De komst van de christelijk-rode coalitie markeert het einde van een lange periode van liberale dominantie in de Nederlandse politiek. Dat wordt goed zichtbaar in de grote woorden waarin de liberaal georiënteerde partijen VVD, D66 en GroenLinks hun kritiek verpakken. ‘Het gedonderjaag met de apparatsjiks in het middenveld begint weer,’ zegt VVD-leider Mark Rutte over het voornemen van de nieuwe coalitie om meer over te laten aan de burgers, hun organisaties en de lagere overheden. Alexander Pechtold (D66) ontwaart de hand van ‘fanatieke christenen’ in de coalitieafspraak dat vrouwen die over tijd zijn, een ‘variabele’ bedenktijd in acht moeten nemen voor de beslissing of ze een beginnend leven tot een einde willen brengen. Een afspraak die Femke Halsema (GroenLinks) als het werk van de Pro life-beweging ziet.

Hun tanende invloed zit de liberalen duidelijk dwars. Na de val van de Muur voerde de VVD nog campagne met de slogan ‘We zijn allen liberaal’. De sterke liberale inslag van het beleid van Paars en de eerste kabinetten-Balkenende leek haar gelijk te geven, maar leidde ook de aandacht af van de geleidelijke erosie van de liberale machtspositie. In tien jaar tijd is het gezamenlijke aantal zetels van VVD, D66 en GroenLinks nagenoeg gehalveerd, een teken dat het beleid van liberalisering, privatisering en individualisering de kiezers begon tegen te staan.

Rust en zekerheid

Het spiegelbeeld van de marginalisering van de liberalen was het nachtelijke tafereel, in perscentrum Nieuwspoort, van CDA’ers en PvdA’ers die elkaar in de armen vielen en erop los knuffelden. Die geest van ontspanning tekent ook de bestuursstijl die de christelijk-rode coalitie nastreeft. Het liberale leerstuk van het primaat van de politiek, waarin de regering zich bij haar besluiten weinig gelegen laat liggen aan de maatschappelijke organisaties, maakt plaats voor de aloude pacificatiepolitiek. ‘De overheid moet vertrouwen geven, ruimte laten. Geen blauwdrukken van bovenaf, maar zoeken naar draagvlak en open staan voor initiatieven van burgers,’ schrijven CDA, PvdA en ChristenUnie in hun regeerakkoord.

De leidende gedachte achter dat eerherstel van de polder is dat het alternatief van de eenzijdig handelende staat spanningen in de samenleving nodeloos hoog doet oplopen, zoals het beleid van Verdonk en de ‘confrontatiepolitiek’ van Hirsi Ali hebben laten zien. Dit bewust aanzetten van tegenstellingen is volgens Peter van Lieshout, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), niet alleen moreel bedenkelijk, maar ook praktisch gezien onverstandig. ‘Onrust heeft een verstarrend effect op mensen en remt de verandering en vernieuwing. Onrust slaat eerder om in passiviteit en afsluitgedrag dan in een productieve attitude. Dat heeft allerlei macro-economische nadelen. De sfeer van onzekerheid in Nederland heeft navelstaarderij in de hand gewerkt en is niet bevorderlijk geweest voor een open, creatief klimaat waarin Nederlanders de wereld als een mogelijkheid zien en niet als een bedreiging. Rust en zekerheid zijn nodig om de bevolking het vertrouwen te geven dat er nieuwe stappen gezet kunnen worden.’

