Over zijn Verzamelde Werken – ‘Red ons, Maria Montanelli’, ‘De Dierenwinkel’ – worden al scripties geschreven. Zijn schooljaren op het Montessori vervullen Herman Koch, schrijver en tekstschrijver (van ‘Jiskefet’), nog steeds met weerzin, ook al is hij daar inmiddels ‘iemand geworden’. Een gesprek over wat satire is, en over de schrijvers die hem inspireren.

‘Een boek over mensen die eenzaam zijn in de harde maatschappij leg ik al na veertig pagina’s weg.’ ‘Red ons, Maria Montanelli’ is verschenen bij Meulenhoff (317,90), ‘De Dierenwinkel’ verscheen bij uitgeverij De Harmonie (334,90). Herman Kochs onstuitbare neiging om flauwe grappen te maken begon heel vroeg. ‘Ik was niet het zielige gepeste jongetje, maar het vervelende knaapje dat dacht dat hij leuk was. Ben vaak van school gestuurd. Een knaapje zoals er nu heel veel zijn. Ik had een keer een juffrouw die de allereerste les al zei: ik denk dat wij dit jaar véél ruzie zullen krijgen. Die zag het meteen. Ik denk dat ik wilde opvallen. Ik was altijd heel dun, slecht in gymnastiek, kon niet voetballen, was geen rekenwonder. Nergens goed in. Je merkt dat je makkelijker een positie krijgt in de groep door flauwe grappen te maken. En het helpt je om de dingen niet zo serieus te hoeven nemen.’

Koch (1953, verende witte sportschoenen, vrolijke ogen) debuteerde in 1985 met de verhalenbundel De voorbijganger. Vier jaar later kwam Red ons, Maria Montanelli, een van de ontroerendste scholierenromans uit de Nederlandse literatuur (‘Ik geloof dat ik alleen al een zekere weerzin voelde tegen de náám Montessori op het boek. Vandaar Montanelli’).

Hij kreeg vooral bekendheid door Jiskefet, het televisieprogramma waarvan hij samen met Kees Prins en Michiel Romeyn bedenker en maker is. ‘Het publiek dat ons leuk vindt wordt steeds jonger,’ zegt hij. ‘We merken het nu bij de opnamen. Meisjes van dertien, veertien! En die willen allemaal met je op de foto!’

Onlangs verscheen De Dierenwinkel, met de complete tekst van het gelijknamige (inmiddels gestopte) onderdeel uit Jiskefet. Koch, die zelf de winkelbediende speelde, leverde het grootste aandeel in de teksten.

Klant: Ik heb met een muizenplaag te kampen.
Verkoper: Over hoeveel muizen hebben wij het hier?
Klant: Vijf.
Verkoper: Dan heb ik hier precies wat u zoekt.
De verkoper pakt een doos uit het rek en licht het deksel eraf. De klant kijkt in de doos.
Klant: Dat is een poes.
Verkoper: De gelijkenis is inderdaad treffend, maar schijn bedriegt. Wat u hier ziet is een originele Zuidamerikaanse bingo. Als de kat van huis is, dansen de muizen, luidt het spreekwoord, maar daar waar de bingo eenmaal heeft huisgehouden, ligt de balzaal er doorgaans verlaten bij. Dit dier heeft zijn sporen in de graanschuren van het Zuidamerikaanse continent ruimschoots verdiend. Als u er twee neemt zal uw muizenprobleem voorgoed tot het verleden behoren.
Klant: Twee bingo’s? Kan deze het karwei soms niet in zijn eentje klaren?

Poëzierecensent Guus Middag schreef in NRC Handelsblad: ‘Zonderlinger Nederlands werd zelden gehoord en het is dan ook terecht dat de tekst ervan nu is uitgegeven. Het boek haalt het niet bij de film, natuurlijk, maar in het boek kan alle aandacht zich nu wel maximaal richten op de ware hoofdrolspeler van de serie: de taal.’

