Reportage / Doe-het-zelf DNA-testen
Het begon met een grap. Zo’n grap die in elke familie circuleert, over wie in de familie eigenlijk geen bloedverwant is, maar het kind van de melkboer, of de nazaat van een buurman wiens naam niemand zich meer herinnert. In mijn schoonfamilie ging de grap over Djengis Khan. De Mongoolse heerser zou een verre voorvader zijn. Als Jood rijmde mijn schoonvader zijn vermeende afstamming van de Aziatische veroveraar met de grap: ‘Wij zijn de Djengis Cohens.’ Toegegeven, geen dijenkletser. Maar in de familie leidde het tot veel gegniffel, want waar was die boude bewering op gebaseerd? Het feit dat de familie lang geleden uit Boedapest naar Amerika was geëmigreerd en Hongarije eens deel uitmaakte van het Mongoolse Rijk, was natuurlijk geen bewijs. Wel was er een foto die prominent boven de televisie hing, een uitvergrote zwart-witfoto van mijn schoonvader als kleuter. Het jongetje in z’n sneeuwpakje oogt Aziatisch. Het levende bewijs van het bestaan van de ‘Djengis Cohens?’
Jaren later moest mijn man Daniel Klein terugdenken aan die grap van zijn inmiddels overleden vader toen hij las over wetenschappelijk onderzoek naar de genetische samenstelling van bevolkingsgroepen in Azië. Wat blijkt? Bij acht procent van de mannen uit het oude Mongoolse Rijk, 0,5 procent van de huidige mannelijke wereldbevolking, komt een identieke marker voor in het Y-chromosoom (het Y-chromosoom wordt nagenoeg intact doorgegeven van vader op zoon en is daarom van onschatbare waarde om afstamming te onderzoeken). De geschiedenis van de marker is bijzonder, want recent. Ergens rond het jaar duizend – bij een overgrootvader van Djengis Khan – moet de mutatie van het Y-chromosoom hebben plaatsgevonden. Vervolgens verspreidde het zich over het voormalige Mongoolse Rijk. Uit historische bronnen is bekend dat Khan en zijn zonen niet alleen op militair maar ook op seksueel gebied excelleerden. Djengis’ oudste zoon had veertig zonen, zijn kleinzoon had er tweeëntwintig. De Khan-mannen onderhielden ook grote harems, die elk jaar met tientallen maagden werden aangevuld. Bovendien stonden ze voor in de rij als de prooi werd verdeeld. Veroverde vrouwen waren oorlogsbuit, verkrachting was de beloning van de strijders. Geen wonder dat Djengis wel dé alfaman wordt genoemd; er is geen historische persoon die zo nadrukkelijk zijn genetische sporen heeft achtergelaten.
Het geintje in de familie over de Djengis Cohens leek ineens minder verzonnen. Daniel besloot het wetenschappelijk te testen.
Geen Mongool te vinden
Doe-het-zelf DNA-testen waarmee je een afstammingslijn kunt vaststellen, zijn inmiddels een fenomeen in Amerika. Honderdduizenden Amerikanen willen, net als Daniel, weten waar ze vandaan komen, aan wie ze verwant zijn en met welke beroemde voorouder ze kunnen pronken. Daniel bestelde bij het bedrijf 23andMe een DNA-testkit, de meest geavanceerde en duurste test, waarbij een schraapseltje wangslijm niet volstaat maar een hele bak vol moet worden gespuugd.
Het resultaat was zowel teleurstellend als verrassend. ‘Mijn vaderlijke afstammingslijn, van mijn Y-chromosoom, toont aan dat ik semitisch ben. Die lijn loopt terug tot pre-bijbelse tijden. Geen Mongool te vinden, dus geen Djengis Khan. Mijn haplogroep, een onderverdeling van takken van de genetische stamboom, is J1e. En hier wordt het interessant. Ik deel J1e met veel Joodse mannen, vooral met Cohens en Levi’s, de afstammelingen van de oude priesterstammen, maar J1 is ook de haplogroep van tweederde van de bedoeïenen-mannen. Kijk je naar waar mijn J1e-verwanten nu voor het merendeel wonen, dan is het niet in Israël, Europa of New York, maar in Saoedi-Arabië. Oftewel, deze Amerikaanse Jood is genetisch het meest verwant met Arabieren.