Van Lieshout is een van de auteurs van De verzorgingsstaat herwogen. Daarin constateert de WRR dat de verscherpte tegenstellingen in de samenleving tussen jong en oud, allochtoon en autochtoon, een omslag in de taken van de verzorgingsstaat vergen, van ‘verzorgen en verzekeren’ naar ‘verheffen en verbinden’. Voor het leggen van verbindingen met allochtonen is het volgens Van Lieshout bovenal noodzakelijk dat de geest van ontspanning ook vat krijgt op het migratiedebat: ‘De discussie over de bedreiging van de islam werkt afsluitgedrag in de hand. Dat is in alle opzichten contraproductief. We hebben met de Nederlandse pacificatiecultuur een waardevol instrument in handen om dat te doorbreken en een sfeer te creëren waarin onderling vertrouwen kan ontstaan. Los van de concrete maatregelen die nodig zijn, vooral in het onderwijs, is dat vertrouwen onontbeerlijk om langzaam maar zeker een allochtone middenklasse te laten ontstaan. Dat zal een dempend effect hebben op verzet, opstand, onrust.’

Hooggestemde idealen

Op de avond van de presentatie van het regeerakkoord zei Wouter Bos dat de nieuwe coalitie het als haar belangrijkste opdracht ziet om de stemming van polarisatie en confrontatie te verdrijven. Net als Van Lieshout denken CDA, PvdA en ChristenUnie dat die ontspanning ook het praktisch nut dient: een sterkere economie, meer internationale betrokkenheid, een beter milieu en een grotere veiligheid.

De uitgangspositie van het kabinet is niet in alle opzichten gunstig. Voor het eerst sinds de oorlog vrezen mensen dat hun kinderen en kleinkinderen het slechter zullen hebben dan zijzelf. ‘Met mij gaat het goed, met de samenleving minder,’ zo kenschetst het regeerakkoord de stemming. De nieuwe coalitie reageert met hooggestemde idealen en grote doelen op dit wantrouwen. Die inzet bergt tegelijkertijd het risico van te hooggespannen verwachtingen in zich, waarna de vertrouwenskloof met de burgers zich verder kan verdiepen. Met het succes of falen van de regering is dus ook de toekomst van de pacificatiepolitiek, het traditionele Nederlandse model van conflictbeslechting, gemoeid. Het is erop of eronder voor de polder.

Behalve in haar bestuursstijl streeft de christelijk-rode coalitie in haar beleid het overbruggen van tegenstellingen na. Dat is ook het kernthema van eerder genoemd rapport over de toekomst van de verzorgingsstaat, waarin de WRR constateert dat de verzorgingsstaat niet meer moet ‘verzorgen en verzekeren’, maar ‘verheffen en verbinden’. Hoewel daterend uit het najaar van 2006, lijkt dat rapport wel geschreven als blauwdruk voor de nieuwe coalitie, alleen al vanwege de historische connotatie die het woord ‘verheffen’ heeft met de sociaal-democratische ideologie en het woord ‘verbinden’ met de christen-democratische. De pacificatie van tegenstellingen is volgens de WRR vanouds het kerndoel van de verzorgingsstaat. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog was de tegenstelling tussen arm en rijk de meest urgente. Nu zijn het de spanningen tussen jong en oud, allochtoon en autochtoon, hoger- en lageropgeleiden die conflictueus dreigen te worden. Enkele maatregelen in het regeerakkoord zijn ontleend aan de suggesties die de WRR doet om die spanningen te beteugelen. Zo is het voorstel om beterbetaalde gepensioneerden zwaarder te belasten voor de AOW, gebaseerd op de principiële keuze om de lasten van de vergrijzing niet alleen bij de jongere generaties te leggen. En de nagestreefde halvering van de schooluitval is van groot belang om te voorkomen dat volgende generaties allochtonen buiten de arbeidsmarkt vallen en een nieuwe onderklasse vormen.

Peter van Lieshout: ‘Het is niet alleen een ethische opdracht om op een nette manier met anderen om te gaan, het is ook een welbegrepen eigenbelang van Nederland. We hebben bij de WRR uitgerekend dat bij het huidige niveau van arbeidsparticipatie en vergrijzing, we straks de hele bevolkingsaanwas van Noord-Afrika naar Europa moeten halen om aan de vraag naar nieuwe arbeidskrachten te voldoen. Dat geeft wel aan hoe urgent de vergroting van de arbeidsparticipatie is, en in het verlengde daarvan de bestrijding van de schooluitval. Met Griekenland is Nederland koploper in het voortijdig schoolverlaten.’

