deal with black employees find this not true’. Hoewel hij daarna, in het licht van de controverse die volgde, zijn excuses had aangeboden, was dit duidelijk geen enkele uitglijder. Twaalf jaar later, in de documentaire American Masters: Decoding Watson die over hem werd gemaakt, zou hij IQ-verschillen tussen zwarte en witte groepen mensen verklaren met de genen: ‘it’s genetics’.
Schedelvormen
Deze verklaring heeft een lange en problematische geschiedenis die verknoopt is met aspiraties van de fysische antropologie van de negentiende en twintigste eeuw. Aspiraties om de diversiteit van de mens in kaart te brengen en de mens in verschillende raciale types te vangen. In hun meet- en verzamelwoede sloegen de fysisch antropologen geen lichaamskenmerk over, van voet- tot oorafdrukken, van neusvorm tot haarstructuur, alles werd gedocumenteerd. Maar de centrale rol was voorbehouden aan de schedel. Dit deel van het lichaam werd gezien als het minst flexibele en daarmee als een belangrijke marker om het verschil tussen raciale types te kennen.
Hoewel veel onderzoek vooral gericht was op de schedelvormen, verschoof de interesse langzaam naar de inhoud van de schedel, de grootte van de hersenen, want daar zouden moraal en intelligentie in zitten. Dat inspireerde de meest racistische en ook seksistische vormen van wetenschap. Toen de Unesco in 1950 het belangrijke Statement on race uitbracht, waarin geconcludeerd werd dat er geen biologische basis is voor zogenoemde raciale verschillen, waren de protesten van wetenschappers die zich met intelligentie bezighielden het luidst. Meer onderzoek in de biologie van intelligentie was juist hard nodig om het bestaan van ‘ras’ te bewijzen, was hun argument.
Biologische variabelen
Met dit Unesco Statement was noch het racisme in de wetenschap, noch het geloof in biologische verklaringen van de baan. Toch is het opvallend om te zien hoe de biologie in de jaren zeventig van de vorige eeuw een opmars maakte en gretig werd omarmd om de maatschappelijke status quo en de structurele ongelijkheden daarin goed te praten.
Deze zogenoemde ‘sociobiologie’, die het menselijk gedrag met behulp van de evolutionaire genetica verklaart, deed haar intrede net toen sociale bewegingen een hoogtepunt bereikten en samenlevingen gelijkwaardiger en maakbaar leken. Diverse boeken zagen het licht die complexe maatschappelijke fenomenen tot biologische variabelen reduceerden, zoals sociale ongelijkheden tussen de seksen of tussen etnische groepen, of zelfs fenomenen als criminaliteit. De biologie werd zo een middel om bepaalde groepen mensen hun plaats in de samenleving te wijzen.
Eerder besteedde ik hier aandacht aan het werk van Richard Lewontin, die samen met collega’s het beroemde boek Not in Our Genes schreef, een boek dat frontaal tegen de beweringen van sociobiologen inging en waarin ze onder meer de claims dat intelligentieverschillen sociale ongelijkheden zouden verklaren, minutieus ontmantelden. Let wel, Richard Lewontin is een vermaarde geneticus. In het boek wordt de biologie en de kennis die met behulp van de genetica verworven kan worden niet overboord gegooid. Hun kritiek richt zich tegen de overtrokken en ongegronde conclusies op basis van genetische bevindingen.
Een waarheid als een koe
Ook wanneer de genetica niet gebruikt wordt om de status quo te rechtvaardigen, maar om maatschappelijke ongelijkheid te bestrijden, kan het goed misgaan. In haar recent verschenen boek The Genetic Lottery poneert Kathryn Paige Harden dat menselijk gedrag, en in het bijzonder intelligentie, erfelijk zijn. Ze zoekt een relatie tussen genen en opleidingsniveau in de data van grote genetische cohortstudies, de zogenoemde Genome Wide Association Studies (GWAS). Daarin zijn zo’n duizend variaties opgespoord die een correlatie zouden hebben met het opleidingsniveau. Deze correlaties verklaren volgens Harden 10 tot 15 procent van het maatschappelijk succes.
Wat betekent het om te stellen dat intelligentie erfelijk is?
Harden is zich bewust van de geschiedenis van de raciale wetenschap en de eugenetica en stelt dat haar aanpak zich vooral richt op het individu. Dat klinkt geruststellend, maar roept de onmiddellijke vraag op hoe de genetica dan gebruikt zou kunnen worden om ongelijkheid ongedaan te maken. Allemaal in een databank voor een individueel beleid? Of toch de individuen in de bekende categorieën en groepen stoppen om beleid te kunnen maken?
Bovendien maakt Harden veel te grote sprongen. Ze schuift te snel van correlatie naar causaliteit waardoor de suggestie wordt gewekt dat genen het opleidingsniveau bepalen. Maar het probleem is fundamenteler. Want wat betekent het om te stellen dat intelligentie erfelijk is? Dat is een ingewikkelde vraag. Tachtig procent van al onze genen komt in de hersenen tot expressie, maar de macht van omgevingsfactoren wordt niet kleiner wanneer je die buiten beschouwing laat. Stellen dat intelligentie erfelijk is, is niet veel anders dan stellen dat de mens als organisme erfelijk is. Een waarheid als een koe. Zonder het genetisch materiaal dat we van onze ouders meekrijgen, geen lichaam. Maar om vervolgens de genen als verklaring van ongelijkheid in de samenleving aan te roepen, is een andere claim.
Uit forensisch DNA-onderzoek weten we hoe ingewikkeld het is om de relatie tussen genen en een uiterlijk waarneembaar kenmerk te leggen. Jaren van studies waarbij gebruik is gemaakt van GWAS-datasets zijn er mee gemoeid om te begrijpen welke genen een rol spelen bij zoiets als oog- of huidskleur. En dat is iets veel simpelers dan intelligentie!
Intelligentie is een hoogst complex fenomeen dat door boeken als dat van Harden tot een genetisch wonder wordt gereduceerd. In een zee van onwetendheid wordt de snelle link die wordt gelegd tussen genen, intelligentie, schoolprestaties en maatschappelijke mogelijkheden zo een manier om sociale ongelijkheden een natuurlijk karakter te geven. In Hardens oproep om de genetica te gebruiken om sociale ongelijkheid te bestrijden, wordt de oude link tussen genen, intelligentie en ‘raciale’ en andere verschillen verondersteld en tot leven gebracht. En zo wordt het lijk van Harry weer een keer opgegraven.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.