Elke keer als tijdens een verkiezingsbijeenkomst zijn naam valt – en dat gebeurt in praktisch elke zin – lijken zijn volgelingen bevangen door haast religieuze adoratie. Het is alsof Hugo Chávez Frias nog steeds vanuit het presidentieel paleis in Miraflores zijn land bestuurt. Chávez is en blijft ‘de eeuwige commandant, die voortleeft in onze harten’, waarbij de spreker met duimen en wijsvingers een hart vormt voor zijn eigen borst. Een geste die uiteraard door tegenstanders spottend wordt gekopieerd.

Als Chávez’ opvolger Nicolás Maduro eindelijk wordt genoemd, is de reactie lauw. Criminaliteit, schaarste en inflatie hebben de huidige president impopulair gemaakt onder de Venezolanen, zelfs binnen zijn eigen partij. Maduro mist het charisma waarmee zijn voorganger erin slaagde vier presidentsverkiezingen op rij te winnen. Dus doet de PSUV (de Verenigde Socialistische Partij van Venezuela) alsof de parlementsverkiezingen op 6 december tussen Chávez en de ‘contrarevolutie’ gaan. Vanuit de luidsprekers van het Brígido Iriarte-stadion in West-Caracas, waar de socialistische kandidaten Juan Carlos Alemán en Jacqueline Faria een verkiezingsbijeenkomst houden, schalt het verkiezingslied: Uh-ah, Chávez no se va (Oe-aa, Chávez gaat niet weg), Siempre te voy a amar (Ik zal altijd van je houden), Uh-ah, Chávez seguirá! (Oe-aa, Chávez die gaat door).

Verder zijn de speeches een onbedoeld komische echo van lang vervlogen dromen van een wereldrevolutie. Alemáns retoriek is doorspekt met termen als ‘oorlog tegen de fascisten’ en ‘strijd tegen het imperium’ (de VS). De schuld van alle problemen in het land wordt gelegd bij de oppositie en in Washington, alsof de socialisten niet al zestien jaar aan het bewind zijn. De machthebbers in Caracas doen hun uiterste best zich in een underdogpositie te manoeuvreren tegenover de oppositie, de ‘oligarchen’ die het land economisch op de knieën willen dwingen en het Amerikaanse complot dat tot doel heeft de Bolivariaanse revolutie te laten mislukken.

Vurig gewenste verandering

Een steeds kleiner deel van de bevolking gelooft dit discours, ondanks de eindeloze herhaling ervan op alle televisiekanalen. Negentien van de twintig meest recente opiniepeilingen voorspellen winst en een absolute meerderheid voor de oppositie op 6 december. Op campagne in San Carlos, een arme wijk in de stad Maracay, vinden de kandidaten van de oppositiecoalitie, de Mesa de la Unidad Democrática (internationaal wat ongelukkig afgekort tot MUD), verrassend veel gehoor bij de straatarme bewoners van deze barrio. Een grote meerderheid heeft wel oren naar de door de oppositie zo vurig gewenste cambio (verandering), waarbij criminaliteit, schaarste en inflatie terugkerende thema’s zijn.

Een 72-jarige man met ontbloot bovenlijf twijfelt. ‘Chávez is de eerste president geweest die mensen als ik een pensioen gaf.’ Zijn dochter spreekt hem tegen: ‘Het kan zo niet langer, ieder jaar is erger dan het vorige. Er moet iets veranderen, alles is beter dan deze regering.’

Slechts vanuit één woning slingeren Chávez-aanhangers beledigingen en verwensingen naar de hoofden van de flyerende activisten. ‘Vijf jaar geleden kwamen we de buurt nauwelijks binnen,’ herinnert parlementskandidate Adriana Pichardo van Voluntad Popular, een van de twintig partijen die de MUD vormen, zich: ‘Men gooide stenen en huisvuil naar ons. Nu hopen we in deze dieprode wijk de helft van de stemmen binnen te halen.’

Uitleg van een stembiljet | Foto: HH
Verkiezingsfraude

Pichardo’s campagne bestaat er meer uit de buurtbewoners te vertellen hóe ze moeten stemmen dan hen ervan te overtuigen dat op de oppositie te doen. De reden: van de 37 partijen die de kiezer in Maracay op zijn stembiljet vindt, zijn er 36 verbonden aan de regering. De partijen die de oppositie vormen, hebben besloten onder één naam te opereren, en het is niet gemakkelijk het symbool van de MUD op het biljet te vinden. Vandaar de slogan: ‘Abajo y a la izquierda’ (linksonder in de hoek), de positie van de MUD op het biljet. De regeringsgezinde partij ernaast op het stembiljet heeft bijna dezelfde naam (Min-Unidad) en kleur als de MUD en in Maracay heeft Min-Unidad zelfs een kandidaat gevonden met exact dezelfde naam als die van de oppositiekandidaat: Ismael García. Allemaal in de hoop de kiezer te verwarren.