Ik heb ook mijn mitochondriaal DNA laten testen. MtDNA erf je van je moeder. Zoals de meeste Joodse Amerikanen weet ik weinig over de afkomst van mijn moeder, behalve dat haar familie uit Polen kwam. Het resultaat vond ik nogal raadselachtig en weinig verhelderend. Mijn MtDNA is geclassificeerd als haplogroep H3. H komt in Europa veel voor en 23andMe beschrijft H3 als ‘een tak die zich na de ijstijd van haplogroep H heeft afgesplitst en zich vanuit het Iberisch schiereiland over Europa heeft verspreid’. Blijkbaar ben ik het meest verwant met hedendaagse Basken. Wie weet heeft een verre voormoeder zich tot het jodendom bekeerd.’
Zonen van Adam
Ook in de familie Barjesteh van Waalwijk van Doorn werd gekscherend gesproken over de genetische afkomst. ‘Zowel mijn vrouw als ik is Perzisch, maar ik heb ook een Nederlandse vader,’ vertelt uitgever Leo Barjesteh van Waalwijk van Doorn. ‘Het was voor ons een persoonlijke uitdaging om ons DNA te laten testen. Wie van ons tweeën zou meer Perzisch zijn? Toen de uitslag kwam, heeft mijn vrouw mij moeten feliciteren. Mijn afstammingslijn is meer Perzisch, die van haar meer Europees.’
Leo Barjesteh van Waalwijk van Doorn is een van de initiatiefnemers van het Project Genetische Genealogie Nederland, dat door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde in 2007 werd gestart en inmiddels duizend deelnemers heeft. Een eerste resultaat werd gepubliceerd in het boek Zonen van Adam in Nederland. Een tweede deel komt dit najaar uit. Deelnemers werden geworven onder genealogische organisaties in Nederland. Ze kregen een testpakket thuis, maakten met een wattenstaafje een uitstrijksel van hun wangslijm en stuurden het op naar het Genootschap, dat het vervolgens onder code inleverde bij het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum (kosten: 155 euro).
Peter de Knijff, directeur van het FLDO, is dankbaar voor de anonimiteit van de DNA-monsters die hij test. De hoogleraar populatie en evolutiegenetica verwierf internationaal bekendheid toen hij meewerkte aan een wetenschappelijk onderzoek naar de stamboom van de Amerikaanse president Thomas Jefferson. Het onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature, toonde aan dat de jongste zoon van de slavin Sally Hemings door Jefferson was verwekt. De techniek voor het Y-chromosoomonderzoek was door De Knijff ontwikkeld. ‘Daarna werd ik overspoeld met aanvragen. Leden van een Schotse clan, mensen met dezelfde achternaam, wilden weten of ze inderdaad verwant waren. Toen het antwoord “nee” was, werd ik eindeloos lastiggevallen. Dat was een vervelende ervaring.’
Inmiddels zijn De Knijffs technieken voor Y-chromosoomonderzoek door tientallen commerciële bedrijven uitgebuit. Alleen al in Amerika zijn er veertig bedrijven die aan genetisch genealogisch onderzoek doen. ‘Ik denk dat Amerikanen een identiteitsprobleem hebben,’ lacht De Knijff. ‘Het is ook wel vertederend. Ze willen zo graag een bepaalde identiteit ontlenen aan waar ze vandaan komen, aan een streek of een stad.’ Minder vergevingsgezind is De Knijff ten opzichte van de bedrijven die de tests aanbieden. Hij vindt dat ze mensen misleiden. Vooral de bedrijven die Afro-Amerikanen, een bevolkingsgroep die door de slavernij een historisch trauma heeft, beloven dat ze hun voorouders kunnen traceren. ‘Dan reist zo’n familie op basis van een test naar een dorp in Ghana omdat hun is verteld dat ze daar vandaan komen. Totale onzin. We weten zo weinig over de micro-variaties van het DNA van de bewoners van West-Afrika dat je met geen mogelijkheid kunt zeggen: uit dat dorp of die streek kom je.’