‘Ik ben zeer benieuwd,’ zegt Herman Koch, ‘hoe iemand het boek vindt die de uitzendingen nooit heeft gezien. Het kan best dat het helemaal niet werkt.’

Schrijven en televisiemaken – hij vindt het een ‘ideale’ combinatie. ‘Ik zou het een niet willen inruilen voor het ander. Alleen wijst de praktijk uit dat ik nog maar weinig aan schrijven toekom. Dat vind ik niet zo erg. Als je ouder bent heb je geen zin meer om tien uur in de regen te staan om een scène op te nemen. Dus dan kan ik altijd nog op de hei dikke boeken gaan schrijven.’

Volgens Herman Koch komen humor en schrijven voort uit dezelfde bron. ‘Dat je de dingen net iets anders ziet. De werkelijkheid net even verschuift. Dat je een verbinding maakt die een ander niet heeft opgemerkt. Dat is de bouwsteen van humor en ook van schrijven. De dierenwinkel is een dierenwinkel, maar lijkt op een ijzerwinkel. Maar het is geen satire op een dierenwinkel, en ook niet op een ijzerwinkel. Het is iets wat niet bestaat. Nou ja, dat soort mannetjes bestaat een beetje. Satire vind ik een karikatuur maken, iets uitvergroten, en vervolgens onderuithalen. Cabaretiers doen dat. Koot en Bie doen dat. Satire is niet iets wat mij, wat ons aantrekt. Wat wij met Jiskefet doen is portretjes maken, dwarsdoorsneden van het leven. Dat is humor.’

Ook zijn roman Red ons, Maria Montanelli was, zegt Koch, ‘niet bedoeld’ om het montessorisysteem satirisch op de hak te nemen. ‘Veel mensen hebben het wel zo gelezen. Maar die buurt en die school zijn alleen de setting. En al schrijvend kwam er steeds meer boven, deed ik er nog een schepje bovenop. Ik wilde een mooi verhaal vertellen. Ik wilde een boek schrijven over een puber, ongeveer zoals ik zelf ben geweest. Het is het portret van een jongen die grappig is. Of denkt dat hij grappig is. Het is het portret van een leeftijd, van een jongen met een vader die vreemdgaat en een moeder die doodgaat. Hij moet de dood van zijn moeder verwerken, maar hij schreeuwt zo hard en hij is zo stoer dat hij daar niet aan toekomt.’

Een ongelukkige, onbegrepen puber: het is een vertrouwd thema. Critici vergeleken Koch destijds met Salinger, en dat was niet altijd aardig bedoeld. Herman Koch: ‘In toon lijkt het misschien erg op Salinger, door de persoonlijke verteltrant. Maar het is toch zonde om niet nog zo’n boek te schrijven, alleen omdat iemand ooit zo’n boek al heeft gemaakt? Ik vind die vergelijkingen een beetje vreemd. Het is toch jammer dat een boek over iemand die het huis van zijn overleden moeder opruimt, waarvan er al zo’n tweeduizend zijn geschreven, dat zo’n boek nooit met voorgangers vergeleken wordt. Of een boek van iemand die met zijn vader afrekent, waarvan er al zeker honderdduizend zijn geschreven. Daarvan wordt nooit gezegd: het lijkt wel erg op dat en dat.’

Voor zover hij er zicht op heeft, wordt zijn roman op middelbare scholen graag gelezen. ‘Het is zes jaar geleden verschenen, maar ik krijg nog steeds verzoeken om te komen voorlezen. En ik krijg brieven en werkstukken. Eergisteren nog van een jongen uit Groningen die een scriptie heeft gemaakt over mijn verzamelde werken.’