Deze vorm van misleiding zou in een echte democratie als verkiezingsfraude worden bestempeld, maar Venezuela kan al jaren geen aanspraak meer maken op die titel. De CNE, de nationale commissie die toezicht houdt op een eerlijk verloop van de verkiezingen, wordt gedomineerd door Chavistas, net als het Hooggerechtshof. De combinatie met Nicolas Maduro’s weigering internationale waarnemers toe te laten, doet vrezen voor de legitimiteit van de uitslag op 6 december. De aan de regering gelieerde partijen doen niet eens moeite om te verbergen dat zij belastinggeld gebruiken voor hun campagne. Op de Boulevard Panteón in het centrum van Caracas flyeren meisjes voor de PSUV, gekleed in poloshirts met de opdruk Gobierno (overheid) Bolivariana de Venezuela, terwijl ambtenaren volgens de kieswet niet onder werktijd of in officiële kleding campagne mogen voeren. In Maracay hangen aan iedere lantaarnpaal posters met portretten van PSUV-kandidaten. ‘Wij hebben daar geen geld voor,’ zegt kandidate Adriana Pichardo, ‘en als wij wel posters ophangen, huurt de regering bendes malandros (criminelen) in om ze weg te halen.’

Het lijkt paranoia, die angst voor bendes. Totdat een week later in de laatst overgebleven onafhankelijke landelijke krant El Nacional foto’s verschijnen van gemaskerde, in het rood geklede mannen die in Petare, de grootste sloppenwijk van Caracas, met automatische wapens een verkiezingsbijeenkomst van oppositiepartij Primero Justicia uiteen jagen. ‘Ze zijn wanhopig, ze weten dat ze niet kunnen winnen op 6 december,’ meent Pichardo.

Van die wanhoop is weinig te merken in de zelfverzekerde speeches van Juan Carlos Alemán en Jacqueline Faria in hun bolwerk El Paraíso in het westen van de hoofdstad. Maar het lijkt alsof de PSUV-leiders het contact met de alledaagse werkelijkheid van de Venezolanen zijn kwijtgeraakt. Alemáns partner Faria gaf daarvan een opvallend voorbeeld toen zij een paar maanden geleden in een toespraak beweerde dat burgers het helemaal niet erg vinden uren in de rij te staan om levensmiddelen te kopen in de supermarkten: ‘De mensen gaan van huis met hun boodschappentassen, ze kopen wat ze nodig hebben en gaan terug naar huis. Dat is de revolutie zoals onze president haar heeft bevolen, dus laten we genieten van die heerlijke rijen.’

‘Waarschijnlijk omdat zij nog nooit zelf in de rij heeft hoeven staan,’ oordeelt ‘Armando’, manager van een grote supermarkt in een buitenwijk van Caracas, ‘daar heeft zij haar mensen voor.’ Armando wil anoniem blijven, maar hij wil wel vertellen dat er niets heerlijks is aan de eindeloze rijen voor zijn supermarkt, voor de apotheken, voor de banken.

Inflatiespook

Inderdaad, het bezoeken van een Venezolaanse supermarkt is een surrealistische ervaring. Wie niet de hoofdprijs wil betalen voor geïmporteerde goederen, moet wachten op gesubsidieerde levensmiddelen als melk(poeder), koffie, suiker, pasta of meel. De verkoop wordt beperkt tot een bepaalde hoeveelheid en bovendien mag de consument hiervan maar eenmaal per week gebruikmaken. De dag correspondeert met het laatste nummer van zijn cédula, identiteitsbewijs. Om te voorkomen dat consumenten op ‘hun’ dag bij meer dan één supermarkt goederen a precio justo proberen te kopen, is naast het tonen van het identiteitsbewijs ook een elektronische duimscan verplicht.

