Dit verhaal is ook te beluisteren!
In een kantoor aan de andere kant van de wereld, op ruim zesduizend kilometer van Nederland, moet een telefoon al een tijdje aan het rinkelen zijn. Zou het een klassiek telefoongeluid zijn dat in de verlaten ruimte klinkt? Of een met een Indiase melodie?
Dit is deel 5 van een serie. Beginnen bij het begin? Lees hier deel 1 en lees vanaf daar verder.
‘Tijdelijk gesloten’ verschijnt er op satellietbeelden van Google bij een loods als ik naar de locatie van Brijbasi Art Press zoek. De loods is ruim honderd bij honderd meter en staat op een met dorre grond omgeven industrieterrein in een satellietstad van Delhi. Volgens India’s most popular read for all things print and packaging – het vakblad Printweek – wordt hier iedere maand zeker tweeduizend ton papier bedrukt. Nu zijn de persen tot stilstand gekomen. De zevenhonderd medewerkers zullen naar huis zijn gestuurd.
Ik scrol naar beneden en reis stroomafwaarts de Yamuna af, de grootste zijrivier van de Ganges.
Ruim tweehonderd kilometer verderop kom ik uit bij de Taj Mahal. Ook dicht. Geen toerist staat zich op dit moment te vergapen aan het wit marmeren mausoleum dat Shah Jahan, de vijfde heerser van het Mogolrijk, in de zeventiende eeuw liet bouwen voor zijn overleden echtgenote. Het is namelijk halverwege april en de meer dan 1,3 miljard inwoners van India zijn in lockdown. De grootste lockdown ter wereld, zoals in ieder nieuwsbericht over India werd aangestipt.
Ik had dan ook niet verwacht dat iemand bij Brijbasi Art Press zou opnemen. Ik hoopte op een bandje waarop werd gezegd dat ‘gezien de omstandigheden’ en ‘in deze ongekende tijd’ er niemand aanwezig was om te vertellen hoe het eigenlijk kon dat er in 2017 bij Kruidvat een kleurcodeboek werd verkocht met een afbeelding van Adolf Hitler. Want hoewel volgens Printweek het unique selling point van het bijna honderdjarige Bijbrasi Art Press het drukken van religieuze posters is, worden er voor de westerse markt ook kinderboeken geproduceerd en gedrukt.
Niets bijzonders
Wat nu? Ik laat de telefoon nog maar even overgaan. Om tijd te winnen, voordat dit spoor echt doodloopt.
Zouden ze bij Brijbasi eigenlijk weten van het incident? Ik had gelezen dat ze hun boeken naar 94 verschillende landen exporteren, dus de productie Kleuren op code: rustgevende kleurprojecten met kleurencode was niets bijzonders geweest. En hoewel het nieuws over de Hitlerkleurplaat viraal was gegaan, was Brijbasi niet in de berichtgeving opgedoken.
De Belgische tussenhandelaar die de order had geplaatst, had misschien niet eens zijn beklag gedaan over de fout: hij had zelf nagelaten de proeven goed te controleren en wilde het incident het liefst zo snel mogelijk vergeten. Zoals tot nu toe niemand van de betrokkenen graag over het incident praatte.
Er is altijd de kans dat iemand plots opneemt. En wat zou ik dan eigenlijk zeggen?
Vandaar dat ik van plan was geweest om een paar weken eerder naar de Fiera del libro per ragazzi te gaan, een belangrijke jaarlijkse kinderboekenbeurs in Bologna. Dan kon ik meer te weten komen over de onderkant van de kinderboekenmarkt, waar prijsvechters als Kruidvat opereerden. Bovendien was de komst van de directeur van Brijbasi aangekondigd en een persoonlijke ontmoeting leek me effectiever dan een mailtje.
Nu de beurs was gecanceld gebeurde precies waar ik bang voor was: op de mail die ik had gestuurd kwam geen reactie. Ook contactverzoeken via sociale media werden genegeerd. En via de telefoon kreeg ik dus ook geen contact.