Op het Amsterdamse Montessori-lyceum, zijn eigen oude school, staat het, vertelt hij, in de top-tien. ‘Ik ben daar ook een keer wezen voorlezen. Typerend was de reactie van de leraar Nederlands: dat ik een portret geef van toen, de jaren zestig, maar dat het nu allemaal héél anders toegaat. Ze hebben daar een beetje dubbele benadering. Er schijnt een lustrumboek te zijn uitgekomen, met een lijst van oud-leerlingen die later wat zijn geworden: Anja Meulenbelt, Gerben Hellinga, en ik sta daar ook bij. Aan de ene kant zijn ze dus trots, maar er staat wel: hoewel geen meesterwerk, zeer de moeite waard als een portret, blablabla. Dat eerste moet er even bij, hè. Je mag leuk meedoen, maar je mag zelf niet te leuk worden.’

Een van de weinigen die er in zijn boek redelijk goed vanaf komen is Maria Montanelli zelf, van wie de jongen droomt dat ze terugkomt op aarde. ‘Ook in dictaturen, waar mensen gearresteerd worden, en er geen water uit de kraan komt, hoor je altijd zeggen: als Fidel ervan zou weten, zou hij er iets aan doen. Daarom kan die jongen in het boek denken: Maria Montanelli deugt wel, alleen de volgelingen hebben het bedorven.’

Zelf heeft hij, na drie jaar Montessori-lyceum, uiteindelijk op een gewone middelbare school (‘Dus ik kan wel spellen’) zijn diploma gehaald. ‘Ik zie het aan mijn generatiegenoten die het Montessori hebben afgemaakt. Daar is wat mee, die komen bijvoorbeeld nooit goed aan het werk. Als ze van die school afkomen denken ze dat het hele leven een soort Montessori is, met leuke roze torens en schuurletters.’

Schuurletters?
‘Nou ja, weet ik hoe ze heten. Dat was op de lagere school, dan had je van die grote letters van een soort schuurpapier waar je met je vinger overheen moest aaien – tot je hem had. Dat zeiden ze zo: tot je hem had. Het idee was misschien niet eens zo gek. Maar ik was bijvoorbeeld linkshandig en iemand had gezegd dat ik misschien toch niet helemáál links was, dus ik moest rechts proberen te schrijven. Met als gevolg dat ik nu een volkomen onleesbaar handschrift heb. En als ik wel leesbaar schrijf, zijn het van die schuurletters waar je je kapot voor schaamt.

Natuurlijk waren er ook leuke leraren; ik denk dat je ook op een ultrarechtse school nog aardige mensen tegenkomt. Maar dat hele communistische ideaal van de veranderbare mens, dat vertrouwen in het goede van de mens: hun naïviteit was gigantisch. Ik heb meegemaakt dat we op werkweek gingen en dat de leraren een spel hadden bedacht. De ene helft van de groep moest naar de andere zien te komen over een groot terrein, in het stikdonker en je mocht niks meenemen. Wat gebeurde er: totale survival of the fittest, er werd gevochten, met stokken geslagen. En de leraren maar niks in de gaten hebben en denken dat ze iets leuks hadden bedacht.’

Schrijven deed hij altijd al, maar na de middelbare school ging Herman Koch ‘expres’ geen Nederlands studeren. ‘Ik had het idee: die vijf boeken die er toedoen in de Nederlandse literatuur heb ik al wel gehad. Gerard Reve is mijn grote voorbeeld geweest. Toen ik een jaar of zeventien was, las ik Jan Wolkers, Jan Cremer. Maar die las je eigenlijk alleen om de geile passages. Toen las ik Op weg naar het einde, en dat was een schok: god, dat bestaat óók. Een zogenaamd literatuurboek dat ook nog leuk kan zijn. Vanaf toen heb ik alles van Reve gelezen. Ik vind hem een voorbeeld van iemand die een eigen humor heeft én zijn eigen stempel drukt op de stijl. Van de jonge schrijvers vind ik Arnon Grunberg een goed voorbeeld van hoe het ook kan. Eindelijk iemand die helemaal zichzelf is. Die heeft geen cursus Zo moet ik een boek schrijven gevolgd. Hij is een schrijver die je onmiddellijk herkent aan één zin, of één alinea. Behalve Grunberg en Reve zou ik geen andere Nederlandse schrijvers weten die onverwisselbaar zijn. Ik heb altijd het idee dat, iemand anders ook wel Nooit meer slapen of De donkere kamer van Damokles had kunnen schrijven.’