Ondanks de maatregelen floreert de zwarte markt voor primaire levensbehoeften, maar ook voor non-foods als wc-papier, luiers, maandverband, deodorant en huidproducten. De bachaqueros (zwarthandelaren) sturen grote groepen arme Venezolanen de rijen in om producten te kopen die ze vervolgens in de sloppenwijken (waar meestal geen supermarkten zijn) met winst door te verkopen. De schaarste in de supermarkten is te wijten aan de desastreuze monetaire politiek van de regering, de inflatie wordt door Forbes geschat op meer dan 800 procent op jaarbasis, de hoogste ter wereld.

Wie frites wil, moet daar 900 Bs. voor neertellen: dik 130 euro, bijna 10 procent van het minimumloon.

Landonteigeningen en nationalisaties hebben ertoe geleid dat Venezuela – ooit een belangrijk exporteur van koffie, cacao en suiker – nu praktisch alle levensmiddelen importeert. Dit moet worden betaald met dollars, maar vervolgens verkoopt de staat de goederen tegen de snel in waarde dalende bolivar, waardoor de prijzen ondanks de subsidies toch razendsnel stijgen. Moest je begin dit jaar op de zwarte markt zo’n 100 bolivares (Bs.) betalen voor een euro, inmiddels is dit tot boven de 900 Bs. gestegen. Aangezien de salarissen niet meestijgen met de prijzen en niet worden gedollariseerd, raken steeds meer niet gesubsidieerde goederen buiten het bereik van de gemiddelde Venezolaan. Aardappelen zijn nauwelijks nog te vinden en waar ze te krijgen zijn, zijn ze praktisch onbetaalbaar: bij McDonald’s worden de menu’s niet met french fries maar met yuca (cassave) of arrepas (een soort pitabroodje van maïs) geserveerd. Wie toch frites bij zijn menu wil, moet daar 900 Bs. voor neertellen. Volgens de officiële wisselkoers komt dit neer op dik 130 euro of bijna 10 procent van het minimumloon, dat is vastgesteld op een kleine 10.000 Bs. Vorig jaar besloot de regering in Caracas in te grijpen en het inflatiespook te bestrijden met… een stop op het publiceren van inflatiecijfers.

Een bijna volksopstand

De twijfelachtige eer de hoogste geldontwaarding ter wereld te bezitten, zou meer dan goed moeten worden gemaakt doordat Venezuela ook de grootste oliereserves op aarde heeft. De geschatte 300 miljard vaten olie zouden een rijkdom van Arabische Golf-proporties doen vermoeden. Maar anders dan in het Midden-Oosten besloot de regering-Chávez geen reserves op te bouwen of winstgevende investeringen te doen. De enorme olieopbrengsten van de gouden jaren tussen 2008 en 2014, toen de prijs van een vat regelmatig de 100 dollar overschreed, werd uitgegeven aan onhaalbare infrastructurele projecten, inflatieversterkende loonsverhogingen (vooral in verkiezingstijd), giften aan politieke sympathisanten in het buitenland en bewapening.

Inmiddels is de olieprijs gedaald naar zo’n 40 dollar en kan de regering in Caracas de prijzen voor eerste levensbehoeften niet meer subsidiëren zonder zich diep in de schulden te steken. Een voorstel eerder dit jaar de benzineprijs in eigen land te verhogen, leidde bijna tot een volksopstand en verdween snel van tafel. De Venezolanen zien benzine als een nationaal goed dat vrijwel gratis hoort te zijn. Een volle tank kost de burger de zelfs nauwelijks symbolisch te noemen prijs van ongeveer 5 Bs., omgerekend naar de officiële wisselkoers nog geen euro, maar volgens de zwarte-marktprijs een halve cent. De burger is bereid uren in de rij te staan voor melk of wc-papier, maar dat de prijs van de nationale bodemschat wordt verhoogd, is onaanvaardbaar, ondanks het feit dat het Internationaal Energie Agentschap (IAE) heeft berekend dat de subsidies op benzine de Venezolaanse staat jaarlijks zo’n 15 miljard dollar kosten.