Beroemdheden
Het is een Afro-Amerikaan die de genetische genealogie in de VS heeft gepopulariseerd. Amerika’s bekendste zwarte intellectueel, Harvard-professor Henry Louis Gates, was vorig jaar zomer voorpaginanieuws toen hij door een witte politieagent werd gearresteerd op verdenking van inbraak. President Barack Obama nam het voor zijn vriend ‘Skip’ op en beschuldigde de politieman van ‘stupide gedrag’. Het incident deed een heftige politieke discussie over rassenrelaties in Amerika ontvlammen, die pas verstomde toen Gates, de politieman James Crowley en Obama in de tuin van het Witte Huis een pilsje dronken ten overstaan van de voltallige landelijke pers.
Toen Gates voor zijn eigen voordeur werd gearresteerd, kwam hij net terug uit China, waar hij de stamboom had onderzocht van de cellist Yo-Yo Ma, een van de deelnemers aan het televisieprogramma Faces of America. In deze serie onderzoekt Gates de voorouders van twaalf bekende Amerikanen, onder wie filmregisseur Mike Nichols, actrice Meryl Streep, schrijver Malcolm Gladwell en Olympische kampioene kunstschaatsen Kristi Yamaguchi. De serie is een vervolg op eerdere programma’s van Gates over de genealogie van Afro-Amerikanen, waarvoor hij DNA-onderzoek gebruikte om het voorouderschap van bijvoorbeeld Oprah Winfrey vast te stellen. Gates noemde zijn genetisch genealogisch detectivewerk in een interview een ‘Roots voor de 21ste eeuw. Roots in een witte jas’. Zelf had Gates ook zijn DNA laten testen. Zoals veel Afro-Amerikanen bleek hij blanke voorouders te hebben. Vijftig procent van zijn DNA was oorspronkelijk Europees, een groot deel van zijn DNA-profiel toonde verwantschap aan met Ieren (later zou Gates bij Oprah onthullen dat hij verwant is aan de witte politieman die hem arresteerde). Voor elk van zijn gasten in Faces of America legde Gates een ‘levensboek’ aan dat deels uit de ‘paper trail’ van traditioneel stamboomonderzoek bestaat en deels uit DNA-onderzoek.
Net als bij Daniels DNA-onderzoek is het resultaat ambigu. Gladwell en Gates zijn verwant, net als regisseur Mike Nichols, zoon van Europese Joden, en televisiepresentator Mehmet Oz, zoon van Turkse moslims. Professor Gates is lyrisch. Hij had bij de aanvang van het project gehoopt dat Joodse en moslimdeelnemers eenzelfde DNA-profiel zouden hebben. ‘Dit is de bevestiging van het verhaal van Abraham,’ zegt Gates opgetogen. Maar hoe opmerkelijk is het dat twee mannen duizenden jaren geleden een mannelijke voorouder deelden? Eigenlijk was het moment waarop de schrijfster Louise Erdrich weigerde haar DNA af te staan frappanter. Erdrich is van vaders kant Duits en van moeders kant Frans en Ojibwa. Ze had haar indiaanse familie gevraagd wat ze van een DNA-test vonden. De familie had gezegd: ‘Louise, het is niet aan jou om je DNA af te staan. Jouw DNA is van ons allen.’ Een prachtig, bijna filosofisch antwoord. En ook een politiek antwoord. Aan het lidmaatschap van een indianenstam zit voor het eerst in de geschiedenis een economisch voordeel, nu in indianenreservaten casino’s zijn verrezen. Genetisch onderzoek zou dit in gevaar kunnen brengen. Want ben je nog ‘indiaan’ als de DNA-test uitwijst dat je overwegend Europees bent? En komen we hiermee op het gevaarlijke terrein van genetisch determinisme, iets dat de wereld na de nazi’s had afgezworen?