Púhhhh……Púhhhh……Púhhhh……
Het geluid dat aangeeft dat het opgeroepen toestel wordt gebeld heeft een wektoon, lees ik op Wikipedia, en heeft een toonhoogte van 425 Hertz die 1 seconde aanhoudt. Daarna is het 4 seconden stil. Een geruststellend geluid vind ik het niet: er is altijd de kans dat iemand plots opneemt. En wat zou ik dan eigenlijk zeggen?
Gouden Eeuw
Ik moet denken aan de eerste Nederlanders die in de zestiende eeuw India bezochten. Het waren missionarissen die met de christelijke heilsboodschap op zak de verre reis maakten naar een gebied dat op dat moment onderdeel uitmaakte van het Mogolrijk: een islamitisch rijk dat werd bestuurd door Turken uit Centraal-Azië met het Perzisch als lingua franca. Hoe ging zo’n eerste ontmoeting? Zou het ongemakkelijk zijn geweest?
Die details stonden helaas niet in het boek De verborgen wereld: Nederland en India vanaf 1550 dat ik als onderdeel van mijn grote omtrekkende beweging had gelezen. Wel leerde ik een deel van de geschiedenis kennen dat voor mij nieuw was. Zo wist ik niet dat Nederland de Gouden Eeuw deelde: ook voor India was de zeventiende eeuw een periode van ongekende economische en culturele bloei.
In het fascinerende boek laat Jos Gommans, hoogleraar koloniale geschiedenis en wereldgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, aan de hand van de Indiacollectie van het Rijksmuseum zien hoe Nederland en India in die periode verstrengeld raakten.
Na de missionarissen kwamen rond 1600 ook de eerste Nederlandse kooplieden naar India. In het begin was dat zonder succes: twee kooplieden in dienst van de Zeeuwse Compagnie werden aan de Malabarkust door hun concurrentie – de Portugezen – opgepakt en opgehangen.
Alles veranderde toen de VOC in 1605 officieel toestemming kreeg van de Mogols om een handelsnederzetting te bouwen. Natuurlijk, de VOC. Ik wist dat de compagnie actief was geweest in India, maar wat ze daar eigenlijk precies deden wist ik niet. Ze waren toch vooral geïnteresseerd in specerijen als kruidnagel, kaneel, nootmuskaat en foelie uit de Indische Archipel? Van eilanden als Java, Sumatra en de Molukken?
Goemans laat in De verborgen wereld op gedetailleerde wijze zien hoe belangrijk ook India was voor deze lucratieve handel: om kostbare specerijen te krijgen, moest je namelijk wel over aantrekkelijke ruilgoederen beschikken.
De Kleine IJstijd
India was al veel langer een grootmacht, gelegen in het centrum van de oude wereld. Wie toegang had tot de Indiase markt kon overal komen. India beschikte namelijk over een product dat al eeuwenlang de populaire modetrends in de gebieden rondom de Indische Oceaan bepaalde: katoen. Van het bestaande handelsnetwerk dat al veel langer bestond, wist Nederland – ondernemersgeest! – handig gebruik te maken. Met Indiase textiel kocht de VOC specerijen op de Indonesische eilanden, met Indonesische specerijen kocht de VOC weer textiel in India.
Terwijl de rest van de wereld in de zeventiende eeuw in crisis verkeerde – volgens Gommans door het einde van een natuurlijke economische cyclus na een eeuw van voorspoed, maar mogelijk ook als gevolg van een vrij plotselinge klimaatverandering: de Kleine IJstijd – vormden het kleine Nederland en het machtige India in de zeventiende eeuw de twee uitzonderingen.
Net zoals bij hedendaagse goedkope kleurboeken, werd ook in de zeventiende-eeuwse katoenbusiness via een wijdvertakt netwerk gehandeld.
Het was het begin van een lange handelsrelatie en een culturele dialoog tussen Nederland en India. In deze fascinerende zeventiende-eeuwse kruisbestuiving is mogolkeizer Shah Jahan – die van de Taj Mahal – zelfs te koppelen aan Rembrandt. Zo staan er in het boek wonderschone tekeningen van Rembrandt, met taferelen die zich afspelen aan het Mogolse hof.