Het bezit van die enorme energierijkdom voorkomt ook niet dat Caracas regelmatig getroffen wordt door stroomstoringen. De oorzaken zijn gebrek aan onderhoud en politieke benoemingen van ambtenaren. In provinciesteden als Valencia of Maracaibo is het nog erger: regelmatige (soms driemaal daags) en langdurige (48 uur is geen uitzondering) stroomuitval zijn er een gegeven. De regering wijt de storingen steevast aan sabotage, al is de enige in Venezuela actieve guerrillabeweging de Colombiaanse FARC, die Venezuela als uitvalsbasis en als doorvoerland voor hun drugshandel gebruikt. Chávez en Maduro hebben altijd uitstekende banden onderhouden met de marxistische rebellen uit het buurland. In de media worden de complottheorieën van de Chavistische machthebbers klakkeloos afgedrukt of opgedreund. Alle Venezolaanse televisiezenders zijn genationaliseerd of met belasting- en oliegeld gekocht door regeringsgetrouwe investeerders. Hetzelfde geldt voor de landelijke dagbladen, terwijl onafhankelijke radiozenders de zendmachtiging is ontnomen.

Oppositiekandidaat Ismael García in Maracay. De regeringskandidaat heet ook Ismael García | Foto: Ariana Cubillos / AP / HH
Grote vindingrijkheid

Argenis Martínez is een van de laatste volhouders op de redactie van El Nacional. Zijn hoofdredacteur is het land ontvlucht, net als de rest van de directieleden. Ook zijn vrouw heeft Martínez al acht maanden niet meer gezien. Zelf moet hij zich elke week melden bij het ministerie van Justitie. De reden: El Nacional waagde het een bericht van de Spaanse krant ABC over te nemen, waarin werd gemeld dat de Amerikaanse justitie een onderzoek wegens drugshandel was begonnen tegen parlementsvoorzitter Diosdado Cabello, volgens velen de sterke man achter het socialistische bewind. Los van een aanklacht tegen de nog niet gevluchte leden van de hoofdredactie leidde dit tot een nieuwe aanval op de krant, ditmaal in de vorm van een poging tot censuur die van een grote vindingrijkheid getuigt. ‘Venezuela produceert al jaren geen papier meer,’ vertelt Martínez, ‘dus moeten we dollars kopen om het te importeren. Daar krijgen we van de staat geen vergunning voor, dus wordt de krant steeds dunner.’ De toekomst van El Nacional ziet hij somber in: ‘Minder papier leidt tot minder advertentie-inkomsten en dat weer tot lagere salarissen, onderbezetting op de redactie en minder kwaliteit. Een vicieuze cirkel dus.’

Media die hiervan geen last willen hebben, weten wat hun te doen staat. Toen de Amerikaanse justitie vorige week de stiefzoon en neef van presidentsvrouw Cilia Flores arresteerde op verdenking van drugshandel, verzuimden alle landelijke kranten (behalve El Nacional) en televisiezenders aan lezers en kijkers te openbaren om wie het ging. De Chavistas hebben geleerd dat financiële prikkels een veel effectievere vorm van (zelf)censuur opleveren dan het opsluiten van journalisten. Dit heeft geleid tot een enorme afname in de berichtgeving over die andere ramp die zich – naast de economische – voltrekt in de Venezolaanse samenleving: de criminaliteit (in de media steevast gerubriceerd onder het eufemisme sucesos, gebeurtenissen). Journalist Javier Mayorca van El Nacional schat dat voor het einde van het jaar het recordaantal van 27.000 moorden zal worden bereikt: Venezuela heeft het hoogste moordcijfer op aarde na Honduras. De regering bestrijdt de epidemie op dezelfde wijze als de inflatie: het ministerie van Justitie is gestopt statistieken over misdrijven te publiceren.

El libertador

Vanaf ontelbare overheidsgebouwen, viaducten en billboards kijkt Hugo Chávez neer op zijn volk. De persoonsverheerlijking gaat inmiddels zo ver dat de overleden president bijna magische krachten worden toebedeeld. Tot verbijstering en plaatsvervangende schaamte van todo intellectueel Venezuela verklaarde Maduro in april 2013 dat zijn voorganger tot hem gekomen was in de vorm van een vogeltje dat hem zegende met zijn zang.

De Chavistas weten dat financiële prikkels veel effectiever zijn dan het opsluiten van journalisten.

