In de Singelkerk in Amsterdam ging schrijver Joost Zwagerman in debat met Wouter Bos en andere PvdA’ers over zijn stelling dat de linkse partijen moeten fuseren. Maar hoe zou dat kunnen gebeuren, als er zo verschillend wordt gedacht over de vrijheid van het individu?

Wouter Bos heeft een ontnuchterend antwoord op de grootse visoenen die schrijver Joost Zwagerman in zijn pamflet De schaamte voor links koestert over een fusie van PvdA, SP en GroenLinks. ‘Nooit eerder in de parlementaire geschiedenis heeft een samengaan van geestverwante partijen winst opgeleverd. Dus dat kan nooit een argument zijn voor de Sociaal-Democratische Volkspartij die Zwagerman bepleit.’

Bos zei dat in het debat dat Vrij Nederland en uitgeverij Querido naar aanleiding van Zwagermans pamflet organiseerden. In een volle Singelkerk in Amsterdam gingen Bos en vier andere PvdA-politici op een warme woensdagavond in discussie met Zwagerman, onder leiding van VN-columnist Max van Weezel.

Feitelijk heeft Bos het niet bij het rechte eind. De eerste verkiezingen waaraan het CDA deelnam, in 1977, leverden de fusiepartijen KVP, ARP en CHU wel degelijk winst op, zij het niet meer dan één zeteltje. En GroenLinks kwam in 1989 met zes zetels in de Tweede Kamer, een winst van drie ten opzichte van wat de afzonderlijke partijen daarvoor gezamenlijk hadden. Maar Bos heeft wel gelijk als hij hooggespannen electorale verwachtingen over partijfusies relativeert. Bij haar eerste verkiezingen, in 2002, ging de ChristenUnie, een fusie van GPV en RPF, er zelfs een zetel op achteruit.

In het slothoofdstukje van De schaamte voor links schetst Zwagerman hoe linkse kiezers weer ‘met gezwinde spoed en enthousiast’ naar de stembus zullen gaan als PvdA, SP en GroenLinks de krachten bundelen. Het CDA is voor hem hét voorbeeld van hoe partijen een malaisestemming dankzij een fusie kunnen ombuigen: ‘Het CDA vormde de onderling verschillende handicaps van de drie confessionele partijen om tot een grote krachts- en machtsfactor.’

Maar hij gaat in die redenering aan een aantal verschillen voorbij. In de eerste plaats werden de geesten in KVP, ARP, CHU pas rijp voor een samengaan nadat de drie partijen in een neergaande spiraal waren beland, als gevolg van de secularisatie. De ervaring leert dat zolang politici voor hun eigen partij een rooskleurige toekomst verwachten, zij van een fusie niets willen weten. In 1973 kapte de PvdA verkennende besprekingen met de PPR en D66 over de vorming van een Progressieve Volkspartij subiet af, na de gewonnen verkiezingen en de vorming van het kabinet-Den Uyl. Nu toont de SP zich immuun voor Zwagermans fusiekoorts. ‘Met links gaat het goed, want het gaat goed met de SP,’ zo vatte Zwagerman in de Singelkerk de reactie van de SP op zijn ideeën over een Sociaal-Democratische Volkspartij samen.

Bos wees bovendien op de grote verschillen tussen PvdA en SP in de opvattingen over defensie en buitenlands beleid. In het interview in het zomernummer van VN zette Bos zich af tegen het isolationisme van de SP: ‘Ik zie niet in waarom het links is “nee” tegen vredesmissies te zeggen, of landen buiten de EU onze welvaart en ons type rechtsstaat te misgunnen.’

Hersenspinsel
De interviews in VN met Wouter Bos en Femke Halsema (elders in deze Vrij Nederland) tonen meer verschillen in het linkse kamp die een fusie vooralsnog tot een hersenspinsel maken. Tot de kern teruggebracht gaan al die verschillen over één onderwerp. En dat is vrijheid, het eeuwige zorgenkindje van links, dat een geschiedenis met zich meedraagt waarin de vrijheid leed onder de gelijkheidsutopie, of juist van elke grens werd ontdaan onder de druk van het ideaal van zelfontplooiing. De val van de Muur heeft het socialisme weliswaar verlost van zijn totalitaire variant, maar dat wil niet zeggen dat de linkse worsteling met de vrijheid voorbij is.