Niet dat Rembrandt ooit in India is geweest, maar hij had wel toegang tot meegebrachte miniaturen uit het land. Die gebruikte hij als studiemateriaal, op een moment halverwege de zeventiende eeuw dat hij zich steeds meer van zijn tijdgenoten distantieerde en een lossere stijl van schilderen ontwikkelde. Op die manier liet hij zich beïnvloeden door India. Of, zoals Gommans in zijn boek schrijft: ‘De geschiedenis van de mondiale verbindingen leert ons namelijk hoe en wie “wij” zijn geworden, dankzij de voortdurende wisselwerking met “anderen”.’
Op een van de tekeningen van Rembrandt staat Shah Jahan met zijn vinger in de lucht tegenover zijn oudste zoon, alsof hij iets belangrijks heeft te vertellen. De wonderlijke gewaden, de ingenieuze tulbanden en de papegaai op de hand van de zoon: de nieuwsgierigheid en sensatie die Rembrandt moet hebben gevoeld springt bijna van het papier. Ik wilde meteen naar het Rijksmuseum om de tekening in het echt te zien.
Alleen was ook het Rijks voorlopig dicht. Misschien zou ik ook wel nooit in Bologna komen. Net zoals ik deze zomer waarschijnlijk ook niet voor de Taj Mahal zal staan, langs de oevers van de Yamuna. Of voor de deur van een loods op een industrieterrein in een satellietstad van Delhi, om eindelijk te ontdekken wat er nou was misgegaan met de productie van dat kleurboek.
Oprecht nieuwsgierig
Het lezen van De verborgen wereld deed me hunkeren naar reizen en avontuur, maar net zoals ieder geschiedenisboek bood het ook troost. Het was dan een vreemde periode, maar de geschiedenis zit vol met vreemde periodes. En hoewel alles altijd verandert, blijft toch veel hetzelfde. Over de eeuwen heen is het immers makkelijk parallellen zoeken.
Net zoals bij hedendaagse goedkope kleurboeken, werd ook in de zeventiende-eeuwse katoenbusiness via een wijdvertakt netwerk gehandeld. De Compagnie werkte samen met enkele makelaars, die op hun beurt weer tientallen agenten in het land hadden voor het uitzetten van contracten met producenten. Zelfs toen werden er al designs bedacht in Nederland, die vervolgens naar Indiase productiedorpen werden gestuurd.
De periode van intensieve globalisering die Nederland en India doormaakten zorgde ook toen voor verwarring. ‘Een van de manieren om de complexiteit van de wereld te bevatten, was het zich bewust afkeren van die wereld,’ schrijft Gommans.
En hoewel in de achttiende eeuw ook de Europese textielindustrie begon te floreren, bleef Nederland naar India reizen voor de katoen. Gommans: ‘De Nederlandse overheid koos niet voor het beschermen van de eigen markt, maar voor het behouden van de transitohandel en zag om die reden af van sterke protectiemaatregelen.’
Nadat ik het boek had gelezen, luisterde ik naar een oud radio-interview met Jos Gommans, waarin hij commentaar leverde op een grote handelsmissie naar India die premier Rutte vorig jaar met het Nederlandse bedrijfsleven ondernam. Zijn advies was om de agenda breder te maken dan alleen de zaken. De bijzondere band met India in de zeventiende eeuw ontstond volgens Gommans juist doordat de Nederlanders ook oprecht nieuwsgierig waren naar het land en de cultuur: ze wilden echt weten hoe de ander in elkaar zat.
Een eigen kleurcodeboek
Op ruim zesduizend kilometer van Nederland stopt een telefoon eindelijk met rinkelen. Ik heb plots een nieuw plan.
Met mijn oprechte nieuwsgierigheid leek ik voorlopig even niet verder te komen. Het is namelijk de eenentwintigste eeuw, niet de zeventiende. Vragen zijn verdacht. Meer dan ooit is het handel die deuren opent. Dus om antwoorden te krijgen over de productie van een kleurcodeboek, moet ik misschien maar eens gaan nadenken over de productie van een eigen kleurcodeboek.
Lees hier deel 6: de handelsmissie.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.