Piepkleine verschillen
Voor de American Society of Human Genetics waren dergelijke vragen aanleiding tot een rapport over de implicaties van DNA-onderzoek naar voorouderschap. Professor bio-ethiek Malia Fullerton, een van de schrijvers van het rapport, is vooral geïnteresseerd in de ethische implicaties van genetische genealogie. ‘Het is een interessant sociologisch fenomeen,’ vertelt ze over de telefoon vanuit haar werkkamer aan de universiteit van Washington. ‘Idealiter breekt dit soort onderzoek het ideologische denken rond rassen en etnische groepen af. Omdat het aantoont dat de genetische verschillen tussen groepen mensen heel, heel klein zijn. Tegelijkertijd lijkt het alsof dit soort testen het tegenovergestelde doet, juist omdat het zich op die piepkleine verschillen concentreert en mensen in steeds kleinere groepen indeelt. Met dit rapport hopen we de discussie over het gebruik van raciale en etnische constructies in de interpretatie van genetische research te beïnvloeden.’
Daar is reden voor. In Groot-Brittannië barstte de discussie over het politieke gebruik van genetische genealogie los toen het Human Provenance Project van de Britse immigratiedienst uitlekte. Met dezelfde DNA-testen waarmee duizenden amateurgenealogen hun voorouders trachten te traceren, wilde de overheid vaststellen of asielzoekers inderdaad vluchtelingen waren uit een conflictgebied. Of een man uit Somalië was gevlucht, zoals hij beweerde, of dat hij een Keniaan was die de boel belazerde. Peter de Knijff kent dit project. ‘De Britten kwamen ook bij mij langs met die vraag. Dit is totale lariekoek. Een Y-DNA-test naar voorouderschap zegt niets over je geografische herkomst. Genen houden zich niet aan politieke grenzen.’
Een printje van ons profiel
Fullerton en haar collega’s laten zich weinig vleiend uit over de booming business van DNA-thuistesten. Het rapport stelt vragen bij de privacy en beveiliging van het DNA-materiaal (wat gebeurt er met het DNA als een lab failliet gaat), bij de statistische verwerking, de geringe etnische diversiteit van het genetisch materiaal in databanken waarmee het DNA-materiaal wordt vergeleken, en bij de slechte en soms misleidende uitleg van de resultaten. Aan regulering van de industrie denkt de Society vooralsnog niet. Wel zouden wetenschappers en industrie met elkaar om de tafel moeten gaan zitten om afspraken te maken.
Peter de Knijff is net zo kritisch. ‘Veel van wat je op internet tegenkomt, is pseudo-wetenschap. De consument smult ervan. Maar iedere wetenschapper die deugt, moet zelf beslissen of hij hieraan meedoet.’
De Knijff beperkt zich in het onderzoek voor het Project Genetische Genealogie tot zestien markers op het Y-chromosoom. Te weinig, vindt Wibo Boswijk, apotheker en al veertig jaar enthousiast amateurgenealoog. Hij gelooft in de aanpak van het Amerikaanse bedrijf Family Tree DNA, dat testen aanbiedt met 37 en zelfs 67 markers. Het bedrijf is marktleider en heeft een databank van driehonderdduizend DNA-profielen. Boswijk: ‘De Knijff is vooral geïnteresseerd in genografie, de verspreiding van haplogroepen. Maar waarom zou je dat onderzoek voor Nederland doen als National Geographic het al doet? Voor stamboomonderzoek is het niet interessant. Als het verwantschap aantoont tussen families, dan is het een toevalstreffer.’