Ongehoord

In het streven naar minder confrontatie en polarisatie heeft het driemanschap Balkenende, Bos, Rouvoet het gezin en de lokale gemeenschap aangewezen als brandpunten van sociale samenhang. Maar wat nu als je je niet thuisvoelt in die gemeenschappen, of je niet wilt onderwerpen aan regels die de maatschappij ordentelijk en overzichtelijk maken, maar je eigen vrijheid, privacy en zelfbeschikkingsrecht aan banden leggen? Mag de overheid bepalen welke individuele rechten worden opgeofferd aan het gemeenschappelijk belang?

‘Ik ben een aanhanger van het klassieke republikeinse denken: politiek heeft niets te maken met moraal – dat is een zaak van de samenleving – en ook niet met waarheid, want dat is een zaak van de wetenschap. Politiek gaat alleen over de dingen waarover we het met elkaar oneens zijn,’ zegt Paul Frissen, decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). ‘Maar in dit regeerakkoord wordt verteld wat een goede samenleving is. Dat is een samenleving die bestaat uit sterke gemeenschappen die met elkaar zijn verbonden door een gemeenschappelijk besef van normen en waarden. En de politiek bepaalt hoe die normen en waarden eruitzien. Maar de politiek hééft dat niet te bepalen.’

Het voornemen van de coalitie om een Handvest voor verantwoordelijk burgerschap op te stellen, stuit hem tegen de borst. ‘Alsof politici kunnen vertellen wat voor soort volk ze willen. Het is volkomen ongehoord dat politici daar uitspraken over doen. Zo hoort de verhouding niet te zijn in een democratie! Dat is een Umwertung aller Werte.’

Het is volgens Frissen niet alleen onjuist, maar ook gevaarlijk als de staat zich met moraal verbindt. ‘Het is een politiek van goede bedoelingen, van oprechte zorg en aandacht voor mensen – maar wel een politiek die het gevaar in zich draagt van een totalitaire verleiding.’ CDA, PvdA en ChristenUnie noteren al in de eerste alinea van hun regeerakkoord dat de overheid duidelijke grenzen moet stellen aan wat wel en niet kan. Kijk dan eens wat de plannen zijn, zegt Frissen: ‘Gekoppelde databestanden, indicatiestellingen, de hulpdiensten tot achter de voordeur. Je ziet het bij de plannen voor de jeugdzorg: een elektronisch kinddossier, Centra voor Jeugd en Gezin, consultatiebureaus waar de lijsten met risicofactoren al klaarliggen wanneer je binnenkomt als alleenstaande 22-jarige moeder met wisselende contacten en een kind van twee jaar dat niet goed scoort op een taaltestje omdat het net een groeistuip heeft. Voordat je het weet, krijg je verplichte opvoedingsondersteuning. Tegen zo’n overheid moeten we beschermd worden. Geen enkele politicus heeft iets met de opvoeding van onze kinderen te maken.’

Ook hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak zit niet te wachten op een minister van Jeugd en Gezin. ‘Moet een minister propageren wat de meest geëigende opvoedingssituatie is? Welke definitie komt er straks van gezin? Hoe zit het met alleenstaande ouders? Met alleenstaanden überhaupt?’ Tegelijk is hij niet zo bang dat er een benauwende en bevoogdende atmosfeer ontstaat. ‘Het is eerder zo dat de ChristenUnie een moderne partij is geworden die zich heeft geïdentificeerd met het moderne Nederland, inclusief homo’s en feministen.’