Morele verdooldheid
Ook de onderwerpen in Zwagermans pamflet zijn alle terug te voeren op het probleem dat links met de grenzen van de vrijheid heeft.
‘Onze vrijheden hebben te lang liggen weken in een onwelriekend badje van onverschilligheid en eigenrichting,’ schrijft hij. In de onderwijshervorming van het Nieuwe Leren, dat er volgens Zwagerman op neerkomt dat een docent op vragen van leerlingen antwoordt: ‘Wat vind je er zelf van?’, ziet Zwagerman de onbegrensde vrijheid van het ‘doorgeschoten zelfontplooiingsevangelisme’ terug. In zijn zienswijze op de multiculturele samenleving verwarde links lange tijd elke begrenzing van de zeden, gewoonten en gedragingen van allochtonen met discriminatie of racisme. En in het waarden- en normendebat verklaarde links volgens hem elk moralisme tot een onaanvaardbare beperking van de vrijheid van het individu. ‘Ik voel een hardnekkige schaamte voor de morele verdooldheid op links,’ zei Zwagerman in de Singelkerk.

Het geschil in links weerspiegelt zich in uiteenlopende opvattingen van PvdA, GroenLinks en SP over de vrijheid van het individu en de mate waarin staat en gemeenschappen daaraan grenzen mogen stellen. Dat komt ook naar voren in het tweeluik met Bos en Halsema, waarin de GroenLinks-leidster met afschuw reageert op Bos’ uitspraak dat politici weer moeten durven moraliseren en daarbij ook voor paternalisme niet moeten terugschrikken. Wellicht indachtig de uitspraak van wijlen Bart Tromp dat de ‘rooie haan zonder ideologische veren in zijn blote kont staat’, zoekt Bos in de oude ideologie naar aanknopingspunten voor zijn nieuwe koers. ‘Paternalisme past heel goed in de verheffingstraditie van de sociaal-democratie,’ zei hij in het debat over Zwagermans pamflet. ‘Zonder paternalisme was de strijd voor de achturige werkdag bijvoorbeeld nooit gelukt.’

In de ogen van Halsema is deze wending van de PvdA, evenals de regeringssamenwerking van de sociaal-democraten met CDA en ChristenUnie, niets anders dan een antimoderne reactie op de individualisering. Toch komt ook bij Halsema het maakbaarheidsdenken boven als zij consequent spreekt over het ‘individualiseringsproject’, alsof individualisering doelbewust overheidsbeleid is geweest en niet, zoals D66-leider Hans van Mierlo steevast zei, iets wat even beïnvloedbaar is als het weer.

Bezielend verband
In het debat binnen links over de grenzen van de vrijheid is niets nieuws onder zon. Het vertoont opvallende parallellen met de discussie die tien jaar geleden plaatsvond in de VVD. Op aandrang van Frits Bolkestein en zijn conservatieve kompaan Andreas Kinneging bezonnen de liberalen zich toen op de vraag of de overheid omwille van de maatschappelijke orde mag moraliseren en grenzen stellen aan de vrijheid van het individu. De plichten van een verantwoordelijk burgerschap legden volgens Bolkestein beperkingen op aan deze vrijheid. Om die reden gruwde hij van de verkiezingsleuze van zijn voorganger, Ed Nijpels: ‘Gewoon jezelf kunnen zijn.’ Zoals Zwagerman in de Singelkerk links opriep de noodzaak van ‘zelfdiscipline en zelfbeperking’ te onderkennen, zo brak Bolkestein een lans voor de klassieke morele opvoeding in ‘zelfoverstijging en zelfbeheersing’.

Wat er volgens Bolkestein ontbrak in de liberale ideologie was een ‘bezielend verband’ van christelijke en klassiek-humanistische waarden. Op de vraag of het liberalisme met zijn ideaal van het autonome individu niet tekortschoot in het bijeenhouden van de maatschappij, antwoordde hij: ‘Met recht en reden kunt u die vraag stellen.’

Het CDA hoeft zichzelf dit soort vragen niet te stellen, dankzij een bezielend verband van tweeduizend jaar oud. Op grond daarvan legde het direct na zijn vorming in 1980 een stevige ideologische basis. Of men de christen-democratie nu positief beoordeelt of verafschuwt, vriend en vijand zijn het erover eens dat het CDA op de been blijft dankzij die ideologische consistentie. Dat is een ander verschil met links waaraan Zwagerman in zijn fusiedroom over de Sociaal-Democratische Volkspartij voorbijgaat.