Eigenlijk, moet Boswijk toegeven, is DNA-onderzoek voor genealogen die puzzels in hun stamboom willen oplossen alleen interessant als je gericht test. Daarom vraagt Boswijk aan mensen van wie hij vermoedt dat ze verwant zijn of ze wangslijm af willen staan.
Wat heeft het Project Genetische Genealogie in Nederland tot nu toe opgeleverd? Tien haplogroepen, met R1b3, vermoedelijk afkomstig van het Iberisch Schiereiland, en I, Friezen of Vikingen, als de grootste. Wereldschokkend? Nou nee, geeft Barjesteh van Waalwijk van Doorn toe. Wel opvallend vindt hij de concentratie van haplogroep J in Oost-Brabant. Dat lijkt te wijzen op nazaten van Romeinse soldaten die zich in het grensgebied van het rijk permanent hebben gevestigd. En over haplogroep G in Nederland zijn ook interessante dingen te vertellen. Alleen houdt hij dat nog even in petto.
Maar zelfs als amateurgenealogen massaal wangslijm zouden afstaan – alleen in Nederland zijn er al 35.000 stamboomvorsers – dan nog ligt de toekomst van de genetische genealogie niet bij de hobbyisten maar bij de artsen. Malia Fullerton schetst het toekomstbeeld: ‘Als je over tien jaar voor een check-up naar je dokter gaat, zal hij je wangslijm afnemen om een voorouderschapstest te doen. Met die informatie kan je huisarts voorspellen voor welke ziektes je vatbaar bent gezien je afkomst en welke medicijnen voor jou het beste zijn.’
Dus over tien jaar lopen we allemaal met een printje van ons DNA-profiel op zak en ratelen we de letters en cijfers van onze haplogroep af, zoals we nu onze telefoonnummers en e-mailadressen oplepelen. Moeten we daar blij mee zijn? En wat doen we met die informatie? Je kunt er, zoals Daniel, een grap over maken. De laatste maanden krijgt Daniel van het bedrijf waaraan hij zijn DNA afstond mailtjes van een medische strekking. Misschien delen ze hem mee dat hij gezien zijn afstamming rekening moet houden met een zeldzame leverziekte of dat hij statistisch een grotere kans heeft de ziekte van Parkinson te krijgen. Daniel weet het niet. Hij wil het niet weten. Hij drukt de deleteknop in. ‘I’m too old to die young,’ grapt hij. En hij steekt een sigaret op.
Testkit thuis gestuurd
De Nederlandse genetische spoorzoeker is voor een DNA-test op het buitenland aangewezen. Genebase in Canada en Family Tree DNA in de VS zijn het populairst. Het Nederlandse bedrijf Consanguinitas biedt een Y-chromosoomtest (12 markers) bedoeld voor mensen die willen onderzoeken of ze verwant zijn (prijs voor twee personen 299 euro). De buitenlandse bedrijven bieden een scala van testen aan. De meest voorkomende test – Y-chromosoom, 37 markers – van FTDNA is 169 dollar. Na betaling met een creditcard krijg je een testkit thuis gestuurd die bestaat uit speciale wattenstaafjes waarmee je wangslijm schraapt. Je stuurt ze naar het laboratium en zes weken later krijg je een e-mail met het resultaat. Wil je ook je moederlijke lijn onderzoeken, dan bestel je een mtDNA test (159 dollar). Of, om goedkoper uit te zijn, een combipakket.
De bedrijven hebben uitgebreide websites. Ze bieden de mogelijkheid om met personen uit dezelfde haplogroep in contact te komen. Je kunt ook een groep vormen van mensen die dezelfde achternaam hebben of uit een bepaalde streek afkomstig zijn. Op die manier kun je verder stamboomonderzoek doen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.