De oud-hoogleraar samenlevingsopbouw vindt wel dat de christelijk-rode coalitie valse verwachtingen wekt met haar belofte probleemwijken in tien jaar tijd te veranderen in ‘prachtwijken’. Duyvendak: ‘Wijken zijn een handige vindplek van mensen met problemen, maar je moet ze niet overromantiseren als plekken van sociale cohesie. Wat dat betreft, zijn de verwachtingen te hooggespannen en is ook het ambitieniveau te hoog. De wijken hebben al veel te veel golven van aandacht gehad. En die vallen steeds opnieuw weer stil omdat het paradijs op aarde er niet komt. Ik heb de indruk dat het regeerakkoord soms uit de bocht vliegt waar het gaat om traditionele maakbaarheidsambities.’

Duyvendak, een van de auteurs van het boek Maakbaarheid, denkt dat als de overheid mensen vooruit wil helpen en aan sociale samenhang wil werken, zij vooral hun sociale achterstand moet aanpakken. En dat kan het beste via de arbeidsmarkt. ‘De laatste tijd is er vooral gesproken over culturele verschillen tussen groepen mensen. Het zou een verademing zijn als het nu eens over méér gaat. Mensen willen werk, ze willen geld verdienen. Op hun werk ontmoeten ze op een ongedwongen manier meer soorten mensen dan in hun buurt wonen. Een diversiteitsbeleid waarbij wordt gestreefd naar vrouwen en migranten op alle niveaus in de organisatie, zou daarom enorm helpen. De arbeidsmarkt wordt onderschat als het gaat om het bevorderen van sociale cohesie.’

Kabinet van inkeer

Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut voor onderzoek naar maatschappelijke vraagstukken, juicht de herwaardering van gezin en buurt toe. ‘De duurzaamheid van dit soort verbanden is de laatste jaren erg onderschat.’ Maar, waarschuwt hij, het kabinet moet zich niet blindstaren op dit niveau. ‘We hebben ook te maken met een globaliserende wereld en moeten aansluiting vinden bij grotere processen. Dit is een kabinet van inkeer. Dat vind ik te waarderen, maar het kan ook parochiaal en benepen uitpakken. Het lukte Balkenende in zijn vorige kabinet niet om het normen-en-waardendebat onder liberalen van de grond te krijgen. Nu zou het juk van benepenheid zó zwaar kunnen drukken dat de verdere ontwikkeling van kennis, innovatie en ook de internationale oriëntatie achterblijven. Ook al staat het vooraan in het regeerakkoord.’

Boutellier vindt het pure winst dat instellingen en professionals nadenken over hun kernopdracht. Op uitnodiging van het nieuwe kabinet gaan zij daarover in de eerste honderd dagen van de regeerperiode met de ministers in gesprek. Daarbij moeten de gesprekspartners wel beseffen dat ze opereren in een netwerksamenleving: ‘De oudere gezagsstructuren kun je niet meer in oude glorie herstellen, dat is voor altijd voorbij. Dat betekent: veel meer samenwerking tussen organisaties. Veiligheid, bijvoorbeeld, Dat is niet alleen een zaak van politie en justitie, maar ook van scholen. Het risico bestaat dat daar te weinig oog voor is, en er meer wordt gekeken naar de verouderde, verticale verhoudingen van vroeger.’

Het polderen moet dus op nieuwe leest worden geschoeid. Het gaat er niet alleen om het met elkaar eens te worden, burgers moeten zich ook gesteund voelen door instituties en professionals. Een ander gevaar dat het gemeenschapsdenken in zich bergt, is maatschappelijke uitsluiting. Boutellier: ‘We zien nu een soort herstel van een nationaal identiteitsbesef. Minderheden kunnen zich daardoor uitgesloten voelen. Het is daarom belangrijk om mensen vrijheid te geven als het om hun identiteit en cultuur gaat. Als mensen zich aan de wet houden en meedoen met de samenleving, dan moet je verder niet zeuren. Je moet integratie niet zó groot maken en de gemeenschap zó klein dat iedereen per se mee moet in onze culturele vormen. Dat zou ik heel benepen vinden.’