Koch hééft het niet op het hedendaagse literatuurbedrijf. ‘Critici willen ideeën in een boek. Een maatschappijvisie. Schrijvers moeten bij de tijd willen zijn, met thema’s van nu. Critici houden van romans over de grote stad, over mensen die eenzaam zijn in de harde maatschappij. Ik leg zo’n boek na veertig pagina’s weg. Ik vind bij-de-tijd-zijn geen criterium. Ik vind dat een doodlopende weg. Het levert welzijnswerkersproza op. Ik geloof dat de stijl een boek maakt. Met tierelantijnen of geserreerd, dat doet er niet toe. Maar niet dat de boom die zijn bladeren verliest op pagina één, staat voor de onvruchtbaarheid van de hoofdpersoon in hoofdstuk zes. Sla je zo’n boek open: wie is er nu weer zijn archief aan het ordenen. Of het huis van zijn overleden moeder aan het opruimen. Wat een getut. En het is vooral de stijl die zo’n boek de das omdoet.’

Je houdt de hedendaagse schrijvers wel aardig bij.
‘Het ontspant me heel erg om slechte boeken te lezen. Dat klinkt pedanterig, maar ik vind het ook niet erg om de Viva te lezen. Van die boeken dat je denkt: wat heeft iemand achter zijn tekstverwerker die driehonderd pagina’s lang in godsnaam belééfd? Slechte boeken maken me relaxed. Echt goeie schrijvers zijn niet-ontspannend. Die dwingen je van zin tot zin dóór te lezen. Daar sla je door aan het piekeren, die houden je wakker. Een boek moet power hebben. Dat het je grijpt. Niet de herkenbaarheid van: ik lig ook in een scheiding, ik heb dat óók. Ik vind het belangrijk dat het een schrijver lukt om aan het alledaagse een draai te geven. Dat je als lezer denkt: zo heb ik het nog nooit bekeken. Dat doet er meer toe dan of de structuur klopt of dat de symbolen op hun plaats staan. En het ritme en de melodie van de zinnen moeten in orde zijn. Ik denk vaak: zou nou niemand op de uitgeverij hebben gezien dat die zinnen niet lekker lopen? Ik hou van Amerikaanse schrijvers als Carver, Salinger, en onlangs nog Kevin Canty. En iemand als Ishiguro, The Remains of the Day. Die staat in mijn top-vijf. Niet te vergelijken met Nederlandse schrijvers, ik zou niemand weten die het ook maar benadert.’

Volgend voorjaar verschijnt Kochs nieuwe boek, Eindelijk oorlog. Hij wil er nog niet te veel over kwijt. ‘Ik hoop wel dat er nog wat te lachen valt, maar het is heel anders dan Maria Montanelli. Het moet een ironisch zelfportret zijn. Het gaat over het zoeken naar hoe je je eigen leven dramatischer kunt maken door de accentjes net iets anders te leggen. Ik heb mezelf mijn hele leven erop betrapt dat ik gebeurtenissen aandik. Een sausje eroverheen giet. Anekdoten zo versieren dat het mooie verhaaltjes worden. Dat moet te maken hebben met de angst dat ik een leven leid waarin eigenlijk niks gebeurt – hoewel iedereen zegt: je doet toch leuke dingen.’

Het moet groots en meeslepend zijn.
‘Dat verlangen zit wel in mij, maar heel erg als schizofrenie. Iets in mij had ook wel in de negentiende eeuw, zeg, wapenhandelaar in Soedan willen zijn. Maar als ik denk aan al die ongemakken… Het is een heel burgerlijke opvatting over avontuur die ik in mezelf voel.’