Conform het Orwelliaanse principe dat wie het verleden beheerst de toekomst beheerst, is de socialistische regering begonnen de geschiedenis van het land te herschrijven. In het onderwijs wordt steeds minder aandacht besteed aan de honderdzeventig jaar tussen de dood van el libertador (de bevrijder) Simón Bolívar in 1830 en het in 1999 democratisch veroverde presidentschap van Hugo Chávez. (Deze probeerde het zeven jaar eerder eerst via een militaire staatsgreep waarvoor hij door de nu door de socialisten zo verguisde, ‘dictatoriale’ Vierde Republiek opvallend mild werd bestraft: nog geen twee jaar in een gevangenis met voorzieningen waarvan de 94 politieke gevangenen die mensenrechtenorganisatie Venezuela Awareness vermeldt slechts kunnen dromen). Bolívar, naar wie Chávez zijn revolutie noemde, wordt steeds meer als een proto-socialistische revolutionair herdacht, wat opvallend is voor een steenrijke, aristocratische grootgrondbezitter die, afgezien van een vroege afschaffing van de slavernij, nooit erg veel interesse toonde in het lot van de armen van zijn land of de herverdeling van productiemiddelen. Karl Marx noemde hem zelfs ‘een laffe, gemene en ellendige schurk’.

Cubaanse artsen

Voor het eerst wordt de enorme onveiligheid, al een decennium de stok waarmee de oppositie probeert de regeringspartijen te slaan, overschaduwd door de desastreuze economische situatie. Zelfs de door vriend en vijand toegejuichte programma’s ter bestrijding van sociale ongelijkheid uit de eerste jaren van deze eeuw lijken erdoor tenietgedaan. Eerder dit jaar berekende Marino González, hoogleraar economie aan de Simon Bolívar Universiteit in Caracas, dat aan het einde van 2015 vijfenvijftig procent van de Venezolanen onder de armoedegrens zal leven, een getal dat, alle revolutionaire retoriek en initiatieven ten spijt, hoger ligt dan toen Chávez eind jaren negentig aan de macht kwam. Ook een ander bejubeld project van de Chavistas is op een mislukking uitgelopen: de duizenden Cubaanse artsen die naar Venezuela werden gehaald om de gezondheidszorg voor de armen te verbeteren, blijken verdwenen. Artsen in het ziekenhuis Domingo Luciani aan de rand van sloppenwijk Petare in oostelijk Caracas bevestigen dat hun Cubaanse collega’s en masse de grens met Brazilië zijn overgestoken of via Colombia de VS hebben bereikt. Dit ondanks het feit dat zij, in tegenstelling tot Venezolaanse artsen, in dollars (en meer) betaald kregen.

Ondergoed binnenste buiten

Niet alleen de Cubanen zijn vertrokken. Naar schatting een miljoen vooral hoogopgeleide Venezolanen verlieten hun land in de eerste tien jaar van de Bolivariaanse revolutie. ‘Venezuela is traditioneel een immigratieland,’ verzucht supermarktmanager Armando, ‘tegenwoordig wil het overgrote merendeel van de bevolking weg. Vroeger emigreerden mensen ook wel, maar dat was om een mooie toekomst op te bouwen in het buitenland, een positieve beslissing. Nu is deze negatief, men vlucht.’ In plaats van te proberen deze braindrain tegen te gaan, vertelde Chávez zijn getrouwen bij meer dan één gelegenheid blij te zijn met het vertrekken van ‘lastpakken’ en ‘landverraders’.

In plaats van de leegloop van talent te bestrijden, blonk en blinkt de regering in Caracas uit in het verzinnen van symbolische, surrealistische oplossingen voor niet bestaande problemen. Een van de meest opvallende voorbeelden was Chávez’ besluit in 2007 Venezuela een eigen tijdzone te geven, een half uur tussen die van buurlanden Brazilië en Colombia. Waarom? Omdat volgens de president meer zonlicht een ‘metabolisch effect’ zou hebben dat de arbeidsproductiviteit verhoogde. In haar column vergeleek The New York Times-columniste Gail Collins Chávez’ speech met die uit Woody Allens Bananas, waarin de revolutionaire president van een fictief Latijns-Amerikaans land aankondigt dat ondergoed voortaan binnenste buiten zal worden gedragen.

Het kan nog gekker. Eind 2013 besloot Nicolás Maduro dat het hoog tijd was een minister van Opperst Sociaal Geluk aan te stellen. Het is nog te vroeg om te oordelen of de Venezolanen door de creatie van dit achtendertigste ministerie erg veel gelukkiger zijn geworden, maar de opiniepeilingen voor de verkiezingen op 6 december doen vermoeden van niet. Praktisch alle peilers geven de oppositiekandidaten van de MUD een ruime voorsprong, waarschijnlijk groot genoeg om een absolute meerderheid te veroveren in de Asemblea Nacional. Voor de oppositie zou dat een bruggenhoofd betekenen, een grote stap naar de eerste overwinning in presidentsverkiezingen sinds 1999.

Deze reportage is tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage uit het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited.